GENETICA
Thema 3 VWO 4
Thom Willeman
,Basisstof 1
Fenotype en genotype
Fenotype en genotype
Elk organisme lijkt min of meer op zijn ouders. Alle waarneembare eigenschappen
noem je het fenotype. De informatie voor erfelijke eigenschappen ligt op de
chromosomen. Erfelijke eigenschappen worden doorgegeven van de ouders aan de
nakomeling door de chromosomen van de eicel en de zaadcel. De informatie voor alle
erfelijke eigenschappen van een individu noem je het genotype.
Karotype: Rangschikking van de chromosomen in een cel.
Autosomen: Chromosomenparen, er kunnen 22 gelijke paren worden gevormd.
Homologe chromosomen: Twee chromosomen van een paar, ze zijn gelijk in lengte en
vorm.
Genen
Een gen is een deel van een chromosoom dat informatie bevat voor één of meer
erfelijke eigenschappen of een deel daarvan. Nucleotiden zijn de bouwstenen van DNA
en er zijn vier verschillende nucleotiden: A, T, C en G. A en T gaan altijd samen en C en G
ook. Ze vormen vaste paren en dit heet basenparing. Alle DNA-moleculen in een cel
noem je het genoom van een organisme. De stikstofbasen in een gen zijn in een
specifieke volgorde gerangschikt, dit noem je DNA-sequentie. In deze volgorde kunnen
variaties voorkomen, zo’n variatie heet een allel. Als genen worden aangezet en ze
komen tot uiting, noem je dat genexpressie. Staan genen uit, dan is er sprake van
inactivatie.
Figuur 1 Bouw van een chromosoom
1
, Basisstof 2
Genenparen
Homozygoot en heterozygoot
In lichaamscellen komen chromosomen voor in paren. De plaats van een gen in een
chromosoom noem je een locus. Voor een gen kan je verschillende allelen hebben. Als
je homozygoot bent, heb je twee dezelfde allelen. Als je heterozygoot bent, heb je
twee verschillende allelen.
Bij personen die heterozygoot zijn voor een eigenschap komt slecht één van beide
allelen tot uiting. Het allel dat tot uiting komt is het dominante allel. Het andere allel
noem je het recessieve allel en deze komt alleen tot uiting als er geen dominant allel
aanwezig is. Een allel kan ook onvolledig dominant zijn. In dit geval komt het
recessieve allel toch een beetje tot uiting. Als bij een heterozygoot organisme beide
allelen even veel tot uiting komen, noem je het fenotype intermediar, het fenotype is
een mengvorm van beide allelen. Allelen kunnen ook codominant overerven. Bij
codominantie komen beide allelen volledig tot uiting in het fenotype. Dit kan
bijvoorbeeld resulteren in een bloem met rode en witte kleuren.
Recombinatie: Het verdelen van erfelijke eigenschappen. De recombinatie hebben
nakomelingen een andere combinatie van allelen dan beide ouders. Door recombinatie
ontstaan een grote verscheidenheid aan genotypen binnen een soort, dan spreek je van
genetische variatie.
Figuur 2 Allelen
2
Thema 3 VWO 4
Thom Willeman
,Basisstof 1
Fenotype en genotype
Fenotype en genotype
Elk organisme lijkt min of meer op zijn ouders. Alle waarneembare eigenschappen
noem je het fenotype. De informatie voor erfelijke eigenschappen ligt op de
chromosomen. Erfelijke eigenschappen worden doorgegeven van de ouders aan de
nakomeling door de chromosomen van de eicel en de zaadcel. De informatie voor alle
erfelijke eigenschappen van een individu noem je het genotype.
Karotype: Rangschikking van de chromosomen in een cel.
Autosomen: Chromosomenparen, er kunnen 22 gelijke paren worden gevormd.
Homologe chromosomen: Twee chromosomen van een paar, ze zijn gelijk in lengte en
vorm.
Genen
Een gen is een deel van een chromosoom dat informatie bevat voor één of meer
erfelijke eigenschappen of een deel daarvan. Nucleotiden zijn de bouwstenen van DNA
en er zijn vier verschillende nucleotiden: A, T, C en G. A en T gaan altijd samen en C en G
ook. Ze vormen vaste paren en dit heet basenparing. Alle DNA-moleculen in een cel
noem je het genoom van een organisme. De stikstofbasen in een gen zijn in een
specifieke volgorde gerangschikt, dit noem je DNA-sequentie. In deze volgorde kunnen
variaties voorkomen, zo’n variatie heet een allel. Als genen worden aangezet en ze
komen tot uiting, noem je dat genexpressie. Staan genen uit, dan is er sprake van
inactivatie.
Figuur 1 Bouw van een chromosoom
1
, Basisstof 2
Genenparen
Homozygoot en heterozygoot
In lichaamscellen komen chromosomen voor in paren. De plaats van een gen in een
chromosoom noem je een locus. Voor een gen kan je verschillende allelen hebben. Als
je homozygoot bent, heb je twee dezelfde allelen. Als je heterozygoot bent, heb je
twee verschillende allelen.
Bij personen die heterozygoot zijn voor een eigenschap komt slecht één van beide
allelen tot uiting. Het allel dat tot uiting komt is het dominante allel. Het andere allel
noem je het recessieve allel en deze komt alleen tot uiting als er geen dominant allel
aanwezig is. Een allel kan ook onvolledig dominant zijn. In dit geval komt het
recessieve allel toch een beetje tot uiting. Als bij een heterozygoot organisme beide
allelen even veel tot uiting komen, noem je het fenotype intermediar, het fenotype is
een mengvorm van beide allelen. Allelen kunnen ook codominant overerven. Bij
codominantie komen beide allelen volledig tot uiting in het fenotype. Dit kan
bijvoorbeeld resulteren in een bloem met rode en witte kleuren.
Recombinatie: Het verdelen van erfelijke eigenschappen. De recombinatie hebben
nakomelingen een andere combinatie van allelen dan beide ouders. Door recombinatie
ontstaan een grote verscheidenheid aan genotypen binnen een soort, dan spreek je van
genetische variatie.
Figuur 2 Allelen
2