De overheid is voor ons allemaal. Daarom is het collectief, ook wel collectieve sector of
publieke sector genoemd.
De particuliere sector zijn burgers en bedrijven.
Collectieve sector bestaat uit de overheid en zbo’s
De overheid is verdeeld in 2 onderdelen:
1. Rijksoverheid (landelijk niveau)
2. Lagere overheden (kleiner en of lokaal)
Bestaat uit: Provincies, gemeenten, waterschappen.
ZBO’S: Voeren overheidstaken uit: Sociale zekerheid, CBR, NVWA
Ga je naar de winkel om een product te kopen?
→ Dan gaat het om individuele goederen (prijs komt tot stand op de markt)
Je betaald hier ook zelf voor..
→ sommige goederen of diensten koop je niet zomaar zelf. Maar zijn wel belangrijk om te .
hebben in een land
Voorbeeld: DIJKEN, FIETSPADEN.
Hier betaal je zelf niet direct voor. Zo herken je dus dat het gaat om collectieve goederen.
Je zou ook niet weten hoe duur een dijk is.
Er zijn ook nog quasi-collectieve goederen deze worden ook door de overheid
geproduceerd → Maar je kan er wel voor moeten betalen, als je dat niet doet kan je ervan
uitgesloten worden. Voorbeeld: Bibliotheek, school, universiteit
Een effect is extern als de waarde van het voordeel of nadeel niet is opgenomen in de prijs
over goed. Voorbeeld: Omwonende Efteling heeft last van files. Dit is een nadeel. Maar de
lokale snackbar heeft meer auto’s die gelijk een frietje halen, dit is juist een voordeel. Dit zijn
dus: negatieve -/ positieve externe effecten.