Hoofdstuk 1
Artikel 3:1 bepaald dat alle zaken en alle vermogensrechten onder het verzamelbegrip ‘goederen’
vallen. Zaken zijn voor menselijke beheersing vatbare stoffen. Vereist is niet dat de zaak aan iemand
toebehoort. Ook een ‘res nullius’ is een zaak. Een zaak is altijd een object van stoffelijke aard.
Artikel 3:6 geeft de zeer ruime omschrijving van een vermogensrecht. Dit zijn rechten die hetzij
afzonderlijk overdraagbaar zijn, hetzij tezamen met een ander recht overdraagbaar zijn, hetzij ertoe
strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen, hetzij verkregen zijn in ruil voor
stoffelijk voordeel, hetzij verkregen zijn in ruil voor in het vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel. Deze
opsomming is niet limitatief. Ook het eigendomsrecht is een vermogensrecht. De wet bestempelt tot
onroerend de grond, de nog niet gewonnen delfstoffen, de met de grond verenigde beplanting, en de
gebouwen en de werken die duurzaam met de grond verenigd zijn, hetzij rechtstreeks, hetzij door
vereniging met andere gebouwen of werken. Bepalend is dan of het naar aard en inrichting bestemd
is om duurzaam ter plaatse te blijven. Registergoederen zijn goederen voor welke overdracht of
vestiging inschrijving in daartoe bestemde openbare registers noodzakelijk is. Dit geldt oa. voor
onroerende zaken. Om onder de definitie van registergoed te vallen moet een goed aan drie
vereisten voldoen. Er moet een register bestaan waarin de vestiging of overdracht van het goed kan
worden ingeschreven, dat register moet openbaar zijn en de inschrijving in het register moet voor de
vestiging of overdracht constitutief zijn. De vestiging of overdracht treedt pas in door de inschrijving
in het daarvoor bestemde register. Bestanddelen zijn geen zaken gezien zij geen zelfstandig bestaan
leiden. Of een zaak bestanddeel van een andere zaak is, wordt bepaald door de verkeersopvatting.
Kan een zaak niet van een andere als hoofdzaak te beschouwen zaak worden losgemaakt zonder aan
een der zaken schade van betekenis toe te brengen, dan wordt deze als bestanddeel aangemerkt.
Wanneer van meerdere voorwerpen een voorwerp met een geheel nieuwe identiteit gevormd, dan
spreekt men van zaaksvorming. Door middel van natrekking gaat het eigendom van de oude
voorwerpen over op de eigenaar van het nieuwe voorwerp.
Rechthebbende is een goederenrechtelijke aanduiding om het meest volledige recht op een goed aan
te geven. Een beperkt recht is afgeleid uit een meeromvattend recht, hetwelk met dat beperkte recht
is bezwaard. De meest bekende beperkte rechten zijn erfdienstbaarheden, erfpacht, opstal,
vruchtgebruik, pand en hypotheek. Evenals op een vordering kan men ook op een ander
vermogensrecht een beperkt recht vestigen. Afhankelijke rechten gaan teniet met het recht waaraan
zij verbonden zijn en kunnen alleen overgaan op een andere persoon in samenhang met dat recht. De
afhankelijke rechten uit het goederenrecht zijn de rechten van pand en hypotheek, de
erfdienstbaarheden en het recht van opstal. Deze rechten kunnen geen zelfstandig goederenrechtelijk
bestaan leiden. Zij volgen het recht waar zij aan verbonden zijn.
Hoofdstuk 6
Artikel 3:89 lid 1 regelt de voor overdracht van een onroerende zaak vereiste levering. Dit artikel
bestrijkt de wijze van levering van alle soorten registergoederen. Het artikel ziet hiermee op de
levering van onroerende zaken, teboekstaande schepen en luchtvaartuigen, beperkte rechte op
registergoederen, appartementsrechten en aandelen in registergoederen. Het vereist een daartoe
bestemde tussen partijen opgemaakte notariële akte, gevolgd door inschrijving daarvan in de
openbare registers. Wil levering ook overdracht bewerkstelligen, dan dient te zijn voldaan aan 3:84.
, Hoofdstuk 10
De grondeigenaar is in beginsel altijd ook eigenaar van de gebouwen, bomen en planten op zijn
grond. Artikel 5:20 geeft aan wat er daadwerkelijk tot de eigendom van de grond behoort. Eigendom
van de grond omvat ook de bovengrond, de zich daaronder bevindende aardlagen, het naar
bovengebrachte grondwater en het oppervlaktewater. Uit lid 1 sub e volgt dat de eigendom van een
gebouw toebehoort aan de grondeigenaar. Bij overdracht van de grond gaat dus ook de eigendom
van gebouwen en beplantingen mee over. Van de eigenaar van de grond is alleen het water dat zich
op zijn grond bevindt en niet in open gemeenschap staat met het water op eens anders erf. Tot
eigendom van de grondeigenaar behoren ook de met die grond verenigde gebouwen, werken en
beplantingen. De gebouwen en werken dienen duurzaam met de grond te zijn verenigd. Is het met de
grond verenigde gebouw of werk een bestanddeel van eens anders onroerende zaak, dan behoort
het aan die ander toe. Deze natrekking wordt doorbroken door de vestiging van een opstalrecht.
Artikel 5:21 verschaft de grondeigenaar een gebruiksbevoegdheid ten aanzien van de ruimte boven
en onder het grondoppervlak dat in zijn eigendom is. Deze is exclusief. Artikel 5:22 en artikel 5:23
geven regels omtrent de betreding van en vrije toegang tot eens anders erf.
Alle onroerende zaken in Nederland hebben een eigenaar. De Staat is van rechtswege eigenaar van
een onroerende zaak die geen andere eigenaar heeft.
Hoofdstuk 12
Een beperkt recht is een recht dat is afgeleid uit een meer omvattend recht, hetwelk met dat
beperkte recht is bezwaard. Beperkte rechten op goederen zijn absolute rechten. Het ouder beperkt
recht gaat voor het jonger beperkt recht. Beperkte rechten op goederen worden onderscheiden in
genotsrechten en zekerheidsrechten. Genotsrechten zijn rechten die genot van een goed geven,
zekerheidsrechten zijn rechten die een schuldeiser voorrang verlenen bij de verdeling van de
executieopbrengst van een goed. De beperkte rechten op goederen zijn limitatief in de wet gegeven.
Beperkte rechten ontstaan meestal door vestiging. De hoofdregel is gegeven in artikel 3:98. In de
meeste gevallen zijn artikel 3:84 en artikel 3:89 van toepassing. Overdracht geschiedt krachtens
artikel 3:84. Een beperkt recht wordt gevestigd op grond van artikel 3:81 jo. 3:89 jo. 3:84. Wanneer er
sprake is van een beperkt recht, geldt voor vruchtgebruik en pand op goederen de
verjaringstermijnen van artikel 3:99 jo. 3:105. De overdracht van een beperkt recht wordt evenals de
vestiging beheerst door artikel 3:98. Artikel 3:81 lid 2 noemt de wijzen van tenietgaan.
Artikel 5:70. Een erfdienstbaarheid is een last waarmee een erf ten bate van een ander erf is
bezwaard. Men spreekt van een dienend en een heersend erf. Wanneer de eigenaar van het
heersende erf zijn zaak overdraagt, gaat de erfdienstbaarheid mee over. Dit geldt ook voor in geval
van overdracht van het dienende erf. De erfdienstbaarheid kan enkel worden gevestigd door iemand
die beschikkingsbevoegd is ten aanzien van het erf. Voldoende voor het vestigen van
erfdienstbaarheid is dat degene ten behoeve van wie het recht wordt gevestigd dit recht als voordelig
beschouwt. Men kan geen erfdienstbaarheid uitvoeren op een eigen zaak. De erfdienstbaarheid heeft
enkel betrekking op feitelijke handelingen. Artikel 5:71 bepaalt dat de last voor het dienende erf
slechts kan bestaan in een verplichting om iets te dulden of niet te doen.
Artikel 5:85. Het recht van erfpacht is het zakelijk recht van eens anders onroerende zaak het
volledige genot te hebben en daarvan de vruchten te kunnen trekken. Partijen kunnen zelf de duur
Artikel 3:1 bepaald dat alle zaken en alle vermogensrechten onder het verzamelbegrip ‘goederen’
vallen. Zaken zijn voor menselijke beheersing vatbare stoffen. Vereist is niet dat de zaak aan iemand
toebehoort. Ook een ‘res nullius’ is een zaak. Een zaak is altijd een object van stoffelijke aard.
Artikel 3:6 geeft de zeer ruime omschrijving van een vermogensrecht. Dit zijn rechten die hetzij
afzonderlijk overdraagbaar zijn, hetzij tezamen met een ander recht overdraagbaar zijn, hetzij ertoe
strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen, hetzij verkregen zijn in ruil voor
stoffelijk voordeel, hetzij verkregen zijn in ruil voor in het vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel. Deze
opsomming is niet limitatief. Ook het eigendomsrecht is een vermogensrecht. De wet bestempelt tot
onroerend de grond, de nog niet gewonnen delfstoffen, de met de grond verenigde beplanting, en de
gebouwen en de werken die duurzaam met de grond verenigd zijn, hetzij rechtstreeks, hetzij door
vereniging met andere gebouwen of werken. Bepalend is dan of het naar aard en inrichting bestemd
is om duurzaam ter plaatse te blijven. Registergoederen zijn goederen voor welke overdracht of
vestiging inschrijving in daartoe bestemde openbare registers noodzakelijk is. Dit geldt oa. voor
onroerende zaken. Om onder de definitie van registergoed te vallen moet een goed aan drie
vereisten voldoen. Er moet een register bestaan waarin de vestiging of overdracht van het goed kan
worden ingeschreven, dat register moet openbaar zijn en de inschrijving in het register moet voor de
vestiging of overdracht constitutief zijn. De vestiging of overdracht treedt pas in door de inschrijving
in het daarvoor bestemde register. Bestanddelen zijn geen zaken gezien zij geen zelfstandig bestaan
leiden. Of een zaak bestanddeel van een andere zaak is, wordt bepaald door de verkeersopvatting.
Kan een zaak niet van een andere als hoofdzaak te beschouwen zaak worden losgemaakt zonder aan
een der zaken schade van betekenis toe te brengen, dan wordt deze als bestanddeel aangemerkt.
Wanneer van meerdere voorwerpen een voorwerp met een geheel nieuwe identiteit gevormd, dan
spreekt men van zaaksvorming. Door middel van natrekking gaat het eigendom van de oude
voorwerpen over op de eigenaar van het nieuwe voorwerp.
Rechthebbende is een goederenrechtelijke aanduiding om het meest volledige recht op een goed aan
te geven. Een beperkt recht is afgeleid uit een meeromvattend recht, hetwelk met dat beperkte recht
is bezwaard. De meest bekende beperkte rechten zijn erfdienstbaarheden, erfpacht, opstal,
vruchtgebruik, pand en hypotheek. Evenals op een vordering kan men ook op een ander
vermogensrecht een beperkt recht vestigen. Afhankelijke rechten gaan teniet met het recht waaraan
zij verbonden zijn en kunnen alleen overgaan op een andere persoon in samenhang met dat recht. De
afhankelijke rechten uit het goederenrecht zijn de rechten van pand en hypotheek, de
erfdienstbaarheden en het recht van opstal. Deze rechten kunnen geen zelfstandig goederenrechtelijk
bestaan leiden. Zij volgen het recht waar zij aan verbonden zijn.
Hoofdstuk 6
Artikel 3:89 lid 1 regelt de voor overdracht van een onroerende zaak vereiste levering. Dit artikel
bestrijkt de wijze van levering van alle soorten registergoederen. Het artikel ziet hiermee op de
levering van onroerende zaken, teboekstaande schepen en luchtvaartuigen, beperkte rechte op
registergoederen, appartementsrechten en aandelen in registergoederen. Het vereist een daartoe
bestemde tussen partijen opgemaakte notariële akte, gevolgd door inschrijving daarvan in de
openbare registers. Wil levering ook overdracht bewerkstelligen, dan dient te zijn voldaan aan 3:84.
, Hoofdstuk 10
De grondeigenaar is in beginsel altijd ook eigenaar van de gebouwen, bomen en planten op zijn
grond. Artikel 5:20 geeft aan wat er daadwerkelijk tot de eigendom van de grond behoort. Eigendom
van de grond omvat ook de bovengrond, de zich daaronder bevindende aardlagen, het naar
bovengebrachte grondwater en het oppervlaktewater. Uit lid 1 sub e volgt dat de eigendom van een
gebouw toebehoort aan de grondeigenaar. Bij overdracht van de grond gaat dus ook de eigendom
van gebouwen en beplantingen mee over. Van de eigenaar van de grond is alleen het water dat zich
op zijn grond bevindt en niet in open gemeenschap staat met het water op eens anders erf. Tot
eigendom van de grondeigenaar behoren ook de met die grond verenigde gebouwen, werken en
beplantingen. De gebouwen en werken dienen duurzaam met de grond te zijn verenigd. Is het met de
grond verenigde gebouw of werk een bestanddeel van eens anders onroerende zaak, dan behoort
het aan die ander toe. Deze natrekking wordt doorbroken door de vestiging van een opstalrecht.
Artikel 5:21 verschaft de grondeigenaar een gebruiksbevoegdheid ten aanzien van de ruimte boven
en onder het grondoppervlak dat in zijn eigendom is. Deze is exclusief. Artikel 5:22 en artikel 5:23
geven regels omtrent de betreding van en vrije toegang tot eens anders erf.
Alle onroerende zaken in Nederland hebben een eigenaar. De Staat is van rechtswege eigenaar van
een onroerende zaak die geen andere eigenaar heeft.
Hoofdstuk 12
Een beperkt recht is een recht dat is afgeleid uit een meer omvattend recht, hetwelk met dat
beperkte recht is bezwaard. Beperkte rechten op goederen zijn absolute rechten. Het ouder beperkt
recht gaat voor het jonger beperkt recht. Beperkte rechten op goederen worden onderscheiden in
genotsrechten en zekerheidsrechten. Genotsrechten zijn rechten die genot van een goed geven,
zekerheidsrechten zijn rechten die een schuldeiser voorrang verlenen bij de verdeling van de
executieopbrengst van een goed. De beperkte rechten op goederen zijn limitatief in de wet gegeven.
Beperkte rechten ontstaan meestal door vestiging. De hoofdregel is gegeven in artikel 3:98. In de
meeste gevallen zijn artikel 3:84 en artikel 3:89 van toepassing. Overdracht geschiedt krachtens
artikel 3:84. Een beperkt recht wordt gevestigd op grond van artikel 3:81 jo. 3:89 jo. 3:84. Wanneer er
sprake is van een beperkt recht, geldt voor vruchtgebruik en pand op goederen de
verjaringstermijnen van artikel 3:99 jo. 3:105. De overdracht van een beperkt recht wordt evenals de
vestiging beheerst door artikel 3:98. Artikel 3:81 lid 2 noemt de wijzen van tenietgaan.
Artikel 5:70. Een erfdienstbaarheid is een last waarmee een erf ten bate van een ander erf is
bezwaard. Men spreekt van een dienend en een heersend erf. Wanneer de eigenaar van het
heersende erf zijn zaak overdraagt, gaat de erfdienstbaarheid mee over. Dit geldt ook voor in geval
van overdracht van het dienende erf. De erfdienstbaarheid kan enkel worden gevestigd door iemand
die beschikkingsbevoegd is ten aanzien van het erf. Voldoende voor het vestigen van
erfdienstbaarheid is dat degene ten behoeve van wie het recht wordt gevestigd dit recht als voordelig
beschouwt. Men kan geen erfdienstbaarheid uitvoeren op een eigen zaak. De erfdienstbaarheid heeft
enkel betrekking op feitelijke handelingen. Artikel 5:71 bepaalt dat de last voor het dienende erf
slechts kan bestaan in een verplichting om iets te dulden of niet te doen.
Artikel 5:85. Het recht van erfpacht is het zakelijk recht van eens anders onroerende zaak het
volledige genot te hebben en daarvan de vruchten te kunnen trekken. Partijen kunnen zelf de duur