Ontwikkelingsleer
Hoorcollege 1 introductie
Intra-persoonlijke veranderingen -> veranderingen binnen personen.
Inter-persoonlijke verschillen -> verschil tussen personen.
Biologische leeftijd is nooit verantwoordelijk voor veranderingen, en verklaart veranderingen
daarom ook niet.
Cohorteffecten -> opgroeien in een pandemie, oorlog, gezondheidszorg etc.
Dia 26 -> niet waar
Dia 29
Goedkoper -> cross-sectioneel
Kan worden beïnvloed door test-hertest effecten -> longitudinaal, wanneer je dezelfde test
opnieuw doet heeft dit effect op hoe je scoort, als je een intelligentietest vaker doet word je
daar beter in.
Geeft informatie over individuele paden -> longitudinaal
Cohorteffecten kunnen een probleem vormen voor cross-sectionele designs. Omdat je
groepen met elkaar vergelijkt.
Tijd van meting effecten -> externe omstandigheden die invloed hebben op de scores.
Dia 36 -> gedragsobservatie
Dia 52 -> de rode lijn, een paardenbloem groeit onder elke omstandigheid. Plasticiteit.
Normative age-graded
Normative age-graded influences are those biological and environmental factors that have a
strong correlation with chronological age, such as puberty or menopause, or age-based
social practices such as beginning school or entering retirement.
Biologisch, of omgevingsfactoren, we komen allemaal in de puberteit, en het is raar als
iemand gaat trouwen als hij/zij 10 is.
Normative history graded
Normative history-graded influences are those influences within the life course that are
correlated with historical time and are experienced by the majority of a culture. For
example, wars and epidemics are considered history-graded events. Holocaust.
Invloeden die specifiek zijn voor een bepaalde cohort. Schoolplicht, voeding. Specifiek voor
de cohort.
Non-normative
,Non-normative influences are occurrences that do not affect all members of a given
population set in the same way, nor at the same time. Some people may not even
experience some of these non-normative influences.
Niet iedereen maakt het mee, bijvoorbeeld een auto-ongeluk op je vijfde.
Dia 55 -> normative history-graded
Quizvragen:
Het principe van multidirectionaliteit van Baltes:
Verschillende aspecten van menselijk functioneren veranderen volgens verschillende
veranderingstrajecten. Vloeibare intelligentie piekt bijvoorbeeld in de vroege volwassenheid
en neemt dan af, terwijl gekristalliseerde intelligentie stabiel blijft. Belangrijk is dat er
individuele verschillen zijn in deze trajecten (bijv. tempo van verandering, opkomst en
afname van kenmerken).
Wat is het derde-variabelen probleem?
Dat de associatie tussen twee variabelen wordt veroorzaakt door een derde variabele. Een
studie kan bijvoorbeeld een positieve correlatie vinden tussen het aantal boeken in een
schoolbibliotheek en de academische prestaties van studenten. Echter, de financiering en
middelen van de school kunnen zowel het aantal boeken verhogen (bijvoorbeeld omdat de
school meer geld heeft om boeken te kopen), en leiden tot betere prestaties (bijvoorbeeld
omdat scholen met betere middelen over het algemeen betere faciliteiten en meer
gekwalificeerde docenten hebben).
Welke van de volgende opties is geen nadeel van een cross-sectioneel onderzoek:
a. Groot risico voor test-hertest effecten
b. Geen informatie over individuele trajecten
c. Beperkte generaliseerbaarheid naar andere meetmomenten
d. Leeftijdseffecten zijn verstrengeld met cohorteffecten
In een onderzoek worden baby's herhaaldelijk blootgesteld aan een afbeelding van een
paard. Na een aantal trials verandert de experimentator de afbeelding in de afbeelding van
een vogel. Hoe wordt het fenomeen genoemd waarbij de reactie van de baby op het paard
afneemt na meerdere trials?
a. Habituatie
b. Oriëntatie
c. Remediatie
d. Dishabituatie
,Hoorcollege 2 theorieën ontwikkelingspsychologie
Als een kind niet in de kritieke periode bepaalde stimuli krijgt kan dit zich nooit meer
ontwikkelen -> bijvoorbeeld bij binoculaire visie
Evocatief -> iets oproepen
Passief genotype-omgevingsfit -> omgeving van kind wordt beïnvloed door ouders. Kind zelf
doet niks. Ouders hebben veel boeken thuis -> kind gaat eerder lezen.
Evocatief genotype-omgevingsfit -> door hoe kim is roept ze bepaalde gedragingen op, je
denkt bijvoorbeeld ik koop een trampoline want kim is erg actief.
Dia 18 -> evocatief, gedrag van de omgeving wordt beïnvloed door hoe het kind leek/eruit
ziet.
Dia 29 -> adolescentie -> identiteit en identiteitsontwikkeling
Dia 30 -> speelleeftijd. Nieuwsgierigheid.
Dia 31 -> babytijd
Dia 33 -> Geen chocola kopen -> anders bekrachtig je het foute gedrag!
Dia 35 -> nadoen, modelleren van het gedrag van de influencer.
Microsysteem -> alle directe invloeden, familie, vrienden.
Mesosysteem -> interacties tussen verschillende microsystemen. Vrienden zie je op school
bijvoorbeeld.
Exosysteem -> beïnvloeden het individu indirect. Moeder heeft het erg druk op werk en
moeder wordt boos op kind, kind heeft niks te maken met het werk.
Macrosysteem -> cultuur
Chronosysteem -> alle factoren, maar de tijdcomponent, transities over het leven heen.
Dia 39 ->
A -> macrosysteem
B -> mesosysteem, interactie tussen verschillende microsystemen
C -> chronosyteem, verandering is opgetreden.
Dia 47 -> taal draagt ook bij aan cognitieve ontwikkeling, niet alleen product.
Dia 48 -> geen/weinig, omdat het kind zelf actief zoekt naar mogelijkheden om te leren, the
little scientist. Kinderen dragen actief bij aan de ontwikkeling.
Dia 54 -> groepen mixen, kinderen die minder weten leren van de oudere kinderen.
Scaffolding -> ondersteuning die het kind krijgt hangt af van wat het kind al kan.
, Dia 58 -> Bella zal meer vragen krijgen waarom ze nog geen kinderen heeft.
Dia 64 ->
Selectie -> ik ga niet naar het feest, ik kan er niet heen.
Compensatie -> stok gebruiken
Optimalisatie -> naar de sportschool om spieren te trainen.
Het SOC gaat om het begrijpen van hoe ouderen omgaan met hun verminderde cognitieve
vaardigheden. Hier staan drie processen centraal:
Selectie -> focus op minder doelen/zet prioriteiten (bijv. bij verminderde cognitieve
vaardigheden, kan je je wel focussen op eten maken, maar misschien is het niet meer
belangrijk dat je elke dag schoonmaakt)
Optimalisatie -> train de vaardigheden die je (nog) hebt om ze scherp te houden (bijv. doe
elke dag een puzzel om cognitieve vaardigheden te trainen)
Compensatie -> ontwikkel andere manieren in gebieden waar er "losses" zijn (bijv. vraag aan
een familielid om een taak over te nemen)
Quizvragen:
Kinderen die muzikaal zijn, hebben vaak ook muzikale ouders. Probeer de invloed van genen
en omgeving op muzikaliteit te verklaren met behulp van de drie soorten gen-
omgevingscorrelaties.
Passief: opgroeien met muzikale ouders gaat gepaard met veel blootstelling aan muziek,
zoals muziek die thuis wordt gespeeld, frequente concertbezoeken, ...
Evocatief: kinderen die enige muzikale interesse/talent tonen, worden daarin gesteund door
bijv. muzieklessen, het leren van een instrument
Actief: Kinderen die muziek leuk vinden zullen meer repeteren, besluiten naar meer
concerten te gaan, lezen er meer over…
Welke strategieën zou iemand met geheugenproblemen kunnen gebruiken volgens het SOC-
model (Baltes)?
Selectie: ik selecteer belangrijke doelen voor wat de dingen die ik nog moet onthouden en
maak prioriteiten (bijv. ik wil de namen en geboortedata van mijn familie onthouden, maar
niet meer die van vroegere collega's)
Optimalisatie: Ik train om belangrijke feiten te onthouden, bijv. ik neem elke dag alle
geboortedata van mijn kleinkinderen door
Compensatie: Ik schrijf informatie op die ik anders misschien zou vergeten, bijv. komende
verjaardagen in de komende 2 weken
Welk opvoedadvies zou Watson aan ouders geven?
Wees objectief, standvastig en niet sentimenteel
Hoorcollege 1 introductie
Intra-persoonlijke veranderingen -> veranderingen binnen personen.
Inter-persoonlijke verschillen -> verschil tussen personen.
Biologische leeftijd is nooit verantwoordelijk voor veranderingen, en verklaart veranderingen
daarom ook niet.
Cohorteffecten -> opgroeien in een pandemie, oorlog, gezondheidszorg etc.
Dia 26 -> niet waar
Dia 29
Goedkoper -> cross-sectioneel
Kan worden beïnvloed door test-hertest effecten -> longitudinaal, wanneer je dezelfde test
opnieuw doet heeft dit effect op hoe je scoort, als je een intelligentietest vaker doet word je
daar beter in.
Geeft informatie over individuele paden -> longitudinaal
Cohorteffecten kunnen een probleem vormen voor cross-sectionele designs. Omdat je
groepen met elkaar vergelijkt.
Tijd van meting effecten -> externe omstandigheden die invloed hebben op de scores.
Dia 36 -> gedragsobservatie
Dia 52 -> de rode lijn, een paardenbloem groeit onder elke omstandigheid. Plasticiteit.
Normative age-graded
Normative age-graded influences are those biological and environmental factors that have a
strong correlation with chronological age, such as puberty or menopause, or age-based
social practices such as beginning school or entering retirement.
Biologisch, of omgevingsfactoren, we komen allemaal in de puberteit, en het is raar als
iemand gaat trouwen als hij/zij 10 is.
Normative history graded
Normative history-graded influences are those influences within the life course that are
correlated with historical time and are experienced by the majority of a culture. For
example, wars and epidemics are considered history-graded events. Holocaust.
Invloeden die specifiek zijn voor een bepaalde cohort. Schoolplicht, voeding. Specifiek voor
de cohort.
Non-normative
,Non-normative influences are occurrences that do not affect all members of a given
population set in the same way, nor at the same time. Some people may not even
experience some of these non-normative influences.
Niet iedereen maakt het mee, bijvoorbeeld een auto-ongeluk op je vijfde.
Dia 55 -> normative history-graded
Quizvragen:
Het principe van multidirectionaliteit van Baltes:
Verschillende aspecten van menselijk functioneren veranderen volgens verschillende
veranderingstrajecten. Vloeibare intelligentie piekt bijvoorbeeld in de vroege volwassenheid
en neemt dan af, terwijl gekristalliseerde intelligentie stabiel blijft. Belangrijk is dat er
individuele verschillen zijn in deze trajecten (bijv. tempo van verandering, opkomst en
afname van kenmerken).
Wat is het derde-variabelen probleem?
Dat de associatie tussen twee variabelen wordt veroorzaakt door een derde variabele. Een
studie kan bijvoorbeeld een positieve correlatie vinden tussen het aantal boeken in een
schoolbibliotheek en de academische prestaties van studenten. Echter, de financiering en
middelen van de school kunnen zowel het aantal boeken verhogen (bijvoorbeeld omdat de
school meer geld heeft om boeken te kopen), en leiden tot betere prestaties (bijvoorbeeld
omdat scholen met betere middelen over het algemeen betere faciliteiten en meer
gekwalificeerde docenten hebben).
Welke van de volgende opties is geen nadeel van een cross-sectioneel onderzoek:
a. Groot risico voor test-hertest effecten
b. Geen informatie over individuele trajecten
c. Beperkte generaliseerbaarheid naar andere meetmomenten
d. Leeftijdseffecten zijn verstrengeld met cohorteffecten
In een onderzoek worden baby's herhaaldelijk blootgesteld aan een afbeelding van een
paard. Na een aantal trials verandert de experimentator de afbeelding in de afbeelding van
een vogel. Hoe wordt het fenomeen genoemd waarbij de reactie van de baby op het paard
afneemt na meerdere trials?
a. Habituatie
b. Oriëntatie
c. Remediatie
d. Dishabituatie
,Hoorcollege 2 theorieën ontwikkelingspsychologie
Als een kind niet in de kritieke periode bepaalde stimuli krijgt kan dit zich nooit meer
ontwikkelen -> bijvoorbeeld bij binoculaire visie
Evocatief -> iets oproepen
Passief genotype-omgevingsfit -> omgeving van kind wordt beïnvloed door ouders. Kind zelf
doet niks. Ouders hebben veel boeken thuis -> kind gaat eerder lezen.
Evocatief genotype-omgevingsfit -> door hoe kim is roept ze bepaalde gedragingen op, je
denkt bijvoorbeeld ik koop een trampoline want kim is erg actief.
Dia 18 -> evocatief, gedrag van de omgeving wordt beïnvloed door hoe het kind leek/eruit
ziet.
Dia 29 -> adolescentie -> identiteit en identiteitsontwikkeling
Dia 30 -> speelleeftijd. Nieuwsgierigheid.
Dia 31 -> babytijd
Dia 33 -> Geen chocola kopen -> anders bekrachtig je het foute gedrag!
Dia 35 -> nadoen, modelleren van het gedrag van de influencer.
Microsysteem -> alle directe invloeden, familie, vrienden.
Mesosysteem -> interacties tussen verschillende microsystemen. Vrienden zie je op school
bijvoorbeeld.
Exosysteem -> beïnvloeden het individu indirect. Moeder heeft het erg druk op werk en
moeder wordt boos op kind, kind heeft niks te maken met het werk.
Macrosysteem -> cultuur
Chronosysteem -> alle factoren, maar de tijdcomponent, transities over het leven heen.
Dia 39 ->
A -> macrosysteem
B -> mesosysteem, interactie tussen verschillende microsystemen
C -> chronosyteem, verandering is opgetreden.
Dia 47 -> taal draagt ook bij aan cognitieve ontwikkeling, niet alleen product.
Dia 48 -> geen/weinig, omdat het kind zelf actief zoekt naar mogelijkheden om te leren, the
little scientist. Kinderen dragen actief bij aan de ontwikkeling.
Dia 54 -> groepen mixen, kinderen die minder weten leren van de oudere kinderen.
Scaffolding -> ondersteuning die het kind krijgt hangt af van wat het kind al kan.
, Dia 58 -> Bella zal meer vragen krijgen waarom ze nog geen kinderen heeft.
Dia 64 ->
Selectie -> ik ga niet naar het feest, ik kan er niet heen.
Compensatie -> stok gebruiken
Optimalisatie -> naar de sportschool om spieren te trainen.
Het SOC gaat om het begrijpen van hoe ouderen omgaan met hun verminderde cognitieve
vaardigheden. Hier staan drie processen centraal:
Selectie -> focus op minder doelen/zet prioriteiten (bijv. bij verminderde cognitieve
vaardigheden, kan je je wel focussen op eten maken, maar misschien is het niet meer
belangrijk dat je elke dag schoonmaakt)
Optimalisatie -> train de vaardigheden die je (nog) hebt om ze scherp te houden (bijv. doe
elke dag een puzzel om cognitieve vaardigheden te trainen)
Compensatie -> ontwikkel andere manieren in gebieden waar er "losses" zijn (bijv. vraag aan
een familielid om een taak over te nemen)
Quizvragen:
Kinderen die muzikaal zijn, hebben vaak ook muzikale ouders. Probeer de invloed van genen
en omgeving op muzikaliteit te verklaren met behulp van de drie soorten gen-
omgevingscorrelaties.
Passief: opgroeien met muzikale ouders gaat gepaard met veel blootstelling aan muziek,
zoals muziek die thuis wordt gespeeld, frequente concertbezoeken, ...
Evocatief: kinderen die enige muzikale interesse/talent tonen, worden daarin gesteund door
bijv. muzieklessen, het leren van een instrument
Actief: Kinderen die muziek leuk vinden zullen meer repeteren, besluiten naar meer
concerten te gaan, lezen er meer over…
Welke strategieën zou iemand met geheugenproblemen kunnen gebruiken volgens het SOC-
model (Baltes)?
Selectie: ik selecteer belangrijke doelen voor wat de dingen die ik nog moet onthouden en
maak prioriteiten (bijv. ik wil de namen en geboortedata van mijn familie onthouden, maar
niet meer die van vroegere collega's)
Optimalisatie: Ik train om belangrijke feiten te onthouden, bijv. ik neem elke dag alle
geboortedata van mijn kleinkinderen door
Compensatie: Ik schrijf informatie op die ik anders misschien zou vergeten, bijv. komende
verjaardagen in de komende 2 weken
Welk opvoedadvies zou Watson aan ouders geven?
Wees objectief, standvastig en niet sentimenteel