Kennisbasis Nederlands
Domein 1: Mondelinge taalvaardigheden
De deelnemer kent de luisterdoelen en kan in een taalgebruikssituatie aangeven welke
luisterstrategie wordt gehanteerd.
Luisterdoelen:
Iets te weten willen komen
Een gevoel willen ondergaan
Een mening willen vormen
Een handeling willen uitvoeren
Een spel willen spelen
We kennen vier verschillende luisterstrategieën:
1. Globaal luisteren, globaal luisteren wat er wordt verteld.
2. Intensief luisteren, volledig beeld van wat er wordt verteld (details).
3. Kritisch luisteren, tijdens het luisteren een mening vormen.
4. Gericht luisteren (ook wel selecterend luisteren genoemd), pas je toe wanneer je
geïnteresseerd bent in een bepaalde aspecten van een verhaal.
Bij actief luisteren zet de luisteraar zich volledig in om te volgen en te begrijpen.
- Aankijken, vragen stellen.
De relaties tussen luisterdoelen en strategieën
Iets te weten willen komen Intensief luisteren
Een bepaald gevoel willen ondergaan Globaal luisteren
Zich een mening willen vormen Kritisch luisteren
Een bepaalde handeling willen uitvoeren Gericht luisteren
De deelnemer kent de spreekdoelen, kan in een taalgebruikssituatie aangeven welke doelen
een spreker hanteert en kan aangeven welke spreekstrategie wordt gehanteerd.
Elke luisterstrategie hangt samen met het doel dat je hebt. Als spreken kun je verschillende
spreekdoelen hebben:
1. Informeren: feiten overbrengen
2. Amuseren: vermaken, boeien
3. Instrueren: uitleggen, voordoen
4. Overtuigen: overhalen
Andere spreekdoelen zijn emotioneren (gevoelens losmaken of overbrengen), waarderen
(spreken wil zijn oordeel over iets geven) en beschouwen (verschillende kanten van een
probleem toelichten).
Een spreekstrategie is een manier van spreken die iemand gebruikt om een doel te
bereiken. De volgende stappen kunnen worden gebruikt:
Oriënteren op het doel van de spreektaak
Oriënteren op het onderwerp
Oriënteren op soort spreektaak
, Oriënteren op de gesprekspartner(s) of het publiek: met wie ga je in gesprek of wie
luistert er naar je? Wat is hun voorkennis?
Reflecteren op de spreektaak: begrijp je wat er wordt gezegd en breng je de informatie
goed over? Bereik je het doel?
Monitoren van de spreektaak: is het nodig om meer te zeggen, beter te luisteren of
vragen te stellen?
Evalueren van de spreektaak
De deelnemer kent de sociale taalfuncties en kan van een taalgebruikssituatie aangeven
welke sociale taalfunctie van toepassing is.
Zelfhandhaving: iemand komt op voor wat hij zelf wil. Hij beschermt zichzelf en verdedigt
wat het heeft (Die had ik!)
Zelfsturing: eigen handelingen met woorden ordenen of plannen aankondigen (Dan ga ik
eerst naar de bakker en dan naar de supermarkt).
Sturing van anderen: taal gebruiken om het gedrag van anderen te beïnvloeden (Zullen we
gaan zwemmen?)
Structurering van het gesprek: om het gespreksverloop te beïnvloeden (Mag ik even wat
zeggen?).
De deelnemer kent de cognitieve taalfuncties en kan cognitieve taalfuncties ordenen in mate
van complexiteit en kan van een taalgebruikssituatie aangeven welke cognitieve taalfunctie
van toepassing is.
De spreker hanteert cognitieve functies van taal om te verwijzen naar betekenissen en
concepten. Via taal benoemt en ordent hij de werkelijkheid.
Cognitieve taalfuncties kunnen op de volgende manier gerangschikt worden op mate van
complexiteit:
1. Rapporteren: verslag doen van iets wat in de werkelijkheid voorkomt. Hieronder
vallen: benoemen/etiketteren, beschrijven, vergelijken (Dit is een visje met een lange
staart, die andere is korter).
2. Redeneren: beschrijving waarin een extra denkstap wordt verwoord. Hieronder
vallen: chronologisch ordenen, concluderen, middel-doelrelatie of instrumentele
relatie leggen, oplossen van een probleem, oorzaak-gevolgrelatie leggen (Als we de
deur van de koelkast opendoen, gaat de cavia piepen, want dan wil hij ook eten).
3. Projecteren: verplaatsen in de gedachten en de gevoelens van iemand anders (Ezra
heeft geen zin om te spelen. Ze is verdrietig, want haar konijn is dood).
De deelnemer kan in een taalgebruikssituatie aangeven of een kind zijn taal verwerft ten
aanzien van semantische, fonologische, morfologische, syntactische en pragmatische
aspecten.
- De taalontwikkeling van een kind begint op fonologisch niveau met het vormen van
spraakklanken.
- Kinderen ontwikkelen zich ook op morfologisch niveau, waarbij kinderen woorden gaan
vormen. Het heeft betrekking op de opbouw van woorden (vervoegingen, verbuigingen,
, samenstellingen, afleidingen) en bevordert het vermogen om de betekenis van een
onbekend woord af te leiden.
- Het semantisch niveau betreft de betekenis van woorden.
- Op het syntactische niveau leren ze de regels voor het combineren van woorden (zinnen
vormen) ook leren ze de grammaticale regels. Kinderen gaan van korte onvolledige
zinnen naar volledige zinnen.
- Op pragmatisch niveau maken kinderen zich de spellingsregels eigen bij het leren van
taal en worden de regels allemaal gebruikt.
De deelnemer kent twee verschillende theorieën over taalverwerving: creatieve
constructietheorie en interactionele benadering.
Theorieën over taalverwerving
Behaviorisme Leren door imitatie, goedkeuring/invloed
van ouders.
Creatieve constructietheorie/mentalisme Mensen komen ter wereld met een
aangeboren taalvermogen
Interactionele benadering Het aangeboren taal leervermogen en
interactie vanuit de omgeving is van belang.
Frequentie van taalaanbod, herhaling en
interactie spelen de belangrijkste rol.
De deelnemer kent de taalontwikkelingsfasen en hun kenmerken, kan aangeven in welke
volgorde de prelinguale en linguale fase van de taalontwikkeling verloopt. De deelnemer kan
in taaluitingen van kinderen deze taalontwikkelingsfasen herkennen.
In het taalverwervingsproces van een kind onderscheiden we twee perioden: de prelinguale
periode (0-1 jaar) en linguale periode (1- 9 jaar).
De prelinguale periode (0-1 jaar)
De prelinguale fase start na de geboorte met huilen vocaliseren: klanken produceren en
herkennen vocaal spel: experimenteren met klanken (medeklinkers) brabbelen (na 7
maanden; herhaalt klankgroepen).
- Er ontstaat interactie tussen kind en volwassenen en hierdoor leert een kind de basis van
taal.
- Van klankgroepen zonder betekenis naar klanken die steeds meer op echte woorden
lijken.
Tijdens de prelinguale periode oefenen de kinderen:
De articulatie (uitspraak)
Klankstructuur van taal
Zinsmelodie
Communiceren met anderen
De prelinguale periode en de vroeglinguale periode bestaan in de taalontwikkeling vooral
uit: fonologisch niveau (uitspraak), semantisch niveau (betekenis) en syntactisch niveau
(volgorde).
Domein 1: Mondelinge taalvaardigheden
De deelnemer kent de luisterdoelen en kan in een taalgebruikssituatie aangeven welke
luisterstrategie wordt gehanteerd.
Luisterdoelen:
Iets te weten willen komen
Een gevoel willen ondergaan
Een mening willen vormen
Een handeling willen uitvoeren
Een spel willen spelen
We kennen vier verschillende luisterstrategieën:
1. Globaal luisteren, globaal luisteren wat er wordt verteld.
2. Intensief luisteren, volledig beeld van wat er wordt verteld (details).
3. Kritisch luisteren, tijdens het luisteren een mening vormen.
4. Gericht luisteren (ook wel selecterend luisteren genoemd), pas je toe wanneer je
geïnteresseerd bent in een bepaalde aspecten van een verhaal.
Bij actief luisteren zet de luisteraar zich volledig in om te volgen en te begrijpen.
- Aankijken, vragen stellen.
De relaties tussen luisterdoelen en strategieën
Iets te weten willen komen Intensief luisteren
Een bepaald gevoel willen ondergaan Globaal luisteren
Zich een mening willen vormen Kritisch luisteren
Een bepaalde handeling willen uitvoeren Gericht luisteren
De deelnemer kent de spreekdoelen, kan in een taalgebruikssituatie aangeven welke doelen
een spreker hanteert en kan aangeven welke spreekstrategie wordt gehanteerd.
Elke luisterstrategie hangt samen met het doel dat je hebt. Als spreken kun je verschillende
spreekdoelen hebben:
1. Informeren: feiten overbrengen
2. Amuseren: vermaken, boeien
3. Instrueren: uitleggen, voordoen
4. Overtuigen: overhalen
Andere spreekdoelen zijn emotioneren (gevoelens losmaken of overbrengen), waarderen
(spreken wil zijn oordeel over iets geven) en beschouwen (verschillende kanten van een
probleem toelichten).
Een spreekstrategie is een manier van spreken die iemand gebruikt om een doel te
bereiken. De volgende stappen kunnen worden gebruikt:
Oriënteren op het doel van de spreektaak
Oriënteren op het onderwerp
Oriënteren op soort spreektaak
, Oriënteren op de gesprekspartner(s) of het publiek: met wie ga je in gesprek of wie
luistert er naar je? Wat is hun voorkennis?
Reflecteren op de spreektaak: begrijp je wat er wordt gezegd en breng je de informatie
goed over? Bereik je het doel?
Monitoren van de spreektaak: is het nodig om meer te zeggen, beter te luisteren of
vragen te stellen?
Evalueren van de spreektaak
De deelnemer kent de sociale taalfuncties en kan van een taalgebruikssituatie aangeven
welke sociale taalfunctie van toepassing is.
Zelfhandhaving: iemand komt op voor wat hij zelf wil. Hij beschermt zichzelf en verdedigt
wat het heeft (Die had ik!)
Zelfsturing: eigen handelingen met woorden ordenen of plannen aankondigen (Dan ga ik
eerst naar de bakker en dan naar de supermarkt).
Sturing van anderen: taal gebruiken om het gedrag van anderen te beïnvloeden (Zullen we
gaan zwemmen?)
Structurering van het gesprek: om het gespreksverloop te beïnvloeden (Mag ik even wat
zeggen?).
De deelnemer kent de cognitieve taalfuncties en kan cognitieve taalfuncties ordenen in mate
van complexiteit en kan van een taalgebruikssituatie aangeven welke cognitieve taalfunctie
van toepassing is.
De spreker hanteert cognitieve functies van taal om te verwijzen naar betekenissen en
concepten. Via taal benoemt en ordent hij de werkelijkheid.
Cognitieve taalfuncties kunnen op de volgende manier gerangschikt worden op mate van
complexiteit:
1. Rapporteren: verslag doen van iets wat in de werkelijkheid voorkomt. Hieronder
vallen: benoemen/etiketteren, beschrijven, vergelijken (Dit is een visje met een lange
staart, die andere is korter).
2. Redeneren: beschrijving waarin een extra denkstap wordt verwoord. Hieronder
vallen: chronologisch ordenen, concluderen, middel-doelrelatie of instrumentele
relatie leggen, oplossen van een probleem, oorzaak-gevolgrelatie leggen (Als we de
deur van de koelkast opendoen, gaat de cavia piepen, want dan wil hij ook eten).
3. Projecteren: verplaatsen in de gedachten en de gevoelens van iemand anders (Ezra
heeft geen zin om te spelen. Ze is verdrietig, want haar konijn is dood).
De deelnemer kan in een taalgebruikssituatie aangeven of een kind zijn taal verwerft ten
aanzien van semantische, fonologische, morfologische, syntactische en pragmatische
aspecten.
- De taalontwikkeling van een kind begint op fonologisch niveau met het vormen van
spraakklanken.
- Kinderen ontwikkelen zich ook op morfologisch niveau, waarbij kinderen woorden gaan
vormen. Het heeft betrekking op de opbouw van woorden (vervoegingen, verbuigingen,
, samenstellingen, afleidingen) en bevordert het vermogen om de betekenis van een
onbekend woord af te leiden.
- Het semantisch niveau betreft de betekenis van woorden.
- Op het syntactische niveau leren ze de regels voor het combineren van woorden (zinnen
vormen) ook leren ze de grammaticale regels. Kinderen gaan van korte onvolledige
zinnen naar volledige zinnen.
- Op pragmatisch niveau maken kinderen zich de spellingsregels eigen bij het leren van
taal en worden de regels allemaal gebruikt.
De deelnemer kent twee verschillende theorieën over taalverwerving: creatieve
constructietheorie en interactionele benadering.
Theorieën over taalverwerving
Behaviorisme Leren door imitatie, goedkeuring/invloed
van ouders.
Creatieve constructietheorie/mentalisme Mensen komen ter wereld met een
aangeboren taalvermogen
Interactionele benadering Het aangeboren taal leervermogen en
interactie vanuit de omgeving is van belang.
Frequentie van taalaanbod, herhaling en
interactie spelen de belangrijkste rol.
De deelnemer kent de taalontwikkelingsfasen en hun kenmerken, kan aangeven in welke
volgorde de prelinguale en linguale fase van de taalontwikkeling verloopt. De deelnemer kan
in taaluitingen van kinderen deze taalontwikkelingsfasen herkennen.
In het taalverwervingsproces van een kind onderscheiden we twee perioden: de prelinguale
periode (0-1 jaar) en linguale periode (1- 9 jaar).
De prelinguale periode (0-1 jaar)
De prelinguale fase start na de geboorte met huilen vocaliseren: klanken produceren en
herkennen vocaal spel: experimenteren met klanken (medeklinkers) brabbelen (na 7
maanden; herhaalt klankgroepen).
- Er ontstaat interactie tussen kind en volwassenen en hierdoor leert een kind de basis van
taal.
- Van klankgroepen zonder betekenis naar klanken die steeds meer op echte woorden
lijken.
Tijdens de prelinguale periode oefenen de kinderen:
De articulatie (uitspraak)
Klankstructuur van taal
Zinsmelodie
Communiceren met anderen
De prelinguale periode en de vroeglinguale periode bestaan in de taalontwikkeling vooral
uit: fonologisch niveau (uitspraak), semantisch niveau (betekenis) en syntactisch niveau
(volgorde).