Verbintenissenrecht
Tentamen
Week 1
Na deze week kun je:
- het spanningsveld uiteenzetten tussen contractsvrijheid enerzijds, en de precontractuele
aansprakelijkheid bij afgebroken onderhandelingen anderzijds.
Het spanningsveld tussen contractsvrijheid en precontractuele aansprakelijkheid bij afgebroken
onderhandelingen ontstaat door de botsing van twee belangrijke principes in het contractenrecht:
enerzijds het recht van partijen om vrij te onderhandelen en te beslissen met wie zij een contract
sluiten, en anderzijds de zorgvuldigheidsplicht die partijen hebben tijdens de onderhandelingen. Het
spanningsveld tussen deze twee beginselen komt voort uit het feit dat contractsvrijheid in beginsel
betekent dat onderhandelingen zonder verdere verplichtingen kunnen worden afgebroken, terwijl
precontractuele aansprakelijkheid soms juist inhoudt dat een partij verplicht kan worden om
compensatie te bieden voor het abrupt afbreken van de onderhandelingen.
- beoordelen waarom en wanneer in de precontractuele fase over een weer verplichtingen kunnen
ontstaan en wat de contractrechtelijke gevolgen zijn van schending daarvan.
De verhouding tussen de partijen bij een tot stand gekomen overeenkomst wordt bepaald door de
inhoud van het overeengekomen, aangevuld door wet, gewoonte en redelijkheid en billijkheid. Uit
het arrest Baris/Riezenkamp volgt dat partijen door in onderhandeling te treden over het sluiten van
een overeenkomst tot elkaar komen te staan in een bijzondere door de goede trouw beheerste
rechtsverhouding, medebrengende dat zij hun gedrag mede moeten laten bepalen door de
gerechtvaardigde belangen van de wederpartij. De eisen van redelijkheid en billijkheid staan centraal.
Precontractuele verplichtingen kunnen ontstaan tijdens de onderhandelingsfase op basis van de
redelijkheid en billijkheid, het vertrouwensbeginsel en de mededelingsplicht. De precontractuele fase
begint met een uitnodiging tot onderhandeling en eindigt pas door het sluiten van een overeenkomst
danwel het afbreken van de onderhandeling. Voor bescherming onder gerechtvaardigd vertrouwen is
vereist een verklaring of gedraging van de persoon aan wie de wederpartij het vertrouwen
tegenwerpt, die door de wederpartij is opgevat als een tot haar gerichte verklaring van een bepaalde
strekking en die de wederpartij onder de omstandigheden redelijkerwijs zo mocht opvatten krachtens
artikel 3:35. De wederpartij moet dus ter goeder trouw zijn krachtens artikel 3:11. Vereist is dat zij het
wilsdefect niet kende en niet behoorde te kennen. Goede trouw veronderstelt dat men naar de ware
bedoeling van de ander onderzoek doet, indien en voor zover daarvoor in de gegeven
omstandigheden aanleiding bestaat. De plaats van de handeling, de vaardigheden die van de
verklarende verwacht mogen worden en eventueel nadeel voor de handelende kunnen hiervoor een
indicatie zijn. Met betrekking tot hetgeen waar tijdens de onderhandelingen al overeenkomst
bestaat, kan een rompovereenkomst bestaan. De punten waarover de partijen het eens zijn moeten
dan de essentialia van de overeenkomst omvatten en partijen moeten elkaar redelijkerwijs zo mogen
begrijpen dat aan het bereikte resultaat gebondenheid mag worden begrepen. Breekt een van de
partijen de onderhandeling af na totstandkoming van een rompovereenkomst, dan mag de
wederpartij op grond van de redelijkheid en billijkheid in rechte alsnog nakoming vorderen. De Hoge
,Raad onderscheid in het Plas/Valburg arrest drie stadia van onderhandelingen op het moment van
afbreken. (1) een eerste stadium waarin het afbreken van de onderhandelingen zonder meer
geoorloofd is. (2) een tweede stadium waarin men weliswaar de onderhandelingen mag afbreken,
maar niet zonder dat men bepaalde door de wederpartij gemaakte kosten voor zijn rekening neemt.
(3) een derde stadium waarin het afbreken in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. In dit stadium
kan de wederpartij in rechte voortzetting van de onderhandelingen vorderen. Dit zou het geval zijn
wanneer de wederpartij mocht vertrouwen dat enigerlei contract in ieder geval uit de
onderhandelingen zou resulteren. Deze leer wordt genuanceerd en verstoten in het CBB/JPO arrest.
- beoordelen waarom en wanneer sprake is van bevoegde dan wel onbevoegde vertegenwoordiging
en wat daarvan de contractrechtelijke gevolgen zijn.
Wanneer iemand als vertegenwoordiger voor een ander handelt, roept deze voor een ander het
rechtsgevolg in het leven. Artikel 3:60 jo. 3:78 jo. 3:79 BW legt de wijze van vertegenwoordiging vast.
De vertegenwoordiger moet bevoegd zijn en moet handelen in naam van de principaal.
Vertegenwoordiging is het verrichten van rechtshandelingen in naam van een ander door iemand die
daartoe rechtens de bevoegdheid heeft met het gevolg dat de rechtsgevolgen niet voor de
handelende maar voor de ander intreden. Volmacht is de bevoegdheid die een volmachtgever
verleent aan een ander, de volgemachtigde, om in zijn naam rechtshandelingen te verrichten. Het
leidt ertoe dat de rechtshandelingen in haar gevolgen de volmachtgever treft en dat de
gevolmachtigde er tussenuit valt. Volmachtverlening is een rechtshandeling. Artikel 3:61 jo. 3:40 jo.
3:44 spelen hierbij een rol. De volmachtverlening krijgt pas betekenis wanneer de gevolmachtigde
gaat handelen. Door handelen wordt de volmacht aanvaard. In beginsel is er daarmee sprake van een
eenzijdige rechtshandeling, totdat de volmacht tot uitvoer komt. Regels omtrent de persoon van de
gevolmachtigde staan beschreven in artikel 3:63 tot en met 3:65 BW. Volmachtverlening is een
vormvrije rechtshandeling tenzij de wet anders bepaald. Zij kan schriftelijk of mondeling, uitdrukkelijk
of stilzwijgend geschieden. De reikwijdte van de volmacht wordt in belangrijke mate bepaald door het
vertrouwen dat door de aanstelling bij de wederpartij wordt gewekt. Iemand die onbevoegd als
gevolmachtigde in naam van een ander handelt, brengt geen rechtsgevolg voor die ander teweeg. De
rechtshandeling is dan krachtens artikel 3:68 jo. 3:69 BW ongeldig. Artikel 3:66 stelt dat wanneer
degene aan wie de volmacht verleend is in naam van de volmachtgever en binnen de grenzen van zijn
bevoegdheid handelt, de volmachtgever gebonden wordt aan de rechtshandeling in kwestie.
Bij bevoegde vertegenwoordiging is de vertegenwoordigde gebonden aan de rechtshandelingen die
de vertegenwoordiger verricht, en komen de gevolgen voor rekening van de vertegenwoordigde. Bij
onbevoegde vertegenwoordiging is de vertegenwoordigde in beginsel niet gebonden aan de
rechtshandeling, tenzij hij deze achteraf bekrachtigt. Zo niet, dan kan de vertegenwoordiger
aansprakelijk zijn voor de schade die hierdoor ontstaat. Artikel 3:70 stelt dat degene die als
gevolmachtigde handelt, in beginsel jegens de wederpartij instaat voor het bestaan en de omvang
van de volmacht. De wederpartij die op de verklaring vertrouwt, geniet via deze weg zekere
bescherming. Uit instaan vloeit een verplichting tot schadevergoeding voort indien noodzakelijk. De
wederpartij moet dan worden gebracht in de toestand die er zou zijn geweest als de
pseudogevolmachtigde wel bevoegd zou zijn geweest. De te vergoeden schade omvat hier dus ook
het voordeel dat de niet tot stand gebrachte overeenkomst voor hem zou hebben meegebracht.
, Week 2
Na deze week kun je:
- uiteenzetten hoe het contractenrecht partijen faciliteert hun rechtsverhouding nader vorm te geven,
in het algemeen en in het bijzonder door middel van algemene voorwaarden en garanties of
exoneratiebedingen en deze onderwerpen plaatsen in maatschappelijke context.
Algemene voorwaarden zijn in de wet geregeld. In de eerste plaats strekt zij ertoe de rechterlijke
controle op de inhoud van de algemene voorwaarden te versterken, ter bescherming van de
personen jegens wie de voorwaarden worden gebruikt. Tegelijk beoogt de regelgeving een zo groot
mogelijke mate van rechtszekerheid te bieden. In de derde plaats bevat het regels die overleg tussen
belanghebbenden over de inhoud van algemene voorwaarden stimuleren. De wettelijke bepalingen
uit afdeling 6.5.3 zijn toepasselijk ten aanzien van alle obligatoire overeenkomsten, met uitzondering
van arbeidsovereenkomsten en collectieve arbeidsovereenkomsten. Artikel 6:231 tot en met 6:244
behelzen dwingend recht. De wet omschrijft algemene voorwaarden als een of meer bedingen die
zijn opgesteld teneinde in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen, met uitzonderingen
van de bedingen die de kern van de prestaties aangeven, voor zover deze laatstgenoemde bedingen
duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd. Indien bedingen buiten deze omschrijving vallen, zijn enkel
de algemene leerstukken betreffende overeenkomsten van toepassing. Onder de kern van de
prestaties zijn de essentiële punten van de overeenkomst te verstaan. Als vuistregel kan gelden dat
die afspraken als kernbeding zijn te beschouwen, zonder welke de overeenkomst bij gebreke aan
voldoende bepaalbaarheid niet geldig tot stand zou kunnen komen. De uitzondering voor
kernbedingen bevat in wezen een opdracht aan de rechter om vast te kunnen houden aan de
algemene regel dat hij het lichaam van het contract niet op zijn evenwichtigheid zal toetsen, ook niet
als dit via een gestandaardiseerde clausule tot stand is gebracht. Gebruiker is degene die algemene
voorwaarden in een overeenkomst gebruikt, wederpartij is degene die door de ondertekening van
een geschrift of op andere wijze de gelding van algemene voorwaarden heeft aanvaard en daardoor
verbind deze na te respecteren. Algemene voorwaarden kunnen alleen tot inhoud van de
overeenkomst worden doordat de ene partij ze aan de ander aanbiedt en de andere partij de gelding
van deze algemene voorwaarden aanvaardt. Aanbod en aanvaarding spelen hier, net als wil,
verklaring en vertrouwen, een grote rol. De eis van een aanbod betekent dat de gebruiker ter
gelegenheid van de contractssluiting zijn wederpartij op enigerlei wijze moet aangeven dat hij de
algemene voorwaarden in de te sluiten overeenkomst opgenomen wenst te zien. Van aanvaarding zal
vervolgens sprake zijn indien de wederpartij daartoe haar wil tot uitdrukking brengt, dan wel een
gedraging verricht waaruit de gebruiker in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs een
aanvaardingswil mag afleiden krachtens artikel 3:33 jo. 3:35. Artikel 6:232 stelt dat een wederpartij
ook dan aan de algemene voorwaarden gebonden is, als bij het sluiten van de overeenkomst de
gebruiker begreep of moest begrijpen dat zij de inhoud ervan niet kende. Uitleg van contractuele
overeenkomsten komt aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen
mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
Artikel 6:233 verklaart een beding in algemene voorwaarden in twee gevallen vernietigbaar.
Indien het beding gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de
voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijdse kenbare belangen van partijen en de overige
omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is voor de wederpartij, danwel indien de
gebruiker aan de wederpartij niet een redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de algemene
Tentamen
Week 1
Na deze week kun je:
- het spanningsveld uiteenzetten tussen contractsvrijheid enerzijds, en de precontractuele
aansprakelijkheid bij afgebroken onderhandelingen anderzijds.
Het spanningsveld tussen contractsvrijheid en precontractuele aansprakelijkheid bij afgebroken
onderhandelingen ontstaat door de botsing van twee belangrijke principes in het contractenrecht:
enerzijds het recht van partijen om vrij te onderhandelen en te beslissen met wie zij een contract
sluiten, en anderzijds de zorgvuldigheidsplicht die partijen hebben tijdens de onderhandelingen. Het
spanningsveld tussen deze twee beginselen komt voort uit het feit dat contractsvrijheid in beginsel
betekent dat onderhandelingen zonder verdere verplichtingen kunnen worden afgebroken, terwijl
precontractuele aansprakelijkheid soms juist inhoudt dat een partij verplicht kan worden om
compensatie te bieden voor het abrupt afbreken van de onderhandelingen.
- beoordelen waarom en wanneer in de precontractuele fase over een weer verplichtingen kunnen
ontstaan en wat de contractrechtelijke gevolgen zijn van schending daarvan.
De verhouding tussen de partijen bij een tot stand gekomen overeenkomst wordt bepaald door de
inhoud van het overeengekomen, aangevuld door wet, gewoonte en redelijkheid en billijkheid. Uit
het arrest Baris/Riezenkamp volgt dat partijen door in onderhandeling te treden over het sluiten van
een overeenkomst tot elkaar komen te staan in een bijzondere door de goede trouw beheerste
rechtsverhouding, medebrengende dat zij hun gedrag mede moeten laten bepalen door de
gerechtvaardigde belangen van de wederpartij. De eisen van redelijkheid en billijkheid staan centraal.
Precontractuele verplichtingen kunnen ontstaan tijdens de onderhandelingsfase op basis van de
redelijkheid en billijkheid, het vertrouwensbeginsel en de mededelingsplicht. De precontractuele fase
begint met een uitnodiging tot onderhandeling en eindigt pas door het sluiten van een overeenkomst
danwel het afbreken van de onderhandeling. Voor bescherming onder gerechtvaardigd vertrouwen is
vereist een verklaring of gedraging van de persoon aan wie de wederpartij het vertrouwen
tegenwerpt, die door de wederpartij is opgevat als een tot haar gerichte verklaring van een bepaalde
strekking en die de wederpartij onder de omstandigheden redelijkerwijs zo mocht opvatten krachtens
artikel 3:35. De wederpartij moet dus ter goeder trouw zijn krachtens artikel 3:11. Vereist is dat zij het
wilsdefect niet kende en niet behoorde te kennen. Goede trouw veronderstelt dat men naar de ware
bedoeling van de ander onderzoek doet, indien en voor zover daarvoor in de gegeven
omstandigheden aanleiding bestaat. De plaats van de handeling, de vaardigheden die van de
verklarende verwacht mogen worden en eventueel nadeel voor de handelende kunnen hiervoor een
indicatie zijn. Met betrekking tot hetgeen waar tijdens de onderhandelingen al overeenkomst
bestaat, kan een rompovereenkomst bestaan. De punten waarover de partijen het eens zijn moeten
dan de essentialia van de overeenkomst omvatten en partijen moeten elkaar redelijkerwijs zo mogen
begrijpen dat aan het bereikte resultaat gebondenheid mag worden begrepen. Breekt een van de
partijen de onderhandeling af na totstandkoming van een rompovereenkomst, dan mag de
wederpartij op grond van de redelijkheid en billijkheid in rechte alsnog nakoming vorderen. De Hoge
,Raad onderscheid in het Plas/Valburg arrest drie stadia van onderhandelingen op het moment van
afbreken. (1) een eerste stadium waarin het afbreken van de onderhandelingen zonder meer
geoorloofd is. (2) een tweede stadium waarin men weliswaar de onderhandelingen mag afbreken,
maar niet zonder dat men bepaalde door de wederpartij gemaakte kosten voor zijn rekening neemt.
(3) een derde stadium waarin het afbreken in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. In dit stadium
kan de wederpartij in rechte voortzetting van de onderhandelingen vorderen. Dit zou het geval zijn
wanneer de wederpartij mocht vertrouwen dat enigerlei contract in ieder geval uit de
onderhandelingen zou resulteren. Deze leer wordt genuanceerd en verstoten in het CBB/JPO arrest.
- beoordelen waarom en wanneer sprake is van bevoegde dan wel onbevoegde vertegenwoordiging
en wat daarvan de contractrechtelijke gevolgen zijn.
Wanneer iemand als vertegenwoordiger voor een ander handelt, roept deze voor een ander het
rechtsgevolg in het leven. Artikel 3:60 jo. 3:78 jo. 3:79 BW legt de wijze van vertegenwoordiging vast.
De vertegenwoordiger moet bevoegd zijn en moet handelen in naam van de principaal.
Vertegenwoordiging is het verrichten van rechtshandelingen in naam van een ander door iemand die
daartoe rechtens de bevoegdheid heeft met het gevolg dat de rechtsgevolgen niet voor de
handelende maar voor de ander intreden. Volmacht is de bevoegdheid die een volmachtgever
verleent aan een ander, de volgemachtigde, om in zijn naam rechtshandelingen te verrichten. Het
leidt ertoe dat de rechtshandelingen in haar gevolgen de volmachtgever treft en dat de
gevolmachtigde er tussenuit valt. Volmachtverlening is een rechtshandeling. Artikel 3:61 jo. 3:40 jo.
3:44 spelen hierbij een rol. De volmachtverlening krijgt pas betekenis wanneer de gevolmachtigde
gaat handelen. Door handelen wordt de volmacht aanvaard. In beginsel is er daarmee sprake van een
eenzijdige rechtshandeling, totdat de volmacht tot uitvoer komt. Regels omtrent de persoon van de
gevolmachtigde staan beschreven in artikel 3:63 tot en met 3:65 BW. Volmachtverlening is een
vormvrije rechtshandeling tenzij de wet anders bepaald. Zij kan schriftelijk of mondeling, uitdrukkelijk
of stilzwijgend geschieden. De reikwijdte van de volmacht wordt in belangrijke mate bepaald door het
vertrouwen dat door de aanstelling bij de wederpartij wordt gewekt. Iemand die onbevoegd als
gevolmachtigde in naam van een ander handelt, brengt geen rechtsgevolg voor die ander teweeg. De
rechtshandeling is dan krachtens artikel 3:68 jo. 3:69 BW ongeldig. Artikel 3:66 stelt dat wanneer
degene aan wie de volmacht verleend is in naam van de volmachtgever en binnen de grenzen van zijn
bevoegdheid handelt, de volmachtgever gebonden wordt aan de rechtshandeling in kwestie.
Bij bevoegde vertegenwoordiging is de vertegenwoordigde gebonden aan de rechtshandelingen die
de vertegenwoordiger verricht, en komen de gevolgen voor rekening van de vertegenwoordigde. Bij
onbevoegde vertegenwoordiging is de vertegenwoordigde in beginsel niet gebonden aan de
rechtshandeling, tenzij hij deze achteraf bekrachtigt. Zo niet, dan kan de vertegenwoordiger
aansprakelijk zijn voor de schade die hierdoor ontstaat. Artikel 3:70 stelt dat degene die als
gevolmachtigde handelt, in beginsel jegens de wederpartij instaat voor het bestaan en de omvang
van de volmacht. De wederpartij die op de verklaring vertrouwt, geniet via deze weg zekere
bescherming. Uit instaan vloeit een verplichting tot schadevergoeding voort indien noodzakelijk. De
wederpartij moet dan worden gebracht in de toestand die er zou zijn geweest als de
pseudogevolmachtigde wel bevoegd zou zijn geweest. De te vergoeden schade omvat hier dus ook
het voordeel dat de niet tot stand gebrachte overeenkomst voor hem zou hebben meegebracht.
, Week 2
Na deze week kun je:
- uiteenzetten hoe het contractenrecht partijen faciliteert hun rechtsverhouding nader vorm te geven,
in het algemeen en in het bijzonder door middel van algemene voorwaarden en garanties of
exoneratiebedingen en deze onderwerpen plaatsen in maatschappelijke context.
Algemene voorwaarden zijn in de wet geregeld. In de eerste plaats strekt zij ertoe de rechterlijke
controle op de inhoud van de algemene voorwaarden te versterken, ter bescherming van de
personen jegens wie de voorwaarden worden gebruikt. Tegelijk beoogt de regelgeving een zo groot
mogelijke mate van rechtszekerheid te bieden. In de derde plaats bevat het regels die overleg tussen
belanghebbenden over de inhoud van algemene voorwaarden stimuleren. De wettelijke bepalingen
uit afdeling 6.5.3 zijn toepasselijk ten aanzien van alle obligatoire overeenkomsten, met uitzondering
van arbeidsovereenkomsten en collectieve arbeidsovereenkomsten. Artikel 6:231 tot en met 6:244
behelzen dwingend recht. De wet omschrijft algemene voorwaarden als een of meer bedingen die
zijn opgesteld teneinde in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen, met uitzonderingen
van de bedingen die de kern van de prestaties aangeven, voor zover deze laatstgenoemde bedingen
duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd. Indien bedingen buiten deze omschrijving vallen, zijn enkel
de algemene leerstukken betreffende overeenkomsten van toepassing. Onder de kern van de
prestaties zijn de essentiële punten van de overeenkomst te verstaan. Als vuistregel kan gelden dat
die afspraken als kernbeding zijn te beschouwen, zonder welke de overeenkomst bij gebreke aan
voldoende bepaalbaarheid niet geldig tot stand zou kunnen komen. De uitzondering voor
kernbedingen bevat in wezen een opdracht aan de rechter om vast te kunnen houden aan de
algemene regel dat hij het lichaam van het contract niet op zijn evenwichtigheid zal toetsen, ook niet
als dit via een gestandaardiseerde clausule tot stand is gebracht. Gebruiker is degene die algemene
voorwaarden in een overeenkomst gebruikt, wederpartij is degene die door de ondertekening van
een geschrift of op andere wijze de gelding van algemene voorwaarden heeft aanvaard en daardoor
verbind deze na te respecteren. Algemene voorwaarden kunnen alleen tot inhoud van de
overeenkomst worden doordat de ene partij ze aan de ander aanbiedt en de andere partij de gelding
van deze algemene voorwaarden aanvaardt. Aanbod en aanvaarding spelen hier, net als wil,
verklaring en vertrouwen, een grote rol. De eis van een aanbod betekent dat de gebruiker ter
gelegenheid van de contractssluiting zijn wederpartij op enigerlei wijze moet aangeven dat hij de
algemene voorwaarden in de te sluiten overeenkomst opgenomen wenst te zien. Van aanvaarding zal
vervolgens sprake zijn indien de wederpartij daartoe haar wil tot uitdrukking brengt, dan wel een
gedraging verricht waaruit de gebruiker in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs een
aanvaardingswil mag afleiden krachtens artikel 3:33 jo. 3:35. Artikel 6:232 stelt dat een wederpartij
ook dan aan de algemene voorwaarden gebonden is, als bij het sluiten van de overeenkomst de
gebruiker begreep of moest begrijpen dat zij de inhoud ervan niet kende. Uitleg van contractuele
overeenkomsten komt aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen
mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
Artikel 6:233 verklaart een beding in algemene voorwaarden in twee gevallen vernietigbaar.
Indien het beding gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de
voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijdse kenbare belangen van partijen en de overige
omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is voor de wederpartij, danwel indien de
gebruiker aan de wederpartij niet een redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de algemene