Paragraaf 1:
1. Je kunt het verschil tussen directe en indirecte ruil uitleggen: directe ruil:
het ruilen van producten tegen producten.
Indirecte ruil: ruilen met een ruilmiddel zoals geld.
2. Je kunt uitleggen hoe geld is ontstaan: zout en schelpen werden bijv. als
ruilmiddel gebruikt. Later werd metaal gebruikt, daarvan werden munten
gemaakt.
3. Je kunt de 3 functies van geld aan de hand van vb’en uitleggen: 1)
ruilmiddel: je gebruikt geld om iets te kopen. 2) rekenmiddel: je gebruikt geld
om de waarde van iets uit te drukken. 3) spaarmiddel: je bewaart geld om het
op een later moment uit te geven.
Paragraaf 2:
1. Je kunt uitleggen dat de geldhoeveelheid bestaat uit chartaal en giraal
geld: chartaal geld: munten en bankbiljetten, giraal: geld dat klanten van een
bank op een rekening hebben staan en waarmee ze kunnen betalen. De
maatschappelijke geldhoeveelheid: al het chartale en girale geld dat wordt
gebruikt door gezinnen, bedrijven en de overheid.
2. Je kunt uitleggen wat het verschil is tussen de extrinsieke en intrinsieke
waarde van geld: de extrinsieke waarde: de waarde dat op een bankbiljet
staat. Intrinsieke waarde: de waarde van het papier van het bankbiljet.
Als de intrinsieke waarde van een munt hoger zou zijn dan de extrinsieke
waarde, dan zou je die munt beter kunnen omsmelten om het goud of zilver te
verkopen.
3. Je kunt voorbeelden van echtheidskenmerken van geld noemen:
watermerk, veiligheidsdraad en een hologram.
Paragraaf 3:
1. Je kunt de oorzaken van inflatie noemen: 1) kosteninflatie: een stijging van
kosten wordt doorberekend in de prijs. 2) bestedingsinflatie: doordat er veel
vraag is naar een product, omdat mensen meer aan het product willen
besteden, stijgt de prijs.
2. Je kunt uitleggen dat inflatie een effect heeft op de koopkracht:
koopkracht= de hoeveelheid goederen en diensten die je met je inkomen kunt
kopen. een stijging van de prijzen heeft een negatief gevolg op je koopkracht,
daling -> positief.
3. Je kunt rekenen met indexcijfers: om de verandering van een koopkracht te
bepalen is het handig om te kunnen rekenen met indexcijfers, een indexcijfer
laat een procentuele verandering zien ten opzichte van een afgesproken
periode.
Formule: indexcijfer= getal in gevraagd jaar : getal in het basisjaar x 100
4. Je kunt de verandering van de koopkracht berekenen:
Procentuele verandering nom inkomen – inflatiepercentage