Lecture 1
The theory of the firm
Als we de theory of de firm bekijken zijn er drie hoofd perspectiven van waaruit we kijken,
deze zijn:
1. Neo-classical (Marshall 1890) = De neo-classical theory rust op het idee van een
model firm die niet echt bestaat om zo de operaties van de hele markt te
beschrijven. Het hoofd doel van een bedrijf is om de input om te zetten in output en
daarbij een zo hoog mogelijke winst te behalen met gegeven prijzen en technologie.
Als men dit visueel wil maken krijg je het volgende model, waarin maximale winst
wordt behaald bij het punt waar MR=ATC=MC. Hierbij geld dat het bedrijf opereert
in een markt van perfecte competitie.
2. New institutional (Coase 1937) = In deze theory stelt men de vraag waarom een
bedrijf bestaat en waarom niet alle transacties tot de door de markt te laten regelen.
Het idee is dat bedrijven mensen dingen kunnen laten doen door dat er een
hiërarchisch stelsel is waar men in een markt vrijwillig acteert en dus geen push
middel is. Wanneer we naar de markt kijken zien we alleen dat de markt niet frictie
loos is en dat dit zorgt voor transactie kosten. Het doel van een bedrijf is om deze
transactie kosten te reduceren en dit is dan ook dan de reden dat een bedrijf
bestaat. Reducties van transactiekosten ontstaan uit:
o Discovering prices
o Negotiate and conclude contracts
o Taxes
o Principal-agent problems
De vraag is dan nog waarom er nog een markt is, dit heeft te maken met dat de het
bedrijf ook duur is om te managen waardoor er een decreasing return is op
managment. De vraag is dan wat de perfect maat is voor een bedrijf zodat de omzet
het grootst is. De criteria die de grootte van een bedrijf bepalen zijn:
o Marginale kosten van hiërarchische transacties (inefficiënties)
o Marginale kosten van markttransacties (fricties)
Deze twee onderdelen worden beinvloed door andere factoren en technologie zoals:
o Information technology
o Management technology/institutions
3. The entrepreneur (Schumpeter 1912) = De ondernemer is het hard van het bedrijf
en veranderingen kom dus vanuit de top/ ondernemer. De entrepreneur wordt
, daarom ook gezien als de agent van technologische verandering. Technologische
veranderingen, ontwikkelingen kan men beschrijven als:
o New consumers’ goods
o New methods of production & transport
o New markets
o New forms of organization
Wanneer we kijken naar de motivatie van ondernemers zien we dat zij streven naar
een monopolistische marktpositie waar men maximale winsten kan behalen. Met
focust op een disequilibrium en verandering en wordt gequote met “creative
destruction is the essential fact of capitalism”
Preindustrial organisation
Als kijken naar de preindustrial organisation kunnen we de industrie beschrijven in de proto
industrie. De Proto industry zien we dat veel mensen werken vanuit huis en meerdere
beroepsgroepen door elkaar toepassen en niet te focussen op specifiek een ….. Doordat
veel mensen vanuit huis werken en de hun voedsel verbouwen op het land naast hun huis
zie je dat een groot deel van de mensen op het platteland wonen. Doordat men alleen
gefocust is op zijn eigen productie en niet kijkt of men kan samenwerken, specialiseerd is er
een lage mate van innovatie en hoge mate van inefficiëntie. Verder was er een lage mate
van competitie waardoor inefficiente producenten niet werden geëlimineerd uit de markt.
Als we kijken naar het netwerk wat de verschillen thuis in dustrien aan elkaar verbond heeft
men hierbij de koopman (merchant- entrepreneur). Wat deze deed was dat hij langs huizen
ging met goederen, ruw of semi products en deze liet upgraden door de mensen thuis en
het daarna weer verkocht. Men werd betaald in hoeveel producten men afleverde, dit komt
omdat het moeilijk is om te controleren hoeveel men per uur werkt. De koopman
uitbestede dus het werk/ subcontracting. Deze structuur beschreef men ook wel als het
putting-out system / cottage industry.
Naar mate men meer specialiseerde in productie van een bepaald product gingen ook
verschillende groepen zich samenvoegen in een vakgroep ook wel genoemd een gilde. Een
gilde is een quasi enterprise dat de kapitaal en arbeiders bij elkaar bracht. Ze hadden
daarbij controle over kwaliteit en wie toegelaten werd tot de industrie. Gilden zorgde verder
voor een minimaal loon en een stabiel inkomen voor de bedrijven met hun werknemers die
gelinkt waren aan het gilde. De structuur in het gilden was op leeftijd en status gebaseerd
en niet op skills. Doordat gilden bepaalde wie er wel niet toegelaten werden reguleerde zij
de supply van goederen, het negatieve effect van de gilde was dat het kon zorgen voor
weinig innovatie omdat er geen tot weinig competitie was tussen de bedrijven.
De industriele revolutie
Wanneer de industriele revolutie aanbreekt zien we dit terug in een paar fenomen, de
eerste is dat er een vaste groei van het GDP per hoofd van de bevolking ontstaat. Daarnaast
zien we een demografische verandering plaats vinden. Doordat de levenstandaart groeit per
generatie inplaats van dat het constant blijft daalt de death rate alleen blijft in eerste
instantie de birth rate hetzelfde. Dit zorgde voor een enorme groei van de populatie. Door
het door ontwikkelen van het land zien we dat de birth rate daalt en de populatie
stabiliseert op een bepaald niveau. De birth rate daalt door een hogere mate van educatie
en de mogelijkheid voor vrouwen om te gaan werken.
, Als laatste zien we dat een verandering van de structuur van het land ook veranderd van
een economie gericht op landbouw naar een economie die gebasseerd is op industrie en
services. Als een land volledig geindustrialiseerd is is het meer gefocust op services dit komt
doordat industrialisatie zorgt voor beter betaalde banen waardoor er mee disposable
income is en dit zoekt zijn uitweg in de service sector. De vraag die nog onbeantwoord blijft
is natuurlijk wat is de industriele revolutie specifiek. De indisturiele revolutie kan gezien
worden als een scherpe verandering van technologische toepassing. We zien dat in deze
bepaalde periode er een sterke opkomst was van techonologische ontwikkelingen, denk
bijvoorbeeld aan stoom machine en machinen die het spinnen van garen versimpelde,
efficienter maakte. Voor de industriele revolutie maakte men alleen gebruik van wind water
en dierlijke kracht als energie bron maar door de uitvinding van stoom energie kon men dit
vervangen en was men niet meer afhankelijk waar die bepaalde bronnen van stroom te
vinden waren maar kon men vrij zijn fabriek vestigen. De enige beperking die aanwezig was
is dat het treinstelsel nog niet heel ver ontwikkeld was waardoor men de fabriek in de buurt
van een koolmijn moest plaatsen aangezien men kool gebruikt bij stoommachines. Het
voordeel van stoom energie is dat dit een betrouwbaardere energie bron is dan de andere
drie soorten waardoor men dag in dag uit kon produceren.
Een andere ontwikkeling die plaats vond was dat kapitaal goedkoper was dan arbeid
waardoor men machinen ging ontwikkelen die zorgden dat men efficienter kon werken en
minder man kracht nodig had, dit gebeurde voor het eerst in de katoen spin industrie.
We kunnen de industrial revolution tot nu opdelen in drie delen:
1. Steam and the First Industrial Revolution (1780-1850)
2. Electricity and the Second Industrial Revolution (1870-1913)
3. ICT and the Third Industrial Revolution (1970-…)
Met de ontwikkeling van de fabrieken ontstond de factory system. De factory system
ontstaat in de UK ongeveer in het begin van de 18de eeuw, er ontstaan dan een paar grote
fabrieken met 300 tot 800 mensen. Dit zijn over het algemeen scheepsbouwbedrijven,
verder wordt veel werk nog vanuit huis gedaan. In de 19de eeuw komen dan ook de katoen
weverijen bij tot men 900 fabrieken hiervan heeft met zo ongeveer 50 tot 300 werknemers.
Halverwege de 19de eeuw, 1830 werken in de fabrieken in Manchester zo’n 400 tot 5000
mensen. Er kwamen door de tijd steeds meer fabrieken bij totdat men in 1914 in west
europa niet meer thuis werkte. De factory system is het werken vanuit een fabriek inplaats
vanuit huis, de voordelen die hieruit voortkwamen waren:
• Economies of scale and scope = Door de schaalvergroting en specialisatie, gaat een
fabriek een product produceren in een grote hoeveelheid, hierdoor drukken ze de
MC. Door de schaalvergroting stijgen de fixed costs wel waardoor het langer duurt
om deze eruit te krijgen, dit zorgde ervoor dat kapital intensieve industrie nog
capitaal intensiever werden waarbij andere type industrien juist switchten naar een
hogere mate van kapitale intensiviteit. Verder zien we daarbij dat bedrijven met een
backward en forward linkage clusteren op dezelfde plek en dit voor een hogere
winstmarge zorgt.
• Monitoring costs = de monitor cost dalen doordat men op een plek opereren,
hierdoor kan men een uurloon gaan hanteren inplaats van een per stuk loon. Dit
komt door dat een supervisor de arbeiders kan controleren op het productieproces
waardoor men een efficientere productie keten krijgt.
The theory of the firm
Als we de theory of de firm bekijken zijn er drie hoofd perspectiven van waaruit we kijken,
deze zijn:
1. Neo-classical (Marshall 1890) = De neo-classical theory rust op het idee van een
model firm die niet echt bestaat om zo de operaties van de hele markt te
beschrijven. Het hoofd doel van een bedrijf is om de input om te zetten in output en
daarbij een zo hoog mogelijke winst te behalen met gegeven prijzen en technologie.
Als men dit visueel wil maken krijg je het volgende model, waarin maximale winst
wordt behaald bij het punt waar MR=ATC=MC. Hierbij geld dat het bedrijf opereert
in een markt van perfecte competitie.
2. New institutional (Coase 1937) = In deze theory stelt men de vraag waarom een
bedrijf bestaat en waarom niet alle transacties tot de door de markt te laten regelen.
Het idee is dat bedrijven mensen dingen kunnen laten doen door dat er een
hiërarchisch stelsel is waar men in een markt vrijwillig acteert en dus geen push
middel is. Wanneer we naar de markt kijken zien we alleen dat de markt niet frictie
loos is en dat dit zorgt voor transactie kosten. Het doel van een bedrijf is om deze
transactie kosten te reduceren en dit is dan ook dan de reden dat een bedrijf
bestaat. Reducties van transactiekosten ontstaan uit:
o Discovering prices
o Negotiate and conclude contracts
o Taxes
o Principal-agent problems
De vraag is dan nog waarom er nog een markt is, dit heeft te maken met dat de het
bedrijf ook duur is om te managen waardoor er een decreasing return is op
managment. De vraag is dan wat de perfect maat is voor een bedrijf zodat de omzet
het grootst is. De criteria die de grootte van een bedrijf bepalen zijn:
o Marginale kosten van hiërarchische transacties (inefficiënties)
o Marginale kosten van markttransacties (fricties)
Deze twee onderdelen worden beinvloed door andere factoren en technologie zoals:
o Information technology
o Management technology/institutions
3. The entrepreneur (Schumpeter 1912) = De ondernemer is het hard van het bedrijf
en veranderingen kom dus vanuit de top/ ondernemer. De entrepreneur wordt
, daarom ook gezien als de agent van technologische verandering. Technologische
veranderingen, ontwikkelingen kan men beschrijven als:
o New consumers’ goods
o New methods of production & transport
o New markets
o New forms of organization
Wanneer we kijken naar de motivatie van ondernemers zien we dat zij streven naar
een monopolistische marktpositie waar men maximale winsten kan behalen. Met
focust op een disequilibrium en verandering en wordt gequote met “creative
destruction is the essential fact of capitalism”
Preindustrial organisation
Als kijken naar de preindustrial organisation kunnen we de industrie beschrijven in de proto
industrie. De Proto industry zien we dat veel mensen werken vanuit huis en meerdere
beroepsgroepen door elkaar toepassen en niet te focussen op specifiek een ….. Doordat
veel mensen vanuit huis werken en de hun voedsel verbouwen op het land naast hun huis
zie je dat een groot deel van de mensen op het platteland wonen. Doordat men alleen
gefocust is op zijn eigen productie en niet kijkt of men kan samenwerken, specialiseerd is er
een lage mate van innovatie en hoge mate van inefficiëntie. Verder was er een lage mate
van competitie waardoor inefficiente producenten niet werden geëlimineerd uit de markt.
Als we kijken naar het netwerk wat de verschillen thuis in dustrien aan elkaar verbond heeft
men hierbij de koopman (merchant- entrepreneur). Wat deze deed was dat hij langs huizen
ging met goederen, ruw of semi products en deze liet upgraden door de mensen thuis en
het daarna weer verkocht. Men werd betaald in hoeveel producten men afleverde, dit komt
omdat het moeilijk is om te controleren hoeveel men per uur werkt. De koopman
uitbestede dus het werk/ subcontracting. Deze structuur beschreef men ook wel als het
putting-out system / cottage industry.
Naar mate men meer specialiseerde in productie van een bepaald product gingen ook
verschillende groepen zich samenvoegen in een vakgroep ook wel genoemd een gilde. Een
gilde is een quasi enterprise dat de kapitaal en arbeiders bij elkaar bracht. Ze hadden
daarbij controle over kwaliteit en wie toegelaten werd tot de industrie. Gilden zorgde verder
voor een minimaal loon en een stabiel inkomen voor de bedrijven met hun werknemers die
gelinkt waren aan het gilde. De structuur in het gilden was op leeftijd en status gebaseerd
en niet op skills. Doordat gilden bepaalde wie er wel niet toegelaten werden reguleerde zij
de supply van goederen, het negatieve effect van de gilde was dat het kon zorgen voor
weinig innovatie omdat er geen tot weinig competitie was tussen de bedrijven.
De industriele revolutie
Wanneer de industriele revolutie aanbreekt zien we dit terug in een paar fenomen, de
eerste is dat er een vaste groei van het GDP per hoofd van de bevolking ontstaat. Daarnaast
zien we een demografische verandering plaats vinden. Doordat de levenstandaart groeit per
generatie inplaats van dat het constant blijft daalt de death rate alleen blijft in eerste
instantie de birth rate hetzelfde. Dit zorgde voor een enorme groei van de populatie. Door
het door ontwikkelen van het land zien we dat de birth rate daalt en de populatie
stabiliseert op een bepaald niveau. De birth rate daalt door een hogere mate van educatie
en de mogelijkheid voor vrouwen om te gaan werken.
, Als laatste zien we dat een verandering van de structuur van het land ook veranderd van
een economie gericht op landbouw naar een economie die gebasseerd is op industrie en
services. Als een land volledig geindustrialiseerd is is het meer gefocust op services dit komt
doordat industrialisatie zorgt voor beter betaalde banen waardoor er mee disposable
income is en dit zoekt zijn uitweg in de service sector. De vraag die nog onbeantwoord blijft
is natuurlijk wat is de industriele revolutie specifiek. De indisturiele revolutie kan gezien
worden als een scherpe verandering van technologische toepassing. We zien dat in deze
bepaalde periode er een sterke opkomst was van techonologische ontwikkelingen, denk
bijvoorbeeld aan stoom machine en machinen die het spinnen van garen versimpelde,
efficienter maakte. Voor de industriele revolutie maakte men alleen gebruik van wind water
en dierlijke kracht als energie bron maar door de uitvinding van stoom energie kon men dit
vervangen en was men niet meer afhankelijk waar die bepaalde bronnen van stroom te
vinden waren maar kon men vrij zijn fabriek vestigen. De enige beperking die aanwezig was
is dat het treinstelsel nog niet heel ver ontwikkeld was waardoor men de fabriek in de buurt
van een koolmijn moest plaatsen aangezien men kool gebruikt bij stoommachines. Het
voordeel van stoom energie is dat dit een betrouwbaardere energie bron is dan de andere
drie soorten waardoor men dag in dag uit kon produceren.
Een andere ontwikkeling die plaats vond was dat kapitaal goedkoper was dan arbeid
waardoor men machinen ging ontwikkelen die zorgden dat men efficienter kon werken en
minder man kracht nodig had, dit gebeurde voor het eerst in de katoen spin industrie.
We kunnen de industrial revolution tot nu opdelen in drie delen:
1. Steam and the First Industrial Revolution (1780-1850)
2. Electricity and the Second Industrial Revolution (1870-1913)
3. ICT and the Third Industrial Revolution (1970-…)
Met de ontwikkeling van de fabrieken ontstond de factory system. De factory system
ontstaat in de UK ongeveer in het begin van de 18de eeuw, er ontstaan dan een paar grote
fabrieken met 300 tot 800 mensen. Dit zijn over het algemeen scheepsbouwbedrijven,
verder wordt veel werk nog vanuit huis gedaan. In de 19de eeuw komen dan ook de katoen
weverijen bij tot men 900 fabrieken hiervan heeft met zo ongeveer 50 tot 300 werknemers.
Halverwege de 19de eeuw, 1830 werken in de fabrieken in Manchester zo’n 400 tot 5000
mensen. Er kwamen door de tijd steeds meer fabrieken bij totdat men in 1914 in west
europa niet meer thuis werkte. De factory system is het werken vanuit een fabriek inplaats
vanuit huis, de voordelen die hieruit voortkwamen waren:
• Economies of scale and scope = Door de schaalvergroting en specialisatie, gaat een
fabriek een product produceren in een grote hoeveelheid, hierdoor drukken ze de
MC. Door de schaalvergroting stijgen de fixed costs wel waardoor het langer duurt
om deze eruit te krijgen, dit zorgde ervoor dat kapital intensieve industrie nog
capitaal intensiever werden waarbij andere type industrien juist switchten naar een
hogere mate van kapitale intensiviteit. Verder zien we daarbij dat bedrijven met een
backward en forward linkage clusteren op dezelfde plek en dit voor een hogere
winstmarge zorgt.
• Monitoring costs = de monitor cost dalen doordat men op een plek opereren,
hierdoor kan men een uurloon gaan hanteren inplaats van een per stuk loon. Dit
komt door dat een supervisor de arbeiders kan controleren op het productieproces
waardoor men een efficientere productie keten krijgt.