oplost gaat het water er onvoldoende/onregelmatig omheen zitten. Het contactoppervlak van het
deeltje met water/oplosmiddel is heel erg laag. Een deeltje is meestal niet mooi sferisch/rond maar
onregelmatig. Bij onregelmatige deeltjes zit er lucht rondom het deeltje. Door de onregelmatige vorm
is het contactoppervlak met je deeltje heel erg laag. Er is veel lucht rondom het deeltje aanwezig.
Door de aanwezige lucht krijg je een sferisch deeltje waardoor de dichtheid afneemt. Door de lucht
neemt de dichtheid af, de dichtheid wordt kleiner dan die van water. Lucht is zeer hydrofoob. Als je
deeltje niet goed bevochtigd is, er zit te weinig water rondom het deeltje, zal het deeltje naar boven
drijven. In plaats van uit te zakken zal er door het lucht wat er om heen blijft zitten gaat het deeltje
naar boven drijven , oftewel oproming.
Door oproming gaat je deeltje/geneesmiddel boven water drijven omdat hij te hydrofoob is om door
te water te bevochtigd worden. Dit heeft direct met de Wet van Young te maken. Je moet iets gaan
toevoegen om de bevochtigen te verbeteren. -> bevochtiger!
Je gaat geen emulgator toevoegen.
,DLVO THEORIE
Evenwicht tussen aantrekking en afstoting. Hoe dichter twee deeltjes elkaar naderen hoe meer
aantrekking/afstoting. Je wilt niet bij het primair minimum zitten.
Bij het secundair minimum wil je zitten. Daar zijn de deeltjes zo ver uit elkaar dat ze een homogeen
systeem vormen, ze vormen geen aggregaten maar gaan ook geen individuele deeltjes vormen. Ze
klonteren niet samen en gaan dan niet uitzakken. Je hebt bij het sec. minimum perfecte vlokkerig. Je
wilt dat ze goed verdeeld over de vloeistof zit. Je wilt dat ze op een bepaalde afstand van elkaar
zitten, hoe meer deeltjes in de suspensie hoe meer ze tegen elkaar aanduwen en dus hoe groter het
risico op aggregaten/klontering. Je moet daarom oplossen met te hoge concentraties. Meestal zit je
ver onder deze kritische concentratie (niet alleen je farmacie, maar het totaal aantal deeltjes). Bij eht
maken van de suspensie hoef je hier geen rekening mee te houden.
Een systeem streeft altijd naar de laagste energietoestand. Je hebt twee energietoestanden; primair
minimum en secundair minimum. Als je gaat opschudden (suspensies moet je altijd opschudden). Als
je opschud voeg je energie toe en je moet ervoor zorgen dat de energie die je toevoegt door te
schudden niet genoeg is om over de energieberg te gaan die na het primair minimum gaat.
Je wilt dat de deeltjes goed bevochtigd wordt en dat de deeltjes elkaar afstoten. Daarnaast wil je ook
niet te kleine deetjes.
In het secundair minimum is je deeltje redelijk kinetisch stabiel, maar niet fysisch stabiel!
Je hebt dus een afweging. Je wilt hem fysisch stabiel bewaren maar kinetisch stabiel toedienen. Je
moet iets gaan toevoegen waardoor deeltjes elkaar gaan afstoten.
,Je wilt fysisch stabiele suspensie krijgen. Hierin aggregeren deeltjes niet. Als je een hydrofoob deeltje
als fenytoine in oplossing doet krijg je aggregatie, vanwege het feit dat het water uitdrijft.
Je wilt dus
-Goede bevochtiging
- Deeltjes stoten elkaar af
Oswalt Ripening
Je hebt deeltjes in oplossing. Bij hogere temperaturen lossen kleinere deeltjes op. Bij lage
temperatuur slaan de kleine deeltjes neer omdat je de maximale oplosbaarheid bereikt. Je wilt nooit
temperatuurschommelimgen bij suspensies.
Deeltjes lossen eerder op als ze een klein oppervlak hebben, maar die slaan neer op grotere
oppervlak. Via oplossen en neerslaan worden kleinere deeltjes steeds kleiner en grotere deeltjes
steeds groter. Dit wil je voorkomen. De grotere deeltjes zakken uit naar de boven terwijl de kleine
deeltjes in oplossing blijven/zweven.
Verschil tussen aggregatie en Oswalt-Ripening.
Aggregatie is het klonteren van deeltjes die niet opgelost zijn. Oswalt ripening is het groter en klein
worden van deeltjes door in oplossing te gaan en neer te slaan. Grotere deeltjes worden groter en
kleinere deeltjes worden kleiner.
FNA suspensie 15mg/ml
In een basesuspensie FNA kan je alle stoffen toevoegen die slecht oplosbaar zijn. Het is gemaakt om
verschillende concentraties farmacon in te verwerken. Of je 15 mg/ml 0f 60 mg/ml toevoegt maakt
niet uit, de (netto) dosering van je hulpstoffen blijft gelijk.
, Bijna alle hulpstoffen hebben 2 functies.
Citroenzuurmonohydraat:
Citroenzuurmonohydraat is negatief geladen. Gaat om fenytoine heen zitten. Hij doet dit NA
aluminiummagnesiumsilicaat.
- Lichte pH regulatie
- Peptiserende stof
Aluminiummagnesiumsilicaat
Bestaat uit silicium (zand) die aluminium en magnesium kationen langzaam afgeven. Deze positieve
ionen gaan om het negatieve geldladen fenytoine zitten. Al+++ en Mg++ zijn zeer sterke kationen. Er
gaat een schild van citroenzuur later omheen zitten. De positieve kationen die om het fenytoine gaan
zitten zijn aluminium en magnesium. Daarna zorgt voor citroenzuurmonohydraat voor negatieve