Het individu, kennislijn 1.
Psychologie en pedagogiek
Een empirische wetenschap bewijst dingen door observatie of experiment
Een experiment
Beschrijft het studieobject,
Verklaart de verschijnselen
Voorspelt op grond van die theorieën dingen die getoetst kunnen worden x als y
Agressietheorie
De psycholoog observeert en beschrijft agressief gedrag.
Zij bedenkt een theorie die de waarnemingen zou kunnen verklaren.
Bijv. agressie komt door frustratie
Door een experiment kijkt ze of dat klopt worden mensen agressief als je ze frustreert
Psychologische wetten
Zijn waarschijnlijkheden geen zekerheden zoals in de fysica.
Mensen zijn verschillend een individu wijkt (bijna) altijd af van wat je verwacht
Waarom meot je als sociaal werker verstand hebben van psychologie en pedagogiek
Helpt je bij het contact maken, client beter begrijpen.
Voorbeeld: intake met Cathelijne
Attributietheorie
Daardoor stel je goede vragen
Toepassen van psychologie helpt je om beter hulp te kunnen bieden
Psychologische stromingen (perspectieven)
Personage: hendrik 58 jaar, kantoorbaan, hobby poolen, 2 goede vrienden
Gedachte= depressie, word niet gewaardeerd, ik kan niks, suïcidale gedachten.
Gevoelens= leegte, eenzaam, somber
Psycho-dynamische perspectief (psycho-analyse:
Grondlegger Sigmund Freud 1856-1939
Geïnteresseerd in ons onbewuste. Gedrag wordt sterk bepaald door het onbewuste
In dat onderbewuste zitten aangeboren driften en verdrongen ervaringen
Eerste 5 levensjaren zijn bepalend voor de ontwikkelingen van je persoonlijkheid
,De persoonlijkheid is opgebouwd uit
- Het onbewuste (Id)
- het bewuste (ego)
- Het geweten (superego)
-
Behavioristische perspectief
Watson – de psychologie moet wetenschappelijker worden (zoals de natuurwetenschap)
Alleen gedrag dat waarneembaar/meetbaar is en waarmee je experimenten kunt doen is
relevant.
Doel van de psychologie is het toepassen van psychologische kennis om gedrag te
beïnvloeden
gedrag van mensen wordt vooral bepaald door leerprocessen
toepassen in bijv. de reclame
Skinner – conditionering is toepasbaar in opvoeding, scholen, bedrijven, ziekenhuizen,
gevangenissen.
Ook in therapieën (gedragstherapie) met name bij fobieën
Humanisctische perspectief
behavioristen deden veel onderzoek met dieren – het typisch menselijke verdween uit
beeld: bewustzijn, vrije wil. Liefde, religiositeit, vriendschap, empathie, kunst,
ontplooiing.
Focus werd uniek menselijke
En hoe mensen zich kunnen ontplooien en groeien tot gezonde individuen.
Abraham Maslow- theorie van fundamentele behoeften: voorwaarden voor ontplooiing
Carl Rogers- clientgerichte, non-directieve therapie; niet sturen maar voorwaarden scheppen voor
groei door vooral actief te luisteren naar de client.
Cognitieve perspectief
Gedrag wordt (ook) sterk bepaald door begrip, kennis, opvatting, overtuigingen, geheugen,
vermogen problemen op te lossen – kortom cognitie
De mens is een informatieverwerkend wezen
Dus studie van “wat in het hoofd gebeurt” ( en wat je dus niet zo direct kon waarnemen of
meten) gedachten, leren, geheugen, perceptie
Belangrijke praktische toepassingen: cognitieve therapie- het beïnvloeden van denkbeelden
zodat het gedrag ook verandert.
Gestalteperspectief
Een gestalt= een geheel
, We nemen geen aparte onderdelen maar gehelen waar. We zien zelf gehelen als die er
helemaal niet zijn!
Ook ons gedrag wordt beïnvloed door de neiging Gestalten te zien en ze zelf te scheppen. We
willen ons leven als een geheel voelen
Systeemperspectief
De kracht van de situatie: sociale en culturele invloeden hebben vaak meer invloed op
ons gedrag dan onze persoonlijkheid
Het socioculturele perspectief richt zich op:
- Sociale invloeden op gedrag en mentale processen
- Hoe individuen functioneren in groepen
- Culturele verschillen
Biologisch perspectief
Gedrag wordt veroorzaakt door onze genen, hersenen en hormonen
Pnineas gage
Neurowetenschap
Individu, kennislijn Les 2
Communicatieve functie
Je communiceert naar andere hoe je je voelt
Signaalfunctie
Cognitie/feedback
Bereidheid om te handelen
Motivatie
Leren
Behoeften
Waarom hebben we emoties?
Ze zijn belangrijk voor onze overleving
Waarom belagnrijk voor jou als sociaal werker?
Client
Uitdaging om constructief met emoties om te gaan ondersteuning en begeleiding
, Sociaal werker
Signaleren kwaliteit van contact/relatie
Emoties vier componenten theorie (frijda, 1988/2001)
1. Fysiologische arousal (opgewonden); lichamelijke sensatie
2. Cognitieve interpretatie: overtuigingen en gedachten over situatie
3. Subjectieve gevoelens: hoe je het persoonlijk beleeft
4. Gedragsmatige expressie: welk gedrag laat zien
3 theorien die emoties verklaren
Welk van deze componenten vormt nu eigenlijk het startpunt van de emotie? Van alle drie is ook een
filmpje op OO
James lange: stimulus (slang) > fysiologische reactie (trillen) > emotie (angst)
Canon bard:
Stimulus (slang) > cognitieve interpetatie ( gedachten) > emotie angst
2- factor theorie (schachter en singer)
? (teveel koffie/een gevaarlijke hang….
James lange theorie:
“ik tril dus misschien ben ik wel bang”
Stimulus fysiologische arousel
Canon bard theorie
“mijn gedachten/overtuigingen over de situatie zorgen ervoor dat ik bang ben en tegelijkertijd dat ik
ga trillen”
Stimulus > cognitieve interpetatie > emotie angst
Fysiologische arousal
Canon bard: het reflex wat de korte weg neemt in de hersenen
Amygdala: je neemt iets waar en deze zenuwen brengen de situatie naar de amygdala,
Deze zorgt ervoor dat we reageren. (is het deel in je hersenen wat zorgt voor je reflex)
Verschilt per mens hoe sensitief het is.
2 factor theorie
Psychologie en pedagogiek
Een empirische wetenschap bewijst dingen door observatie of experiment
Een experiment
Beschrijft het studieobject,
Verklaart de verschijnselen
Voorspelt op grond van die theorieën dingen die getoetst kunnen worden x als y
Agressietheorie
De psycholoog observeert en beschrijft agressief gedrag.
Zij bedenkt een theorie die de waarnemingen zou kunnen verklaren.
Bijv. agressie komt door frustratie
Door een experiment kijkt ze of dat klopt worden mensen agressief als je ze frustreert
Psychologische wetten
Zijn waarschijnlijkheden geen zekerheden zoals in de fysica.
Mensen zijn verschillend een individu wijkt (bijna) altijd af van wat je verwacht
Waarom meot je als sociaal werker verstand hebben van psychologie en pedagogiek
Helpt je bij het contact maken, client beter begrijpen.
Voorbeeld: intake met Cathelijne
Attributietheorie
Daardoor stel je goede vragen
Toepassen van psychologie helpt je om beter hulp te kunnen bieden
Psychologische stromingen (perspectieven)
Personage: hendrik 58 jaar, kantoorbaan, hobby poolen, 2 goede vrienden
Gedachte= depressie, word niet gewaardeerd, ik kan niks, suïcidale gedachten.
Gevoelens= leegte, eenzaam, somber
Psycho-dynamische perspectief (psycho-analyse:
Grondlegger Sigmund Freud 1856-1939
Geïnteresseerd in ons onbewuste. Gedrag wordt sterk bepaald door het onbewuste
In dat onderbewuste zitten aangeboren driften en verdrongen ervaringen
Eerste 5 levensjaren zijn bepalend voor de ontwikkelingen van je persoonlijkheid
,De persoonlijkheid is opgebouwd uit
- Het onbewuste (Id)
- het bewuste (ego)
- Het geweten (superego)
-
Behavioristische perspectief
Watson – de psychologie moet wetenschappelijker worden (zoals de natuurwetenschap)
Alleen gedrag dat waarneembaar/meetbaar is en waarmee je experimenten kunt doen is
relevant.
Doel van de psychologie is het toepassen van psychologische kennis om gedrag te
beïnvloeden
gedrag van mensen wordt vooral bepaald door leerprocessen
toepassen in bijv. de reclame
Skinner – conditionering is toepasbaar in opvoeding, scholen, bedrijven, ziekenhuizen,
gevangenissen.
Ook in therapieën (gedragstherapie) met name bij fobieën
Humanisctische perspectief
behavioristen deden veel onderzoek met dieren – het typisch menselijke verdween uit
beeld: bewustzijn, vrije wil. Liefde, religiositeit, vriendschap, empathie, kunst,
ontplooiing.
Focus werd uniek menselijke
En hoe mensen zich kunnen ontplooien en groeien tot gezonde individuen.
Abraham Maslow- theorie van fundamentele behoeften: voorwaarden voor ontplooiing
Carl Rogers- clientgerichte, non-directieve therapie; niet sturen maar voorwaarden scheppen voor
groei door vooral actief te luisteren naar de client.
Cognitieve perspectief
Gedrag wordt (ook) sterk bepaald door begrip, kennis, opvatting, overtuigingen, geheugen,
vermogen problemen op te lossen – kortom cognitie
De mens is een informatieverwerkend wezen
Dus studie van “wat in het hoofd gebeurt” ( en wat je dus niet zo direct kon waarnemen of
meten) gedachten, leren, geheugen, perceptie
Belangrijke praktische toepassingen: cognitieve therapie- het beïnvloeden van denkbeelden
zodat het gedrag ook verandert.
Gestalteperspectief
Een gestalt= een geheel
, We nemen geen aparte onderdelen maar gehelen waar. We zien zelf gehelen als die er
helemaal niet zijn!
Ook ons gedrag wordt beïnvloed door de neiging Gestalten te zien en ze zelf te scheppen. We
willen ons leven als een geheel voelen
Systeemperspectief
De kracht van de situatie: sociale en culturele invloeden hebben vaak meer invloed op
ons gedrag dan onze persoonlijkheid
Het socioculturele perspectief richt zich op:
- Sociale invloeden op gedrag en mentale processen
- Hoe individuen functioneren in groepen
- Culturele verschillen
Biologisch perspectief
Gedrag wordt veroorzaakt door onze genen, hersenen en hormonen
Pnineas gage
Neurowetenschap
Individu, kennislijn Les 2
Communicatieve functie
Je communiceert naar andere hoe je je voelt
Signaalfunctie
Cognitie/feedback
Bereidheid om te handelen
Motivatie
Leren
Behoeften
Waarom hebben we emoties?
Ze zijn belangrijk voor onze overleving
Waarom belagnrijk voor jou als sociaal werker?
Client
Uitdaging om constructief met emoties om te gaan ondersteuning en begeleiding
, Sociaal werker
Signaleren kwaliteit van contact/relatie
Emoties vier componenten theorie (frijda, 1988/2001)
1. Fysiologische arousal (opgewonden); lichamelijke sensatie
2. Cognitieve interpretatie: overtuigingen en gedachten over situatie
3. Subjectieve gevoelens: hoe je het persoonlijk beleeft
4. Gedragsmatige expressie: welk gedrag laat zien
3 theorien die emoties verklaren
Welk van deze componenten vormt nu eigenlijk het startpunt van de emotie? Van alle drie is ook een
filmpje op OO
James lange: stimulus (slang) > fysiologische reactie (trillen) > emotie (angst)
Canon bard:
Stimulus (slang) > cognitieve interpetatie ( gedachten) > emotie angst
2- factor theorie (schachter en singer)
? (teveel koffie/een gevaarlijke hang….
James lange theorie:
“ik tril dus misschien ben ik wel bang”
Stimulus fysiologische arousel
Canon bard theorie
“mijn gedachten/overtuigingen over de situatie zorgen ervoor dat ik bang ben en tegelijkertijd dat ik
ga trillen”
Stimulus > cognitieve interpetatie > emotie angst
Fysiologische arousal
Canon bard: het reflex wat de korte weg neemt in de hersenen
Amygdala: je neemt iets waar en deze zenuwen brengen de situatie naar de amygdala,
Deze zorgt ervoor dat we reageren. (is het deel in je hersenen wat zorgt voor je reflex)
Verschilt per mens hoe sensitief het is.
2 factor theorie