Radiologie volledige
samenvatting
Hoofdstuk 1: röntgenologie
Röntgenstraling
Ontdekker röntgenstraling: Wilhelm Conrad
X-straling/x-rays = een tweedimensionaal beeld, het zijn elektromagnetische
straling of golven.
In de röntgendiagnostiek worden golven die zich voortplanten met een
golflengte van circa 0,5 tot 0,001 nm gebruikt.
Golflengte = de afstand tussen twee punten waarin de golf zich voortbeweegt.
Golflengte licht= 760 nm -400 nm.
Doordat de x-rays met dezelfde snelheid als licht bewegen, kunnen de
golven/straling op dezelfde plek terecht komen als de lichtstralen zelf: dus de
straling kan doordringen in verschillende stoffen (=door dringbaar vermogen)
Quanten/fotonen = energiepakketjes die uitgestraald worden door de
elektronenbuis; de elektromagnetische straling.
Hoe het werkt: Ze hebben het vermogen om bij botsing met atomen op een
metalen plaats, straling vrij te laten komen in de vorm van het schieten van
Radiologie volledige samenvatting 1
, elektronen. Deze elektrische lading is de gamma-straling of röntgenstraling,
afhankelijk van met welke energie ze vrijkomen. (=ioniserende straling)
Soort golven Golflengte
Radiogolven 1 m-10 km
Licht 750 nm-400nm
Ultraviolet licht 400 nm-14nm
Röntgenstraling 0,5 nm-0,0001 nm
Gammastraling <0,1 nm
De quanten of fotonen botsen tegen de atomen en veroorzaken tijdens de
botsing het loskomen van elektronen. Door de botsing worden atomen
elektrisch geladen en ontstaat de ioniserende straling, de zgn., gamma- en
röntgenstraling.
Het opwekken van röntgenstraling
De twee onderdelen in een röntgenbuis:
1. Aan de ene kant: de kathode
-Een wolfram, een soort spiraaldraad.
Als stroom door deze spiraaldraad geleid wordt, gloeit de draad en zendt deze
draad elektronen en licht uit.
-Zendt elektronen door de buis richting de anode
-Elektronen zijn negatief geladen
2. Aan de andere kant: een anode
-Zijn positief geladen
-Bestaat uit een wolfram
Elektronen zijn nodig om röntgenstraling op te wekken. Een spanningsverschil
veroorzaakt tussen de anode en de kathode kan zo ontstaan. De elektronen
gaan met een hoge snelheid richting anode en botsen tegen het wolfram.
Hierbij ontstaat 1% röntgenstraling, en 99% warmte. Door het gebruik van een
draaiende anode wordt er telkens een ander stuk wolframdraad geraakt,
waardoor de hoeveelheid warmte wordt beperkt.
Eigenschappen
Radiologie volledige samenvatting 2
, Luminisceren = het uitzenden van licht
Drie eigenschappen waar de röntgendiagnostiek gebruikt van maakt:
1. Het doordringend vermogen
2. De werking op een fotografische plaats
3. Het vermogen van ioniserende straling om te luminisceren
Röntgenstraling hebben zowel positieve als negatieve eigenschappen.
Het doordringend vermogen
Straling kan door objecten heen stralen, door het object geabsorbeerd worden
of een deel kan van richting veranderen waardoor de straling verstrooid raakt.
Afhankelijk van de eigenschappen van de materie, kunnen de stralen worden
doorgelaten:
De dikte van het object of weefsel: hoe dunner, hoe minder
straling/absorptie van straling
Het atoomnummer van de materie waaruit het object of weefsel bestaat:
hoe hoger het atoomnummer, hoe meer absorptie
De dichtheid van de materie: hoge dichtheid → meer absorptie
Hoe zwaarder de materie → minder doorlaatbaar
Het deel dat doorgelaten wordt, komt terecht op een lichtgevoelige plaat. Het
deel dat niet doorgelaten wordt, en dus geabsorbeerd wordt, komt niet of
minder terecht op de plaat. Er ontstaat een afbeelding.
Meer absorptie → beter zichtbaar op de afbeelding
Bot heeft een hoge atoomgetal → meer absorptie. Longen hebben een gelijk
atoomnummer, maar een lage dichtheid dan botweefsel → meer straling
doorlaten
De energie-inhoud van de straling is ook van belang: meer energie - straling →
kortere golflengte → meer absorptie
Zachte straling = Lage energetische waarde van straling
Strooistraling = straling die na doorlating, door botsing met andere materie van
richting verandert.
Tegen strooistraling moet je je beschermen.
Divergerende stralenbundel
Radiologie volledige samenvatting 3
, De röntgenstralen verlaten de röntgenbuis via het venster als een divergerende,
een uiteenlopende, stralenbundel die niet afgebogen wordt. De stralenbundel
die de tafel raakt, is wijder dan de bundel die het venster verlaat.
Schadelijke effecten:
-Groeibelemmering van weefsel
-Verwoesting van epitheel
-Opwekking van ontstekingen
-Beschadiging genen
Vooral de weefsels met veel celdeling worden getroffen, hierdoor verschilt de
gevoeligheid van straling van weefsel tot weefsel en dier tot dier.
Conventionele radiologie
Röntgenapparatuur
De röntgenbuis
Een kathode
-Een wolfram, een soort spiraaldraad
De spiraaldraad is negatief geladen en wordt gevoed door een lage
stroomspanning. Als er stroom geleidt wordt, gloeit de draad en zendt het
elektronen en licht uit. Zo zendt het elektronen door de buis.
Anode
-Positief geladen
-Trekt de negatieve elektronen van de kathode aan
-Vaste of draaiende anode
-Draaiende: botsing van elektronen elke keer op een ander deel van de
wolframspiraal → minder snel warm worden → hogere capaciteit dan een vaste
anode
Elektronen
Radiologie volledige samenvatting 4
samenvatting
Hoofdstuk 1: röntgenologie
Röntgenstraling
Ontdekker röntgenstraling: Wilhelm Conrad
X-straling/x-rays = een tweedimensionaal beeld, het zijn elektromagnetische
straling of golven.
In de röntgendiagnostiek worden golven die zich voortplanten met een
golflengte van circa 0,5 tot 0,001 nm gebruikt.
Golflengte = de afstand tussen twee punten waarin de golf zich voortbeweegt.
Golflengte licht= 760 nm -400 nm.
Doordat de x-rays met dezelfde snelheid als licht bewegen, kunnen de
golven/straling op dezelfde plek terecht komen als de lichtstralen zelf: dus de
straling kan doordringen in verschillende stoffen (=door dringbaar vermogen)
Quanten/fotonen = energiepakketjes die uitgestraald worden door de
elektronenbuis; de elektromagnetische straling.
Hoe het werkt: Ze hebben het vermogen om bij botsing met atomen op een
metalen plaats, straling vrij te laten komen in de vorm van het schieten van
Radiologie volledige samenvatting 1
, elektronen. Deze elektrische lading is de gamma-straling of röntgenstraling,
afhankelijk van met welke energie ze vrijkomen. (=ioniserende straling)
Soort golven Golflengte
Radiogolven 1 m-10 km
Licht 750 nm-400nm
Ultraviolet licht 400 nm-14nm
Röntgenstraling 0,5 nm-0,0001 nm
Gammastraling <0,1 nm
De quanten of fotonen botsen tegen de atomen en veroorzaken tijdens de
botsing het loskomen van elektronen. Door de botsing worden atomen
elektrisch geladen en ontstaat de ioniserende straling, de zgn., gamma- en
röntgenstraling.
Het opwekken van röntgenstraling
De twee onderdelen in een röntgenbuis:
1. Aan de ene kant: de kathode
-Een wolfram, een soort spiraaldraad.
Als stroom door deze spiraaldraad geleid wordt, gloeit de draad en zendt deze
draad elektronen en licht uit.
-Zendt elektronen door de buis richting de anode
-Elektronen zijn negatief geladen
2. Aan de andere kant: een anode
-Zijn positief geladen
-Bestaat uit een wolfram
Elektronen zijn nodig om röntgenstraling op te wekken. Een spanningsverschil
veroorzaakt tussen de anode en de kathode kan zo ontstaan. De elektronen
gaan met een hoge snelheid richting anode en botsen tegen het wolfram.
Hierbij ontstaat 1% röntgenstraling, en 99% warmte. Door het gebruik van een
draaiende anode wordt er telkens een ander stuk wolframdraad geraakt,
waardoor de hoeveelheid warmte wordt beperkt.
Eigenschappen
Radiologie volledige samenvatting 2
, Luminisceren = het uitzenden van licht
Drie eigenschappen waar de röntgendiagnostiek gebruikt van maakt:
1. Het doordringend vermogen
2. De werking op een fotografische plaats
3. Het vermogen van ioniserende straling om te luminisceren
Röntgenstraling hebben zowel positieve als negatieve eigenschappen.
Het doordringend vermogen
Straling kan door objecten heen stralen, door het object geabsorbeerd worden
of een deel kan van richting veranderen waardoor de straling verstrooid raakt.
Afhankelijk van de eigenschappen van de materie, kunnen de stralen worden
doorgelaten:
De dikte van het object of weefsel: hoe dunner, hoe minder
straling/absorptie van straling
Het atoomnummer van de materie waaruit het object of weefsel bestaat:
hoe hoger het atoomnummer, hoe meer absorptie
De dichtheid van de materie: hoge dichtheid → meer absorptie
Hoe zwaarder de materie → minder doorlaatbaar
Het deel dat doorgelaten wordt, komt terecht op een lichtgevoelige plaat. Het
deel dat niet doorgelaten wordt, en dus geabsorbeerd wordt, komt niet of
minder terecht op de plaat. Er ontstaat een afbeelding.
Meer absorptie → beter zichtbaar op de afbeelding
Bot heeft een hoge atoomgetal → meer absorptie. Longen hebben een gelijk
atoomnummer, maar een lage dichtheid dan botweefsel → meer straling
doorlaten
De energie-inhoud van de straling is ook van belang: meer energie - straling →
kortere golflengte → meer absorptie
Zachte straling = Lage energetische waarde van straling
Strooistraling = straling die na doorlating, door botsing met andere materie van
richting verandert.
Tegen strooistraling moet je je beschermen.
Divergerende stralenbundel
Radiologie volledige samenvatting 3
, De röntgenstralen verlaten de röntgenbuis via het venster als een divergerende,
een uiteenlopende, stralenbundel die niet afgebogen wordt. De stralenbundel
die de tafel raakt, is wijder dan de bundel die het venster verlaat.
Schadelijke effecten:
-Groeibelemmering van weefsel
-Verwoesting van epitheel
-Opwekking van ontstekingen
-Beschadiging genen
Vooral de weefsels met veel celdeling worden getroffen, hierdoor verschilt de
gevoeligheid van straling van weefsel tot weefsel en dier tot dier.
Conventionele radiologie
Röntgenapparatuur
De röntgenbuis
Een kathode
-Een wolfram, een soort spiraaldraad
De spiraaldraad is negatief geladen en wordt gevoed door een lage
stroomspanning. Als er stroom geleidt wordt, gloeit de draad en zendt het
elektronen en licht uit. Zo zendt het elektronen door de buis.
Anode
-Positief geladen
-Trekt de negatieve elektronen van de kathode aan
-Vaste of draaiende anode
-Draaiende: botsing van elektronen elke keer op een ander deel van de
wolframspiraal → minder snel warm worden → hogere capaciteit dan een vaste
anode
Elektronen
Radiologie volledige samenvatting 4