ECOLOGIE
Thema 5 VWO 4
Thom Willeman
,Basisstof 1
Ecologie op alle organisatieniveaus
Ecologie: De wetenschap waarbij de wisselwerking tussen organismen en hun
omgeving wordt bestudeerd. Organismen worden beïnvloedt door hun omgeving, maar
organismen beïnvloeden diezelfde omgeving ook weer door hun bestaan en gedrag.
Van molecuul tot levensgemeenschap
De kleinste eenheid waar ecologen zich mee bezig houden zijn moleculen. Het gaat
hierbij om het DNA-molecuul. Organismen laten DNA-sporen na in hun omgeving, dit
soort DNA heet environmental DNA. Alle DNA-moleculen in een organisme vormen
samen het genoom, het onderzoeksgebied ecogenomica bepaald aan de hand van het
genoom welke soorten er in een gebied voorkomen. De volgende stappen in de reeks
van organisatieniveaus is de cel en vervolgens de weefsels, organen en organismen.
Het volgende organisatieniveau is de populatie, dat is de groep organismen van
dezelfde soort in een bepaald gebied die samen een voortplantingsgemeenschap
vormen. Daarna komt de levensgemeenschap, alle populaties in een gebied vormen
samen de levensgemeenschap.
Van ecosysteem tot biosfeer
De organismen van een levensgemeenschap
en de invloed die ze op hun omgeving
uitoefenen zijn biotische factoren. De
invloeden vanuit de levenloze omgeving zijn
abiotische factoren, dit is bijvoorbeeld de
temperatuur of het weer.
Een ecosysteem is een begrensd systeem
waarin wisselwerking plaatsvindt tussen
biotische en abiotische factoren, dit is een
systeem van een levensgemeenschap met zijn
levenloze omgeving. Alle ecosystemen samen Figuur 1 Biotische en abiotische factoren
vormen de biosfeer, dit is de laatste stap in de
organisatieniveaus. Emergente eigenschappen zijn eigenschappen die specifiek zijn
voor een bepaald niveau.
Figuur 2 Organisatieniveaus
1
, Basisstof 2
Organismen
Macroklimaat: De grote gebieden op aarde waarbinnen hetzelfde klimaat valt.
Microklimaat: Een ecosysteem heeft zijn eigen microklimaat.
Tolerantie
Elk organismen is op zijn eigen manier aangepast aan het milieu waarbinnen hij
voorkomt. Tolerantie is het vermogen van organismen om schommelingen in
abiotische factoren te verdragen. Soorten hebben een eigen verspreidingsgebied, dit
is het gebied waarop de soort op aarde voorkomt. Meestal kunnen dieren of planten
zich buiten het verspreidingsbied redden, maar niet altijd. In dat geval is van tenminste
1 abiotische factor de tolerantiegrens overschreden, dit is de uiterste waarde waarbij
organismen van een soort kunnen overleven. Deze abiotische factor werkt dan als
beperkende factor, dat is de factor die bepaalt hoeveel organismen in een gebied
kunnen overleven.
Het tolerantiegebied omvat alle waarden van de abiotische factor waarbij organismen
van een soort kunnen overleven. Het optimum is de gunstigste waarde voor het
organisme.
Figuur 3 Voorbeeld optimumkromme
2
Thema 5 VWO 4
Thom Willeman
,Basisstof 1
Ecologie op alle organisatieniveaus
Ecologie: De wetenschap waarbij de wisselwerking tussen organismen en hun
omgeving wordt bestudeerd. Organismen worden beïnvloedt door hun omgeving, maar
organismen beïnvloeden diezelfde omgeving ook weer door hun bestaan en gedrag.
Van molecuul tot levensgemeenschap
De kleinste eenheid waar ecologen zich mee bezig houden zijn moleculen. Het gaat
hierbij om het DNA-molecuul. Organismen laten DNA-sporen na in hun omgeving, dit
soort DNA heet environmental DNA. Alle DNA-moleculen in een organisme vormen
samen het genoom, het onderzoeksgebied ecogenomica bepaald aan de hand van het
genoom welke soorten er in een gebied voorkomen. De volgende stappen in de reeks
van organisatieniveaus is de cel en vervolgens de weefsels, organen en organismen.
Het volgende organisatieniveau is de populatie, dat is de groep organismen van
dezelfde soort in een bepaald gebied die samen een voortplantingsgemeenschap
vormen. Daarna komt de levensgemeenschap, alle populaties in een gebied vormen
samen de levensgemeenschap.
Van ecosysteem tot biosfeer
De organismen van een levensgemeenschap
en de invloed die ze op hun omgeving
uitoefenen zijn biotische factoren. De
invloeden vanuit de levenloze omgeving zijn
abiotische factoren, dit is bijvoorbeeld de
temperatuur of het weer.
Een ecosysteem is een begrensd systeem
waarin wisselwerking plaatsvindt tussen
biotische en abiotische factoren, dit is een
systeem van een levensgemeenschap met zijn
levenloze omgeving. Alle ecosystemen samen Figuur 1 Biotische en abiotische factoren
vormen de biosfeer, dit is de laatste stap in de
organisatieniveaus. Emergente eigenschappen zijn eigenschappen die specifiek zijn
voor een bepaald niveau.
Figuur 2 Organisatieniveaus
1
, Basisstof 2
Organismen
Macroklimaat: De grote gebieden op aarde waarbinnen hetzelfde klimaat valt.
Microklimaat: Een ecosysteem heeft zijn eigen microklimaat.
Tolerantie
Elk organismen is op zijn eigen manier aangepast aan het milieu waarbinnen hij
voorkomt. Tolerantie is het vermogen van organismen om schommelingen in
abiotische factoren te verdragen. Soorten hebben een eigen verspreidingsgebied, dit
is het gebied waarop de soort op aarde voorkomt. Meestal kunnen dieren of planten
zich buiten het verspreidingsbied redden, maar niet altijd. In dat geval is van tenminste
1 abiotische factor de tolerantiegrens overschreden, dit is de uiterste waarde waarbij
organismen van een soort kunnen overleven. Deze abiotische factor werkt dan als
beperkende factor, dat is de factor die bepaalt hoeveel organismen in een gebied
kunnen overleven.
Het tolerantiegebied omvat alle waarden van de abiotische factor waarbij organismen
van een soort kunnen overleven. Het optimum is de gunstigste waarde voor het
organisme.
Figuur 3 Voorbeeld optimumkromme
2