HET BRITSE RIJK 1620-1900
Legenda
Hoofstuk
Jaartallen
Begrippen
Personen
Landen
Kenmerkend aspect
1
,Groot-Brittannie koloniseert Amerika en begint driehoekshandel 1585-1833•
Vanaf eind zestiende eeuw(1500) → kolonisten naar Nieuwe Wereld (Amerika).
Motieven: zoeken
1. politieke & religieuze vrijheid.
2. Zoektocht naar beter leven vanwege herverkaveling (samenvoeging) landbouwgronden)
→ gevolg: armoede bij sommige boeren. Te weinig geld voor overtocht → contracten met
handelsondernemingen - contractarbeiders voor periode van 4 tot 7 jaar.
Driehoekshandel is lucratief (winstgevend) → Royal African Company (RAC) → monopolie
(alleenrecht) op handel langs westkust Afrika - handel in slaven. Plantageproducten (zoals katoen,
suiker & tabak) naar Engeland. Met wat fantasie ontstaat dan een driehoek → zie kaart Britse
Driehoekshandel (blz. 22).
India wordt na 1783 de belangrijkste kolonie.
Na ontstaan Verenigde Staten (na onafhankelijkheidsoorlog(4-7-1776) →tussen Engeland George
III en kolonisten→ vrede van Parijs, 1783) meer aandacht van Groot-Brittannië voor India.
2
, Random info
7. de confrontatie tussen de Grieks-Romeinse cultuur en de Germanse cultuur van Noordwest Europa; de ontwikkeling van het jodendom
en het christendom als de eerste monotheistische godsdiensten.
18, het begin van de Europese overzeese expansie;
19. het veranderende mens- en wereldbeeld van de renaissance en het begin van een nieuwe
wetenschappelijke belangstelling;
22, het conflict in de Nederlanden dat resulteerde in de stichting van een Nederlandse staat,
23. het streven van vorsten naar absolute macht;
25. wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie;
26. de wetenschappelijke revolutie.
27. rationeel optimisme en 'verlicht denken' dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en
sociale verhoudingen;
29. uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekolonien en de daarmee verbonden trans-atlantische
slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme;
30. de democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten,grondrechten en staatsburgerschap.
31. de industriële revolutie die in de westerse wereld de basis legde voor een industriële samenleving;
32. discussies over de 'sociale kwestie';
33. de moderne vorm van imperialisme die verband hield met de industrialisatie;
34. de opkomst van emancipatiebewegingen;
35, voortschrijdende democratisering, met deelname van steeds meer mannen en vrouwen aan hetpolitieke proces;
36. de opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, socialisme,confessionnalisme en feminisme.
37. de rol van moderne propaganda- en communicatiemiddelen en vormen van massaorganisatie;
38. het in praktijk brengen van de totalitaire ideologieen communisme en fascisme/nationaalsocialisme;
39. de crisis van het wereldkapitalisme;
40. het voeren van twee wereldoorlogen;
41. racisme en discriminatie die leidden tot genocide, in het bijzonder op de joden
44. vormen van verzet tegen het West-Europese imperialisme,
1