Een pluriforme samenleving is een samenleving waarin er tussen de mensen veel verschil in cultuur,
levensstijl en godsdienst is.
2. ik kan omschrijven en herkennen wat cultuur, dominante – en subcultuur betekent. Ik kan daar
ook voorbeelden van geven
Cultuur: alle waarden normen, gewoonten een andere aangeleerde kenmerken die de leden van een
bepaalde groep als vanzelfsprekend beschouwen.
Dominante cultuur: alle normen, waarden en gewoonte die het grootste deel van de groep als
vanzelfsprekend beschouwd.
Subculturen: alle normen en waarden en gewoonten die binnen een groep afwijken van de
dominante cultuur.
3. ik kan deze begrippen op mijzelf toepassen en uitleggen welke cultuurkenmerken tot de
dominante cultuur- en subcultuur behoren
Cultuurkenmerken: normen, waarden, muziek, sport, eetgewoonten, kunst, feestdagen, taal.
Dominant: in Nederland bijvoorbeeld vrijheid van meningsuiting, koningsdag, Nederlandse taal.
Subculturen: iedereen maakt wel van een baar subculturen uit, anders zou het ook beteken dat
iedereen de zelfde levensstijl heeft.
4. ik kan onderscheid maken en toelichting geven op de zes factoren die samenhangen met
culturele diversiteit
Culturele diversiteit: veel verschillende culturen en subculturen.
• Woonomgeving: als je bijvoorbeeld in een stad leeft, maak je niet heel veel contact met al je
buren, bij kleine dorpjes is dit anders.
• Generatie: zo is er nu veel meer keuze in levensstijl dan vroeger, en kan je je geen wereld
inbeelden zonder telefoon.
• Maatschappelijke positie: Zo heeft de koning meer manieren, dan bijvoorbeeld straat
jongeren.
• Gender: ieder cultuur heeft andere rolpatronen voor hun gender, ene cultuur vind dat de
man ook best mag meehelpen in het huishouden, hoe de ander nog '' vrouw in de keuken'' is.
• Migratie achtergrond: zo heb je vaak een etnische subcultuur als je de cultuur uit een ander
land gewend ben, vroeger allochtoon alleen nu vinden mensen dat racistisch ( gaf een te
grote scheiding tussen autochtonen ) en heet het migratieachtergrond
• Godsdienst en levensbeschouwing: zo heeft iedere kerk verschillende normen en waarden,
en feestdagen. Ook heb je mensen die helemaal niet geloven.
5. ik kan voorbeelden geven van (sub)culturen die in beweging zijn en koppelen aan plaats, tijd en
groep .
Zo heb je mensen die tegen een bepaalde cultuur zijn, dit noem je de tegen cultuur.
6. ik kan uitleggen wat de relatie is tussen (maatschappelijke) veranderingen en tegencultuur
Zo heb je mensen die tegen een bepaalde cultuur zijn, dit noem je de tegen cultuur. Deze kunnen
bijvoorbeeld protesteren, en zo komen er soms bepaalde veranderingen in de maatschappij. Denk
aan het tegenwoordige feminisme, of het homo huwelijk.
, 7. ik kan mijn eigen mening geven over sociale cohesie in Nederland met behulp van voorbeelden
uit de actualiteit/media
Er is een dilemma tussen de sociale cohesie ( verbondenheid die lijd tot vertrouwen ) en
cultuurdiversiteit ( de vrijheid om je eigen cultuur te hebben ). Het streven zou eigenlijk moeten zijn
dat als iedereen de zelfde normen en waarden ontwikkelt, dat er zo ook meer sociale cohesie moet
zijn. Of mensen moeten gewoon meer accepteren dat we anders zijn van elkaar en hierbij samen
kunnen leven vind ik. Ook al is er een referentiekader tussen mensen, zou je hier mee om moeten
gaan.
4.2
8. ik kan uitleggen hoe het socialisatieproces verloopt door middel van imitatie, informatie en
sociale controle
Socialisatie: wanneer iemand door groepen ongemerkt bepaalde normen en waarden aanleert.
• Imitatie: jonge kinderen doen bijna alles na van hun ouders, zo gaat dit later verder en doe je
mensen na tot waar je wil behoren.
• Informatie: zo heb je formele regels die op dingen slaan om je hieraan te houden - gewoon
beleefd naar elkaar zijn bijvoorbeeld.
• Sociale controle: ( andere mensen stimuleren/dwingen je aan normen te houden) formele
sociale controle word uitgevoerd door de overheid, zo krijg je een boete als je door rood rijd.
Informele sociale controle word gestimuleerd door je ouders, al ze zeggen dat je bijvoorbeeld
dankjewel of sorry moet zeggen. Meestal word dit afgedwongen door sancties.
9. ik kan voorbeelden geven van nurture en nature eigenschappen
Nature: alle aangeboren eigenschappen - hoe goed je muzikale aanleg is
Nurture: hoe je je muziek leert door bijvoorbeeld de mensen om je heen.
10. ik kan voor mezelf in kaart brengen hoe en welke socialiserende instituties invloed hebben
gehad op wie ik nu ben
IK KAN DAT
11. ik kan uitleggen wat geïnternaliseerd gedrag betekend en herkennen aan de hand van
voorbeelden
Internalisatie: mensen maken zich de cultuur eigen en gaat automatisch zich gedragen als verwacht
word van hun.
Geïnternaliseerd gedrag is het gedrag zoals gewoon in een rij wachten op elkaar, of opstaan voor een
ouder persoon in de bus.
Op het moment dat veel mensen hiervan afwijken spreek je van cultuur verandering.
12. ik kan sociale – en persoonlijke identiteit met elkaar vergelijken (d.w.z. een overeenkomst en
een verschil noemen)
Persoonlijke identiteit: het beeld dat iemand van zichzelf heeft