Dikgedrukt = nieuwe paragraaf
Onderstreept = nieuw hoofdstuk/voorbeeld gesteente
Schuin = begrip
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Hoofdstuk 1: actieve aarde
1.1 ontstaan en opbouw van de aarde
Actualiteitsbeginsel = processen van nu op aarde werkten vroeger ook al zo.
Opbouw aarde:
- Aan aardoppervlak vloeibaar water
- Inwendige gelaagdheid; hierbij kijken we naar chemische samenstelling (= welke
materialen) en fysische eigenschappen (= hoe hard)
● Chemische samenstelling;
1. Kern: ijzer, metalen
2. Aardmantel; magnesium, ijzer
3. Aardkorst; continentale - (licht; graniet), oceanische korst (zwaar;
basalt)
● Fysische eigenschappen
1. Kern; buitenkern (=vloeibaar), binnenkern (=hard)
2. Aardmantel; harem door hoge druk → vaste gesteente
3. Aardkorst: lithosfeer (=harde buitenlaag; breekbaar),
asthenosfeer (=zachtere laag onder lithosfeer; plastisch →
geen aardbeving)
Endogene bron = inwendige warmtebron
Exogeen = zon
1.2 verhaal van de gesteenten
Gesteente = mengsel van mineralen en/of organische stoffen:
- Mineraal = verbinding die chemische eigenschappen heeft (=kristalvorming)
- Organsiche stoffen = onstaan uit levende organismen
Hoofdgroepen gesteenten:
- Stollingsgesteenten: door afkoeling en stolling magma:
● Dieptegesteente: vloeibare magma stolt onder aardkorst, door
voldoende tijd en ruimte is die mogelijkheid er → tijd voor vorming
grote kristallen, bijvoorbeeld graniet
● Uitvloeiingsgesteente: hete magma bij vulkaanuitbarsting over koude
vulkaanrug, zorgt voor stolling → geen tijd voor vorming grote
kristallen, bijvoorbeeld basalt
- Sedimentgesteente: door afzettingen van bijvoorbeeld zand of klei, samenpersing.
● Klastische sedimenten: zand en klei in zee, meren of rivieren →
sedimentatie tot dikke lagen, druk zorgt voor samenpersen tot hard
gesteente, bijvoorbeeld zandsteen, kleisteen of schalie
● Organische sedimenten: opeenhoping organisch materiaal → druk,
bijvoorbeeld kalksteen
, - Metamorfe gesteente: lange tijd onder invloed hoge druk en hoge
temperatuur → mineralen vallen uiteen en moleculen vormen nieuwe
kristallen, samenstelling verandert (=metamorf). Ook bij gebergtevorming of
binnendringen magma, bijvoorbeeld marmer of leisteen
Marmer is metamorf gesteente, ontstaan uit kalksteen. Gevonden in bergen italië, dus
vroeger daar zee geweest, want kalkafzetting ontstaan in zeewater. Gebergtevorming
zorgde voor vorming marmer. Gesteentelagen die bovenop marmer lagen zijn weg door
erosie.
Gesteenten kunne door omstandigheden verschillende soorten gesteenten worden, dus
veranderen van hoofdtypen = gesteentekringloop.
1.3 schuivende continenten
Sedimenten worden horizontaal afgezet, als de lagen geplooid zijn, zijn ze door druk
vervormd.
De onderliggende laag is ouder dan de bovenliggende → superpositie.
Sedimenten kunnen bij gebergtevorming omhoog worden gedrukt en door erosie afgesloten.
Geologische tijdschaal:
Zie bl 23 in boek!
Door radioactief verval kan men ouderdom van gesteenten bepalen.
Zuid-amerika en afrika hebben ooit aan elkaar vastgezeten, gezien
de plaatgrenzen en flora en fauna.
Pangea is het supercontinent die nu gescheiden is in de continenten
zoals we die nu kennen.
Paleomagnetisme gaat over het aardmagnetische veld in oude
gesteenten, dit wordt opgewekt door draaiing van de aarde.
Ten zuiden van ijsland ligt een bergrug in zee. Hier is magma die bij
een breuklijn omhoog komt en stolt, de bergrug vormt zich door jong
gesteente.
Mid-oceanische rug hier bewegen platen zich van de rug vandaan =
seafloor spreading.
Beweging van platen wordt in gang gezet door stijgende
convectiestromen. Op plekken breekt de lithosfeer door druk van de
hete magmabel. Magma komt daarna door breuken aan het
oppervlak en er ontstaat vulkanisme. Als de lithosfeer te hard is
verspreidt de hete magma zich onder de lithosfeer naar twee kanten,
de plaat wordt meegevoerd. Magma koelt af en zakt naar beneden,
dan warmt het weer op en herhaalt het zich = convectiestromen.
1.4 plaatgrenzen en aardbevingen
Aan randen van platen, breuklijnen, kunnen verschijnselen voorkomen. Gesteentelagen
kunnen onder druk komen, na een tijd breekt een laag of schuift op, dan is er een
aardbeving.
Plaats van beving is hypocentrum, trillingen gaan naar aardoppervlak. Direct boven
hypocentrum ligt epicentrum, hier is trilling het ergst.
Schaal van richter gaat over heftigheid in magnitude.
Schaal van mercalli over intensiteit en schade.
Onderstreept = nieuw hoofdstuk/voorbeeld gesteente
Schuin = begrip
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Hoofdstuk 1: actieve aarde
1.1 ontstaan en opbouw van de aarde
Actualiteitsbeginsel = processen van nu op aarde werkten vroeger ook al zo.
Opbouw aarde:
- Aan aardoppervlak vloeibaar water
- Inwendige gelaagdheid; hierbij kijken we naar chemische samenstelling (= welke
materialen) en fysische eigenschappen (= hoe hard)
● Chemische samenstelling;
1. Kern: ijzer, metalen
2. Aardmantel; magnesium, ijzer
3. Aardkorst; continentale - (licht; graniet), oceanische korst (zwaar;
basalt)
● Fysische eigenschappen
1. Kern; buitenkern (=vloeibaar), binnenkern (=hard)
2. Aardmantel; harem door hoge druk → vaste gesteente
3. Aardkorst: lithosfeer (=harde buitenlaag; breekbaar),
asthenosfeer (=zachtere laag onder lithosfeer; plastisch →
geen aardbeving)
Endogene bron = inwendige warmtebron
Exogeen = zon
1.2 verhaal van de gesteenten
Gesteente = mengsel van mineralen en/of organische stoffen:
- Mineraal = verbinding die chemische eigenschappen heeft (=kristalvorming)
- Organsiche stoffen = onstaan uit levende organismen
Hoofdgroepen gesteenten:
- Stollingsgesteenten: door afkoeling en stolling magma:
● Dieptegesteente: vloeibare magma stolt onder aardkorst, door
voldoende tijd en ruimte is die mogelijkheid er → tijd voor vorming
grote kristallen, bijvoorbeeld graniet
● Uitvloeiingsgesteente: hete magma bij vulkaanuitbarsting over koude
vulkaanrug, zorgt voor stolling → geen tijd voor vorming grote
kristallen, bijvoorbeeld basalt
- Sedimentgesteente: door afzettingen van bijvoorbeeld zand of klei, samenpersing.
● Klastische sedimenten: zand en klei in zee, meren of rivieren →
sedimentatie tot dikke lagen, druk zorgt voor samenpersen tot hard
gesteente, bijvoorbeeld zandsteen, kleisteen of schalie
● Organische sedimenten: opeenhoping organisch materiaal → druk,
bijvoorbeeld kalksteen
, - Metamorfe gesteente: lange tijd onder invloed hoge druk en hoge
temperatuur → mineralen vallen uiteen en moleculen vormen nieuwe
kristallen, samenstelling verandert (=metamorf). Ook bij gebergtevorming of
binnendringen magma, bijvoorbeeld marmer of leisteen
Marmer is metamorf gesteente, ontstaan uit kalksteen. Gevonden in bergen italië, dus
vroeger daar zee geweest, want kalkafzetting ontstaan in zeewater. Gebergtevorming
zorgde voor vorming marmer. Gesteentelagen die bovenop marmer lagen zijn weg door
erosie.
Gesteenten kunne door omstandigheden verschillende soorten gesteenten worden, dus
veranderen van hoofdtypen = gesteentekringloop.
1.3 schuivende continenten
Sedimenten worden horizontaal afgezet, als de lagen geplooid zijn, zijn ze door druk
vervormd.
De onderliggende laag is ouder dan de bovenliggende → superpositie.
Sedimenten kunnen bij gebergtevorming omhoog worden gedrukt en door erosie afgesloten.
Geologische tijdschaal:
Zie bl 23 in boek!
Door radioactief verval kan men ouderdom van gesteenten bepalen.
Zuid-amerika en afrika hebben ooit aan elkaar vastgezeten, gezien
de plaatgrenzen en flora en fauna.
Pangea is het supercontinent die nu gescheiden is in de continenten
zoals we die nu kennen.
Paleomagnetisme gaat over het aardmagnetische veld in oude
gesteenten, dit wordt opgewekt door draaiing van de aarde.
Ten zuiden van ijsland ligt een bergrug in zee. Hier is magma die bij
een breuklijn omhoog komt en stolt, de bergrug vormt zich door jong
gesteente.
Mid-oceanische rug hier bewegen platen zich van de rug vandaan =
seafloor spreading.
Beweging van platen wordt in gang gezet door stijgende
convectiestromen. Op plekken breekt de lithosfeer door druk van de
hete magmabel. Magma komt daarna door breuken aan het
oppervlak en er ontstaat vulkanisme. Als de lithosfeer te hard is
verspreidt de hete magma zich onder de lithosfeer naar twee kanten,
de plaat wordt meegevoerd. Magma koelt af en zakt naar beneden,
dan warmt het weer op en herhaalt het zich = convectiestromen.
1.4 plaatgrenzen en aardbevingen
Aan randen van platen, breuklijnen, kunnen verschijnselen voorkomen. Gesteentelagen
kunnen onder druk komen, na een tijd breekt een laag of schuift op, dan is er een
aardbeving.
Plaats van beving is hypocentrum, trillingen gaan naar aardoppervlak. Direct boven
hypocentrum ligt epicentrum, hier is trilling het ergst.
Schaal van richter gaat over heftigheid in magnitude.
Schaal van mercalli over intensiteit en schade.