Casus 4; ver-klaring
Moeilijke woorden
Probleemstellingen
- Hoe lang duurt het voordat een medicijn is afgebroken?
- Waarom sommige stoffen parenteraal moeten en de andere niet?
- Hoe ontstaat een gestoorde klaring
- Lipofiel en hydrofiel
- Hoe meet je de nierfunctie
- Estimated GFR
Brainstorm
- Creatinefosfaat is energiedrager in de spieren, afbraakproduct daarvan is creatinine
dat wordt uitgeplast. hoog creatininegehalte in het bloed → slechte nierfunctie
- Neusspray gaat niet naar de maag, want je wilt het in het bloed hebben → gaat naar
holtes in het gezicht en die zijn dan verbonden met het bloed.
- Corticosteroïden zijn vet oplosbaar.
- Als je groot verdeel volume dan heb je een hogere halfwaardetijd en die
halfwaardetijd die meet je in het bloed.
- Iemand met meer vet een ander soort medicijn. Ook aan kinderen bijvoorbeeld ander
medicijn.
- Slechte nierfunctie → dosering van medicijn verhogen
- Functie en klaring is heel erg belangrijk
Leerdoelen
1) Hoe zijn vocht en endogene lichaamsstoffen verdeeld over de
lichaamscompartimenten?
2) Het begrip van de opname en verdeling van niet lichaamseigen stoffen zoals vet, bot
en water? (Verdelingsvolume, lipofiel, hydrofiel en hydrofoob)
3) Hoe werkt de klaring? (definitie, halfwaardetijd, eenvoudige kinetiek)
4) Hoe zien plasmaconcentratiecurves eruit bij orale of intraveneuze toediening van een
medicijn?
5) Wat is de relatie tussen de halfwaardetijd en een verdelingsvolume?
6) Welke organen kunnen klaren en hoe doen ze dit? (nier, lever en longen)
7) Het gebruik van nierklaring van inuline en creatine om de GFR te bepalen?
8) Het gebruik van plasmacreatine om de GFR te schatten? (formules)
9) Het gebruik van PAH (para amino hippuurzuur) nierklaring om renale plasmaflow te
bepalen?
10) Herhaling van het belang van GFR voor de nierfunctie en het begrip filtratiefractie?
Bronnen
https://www.icp.org.nz/
Uitwerken leerdoelen
1) Hoe zijn vocht en endogene lichaamsstoffen verdeeld over de
lichaamscompartimenten?
, In het lichaam wordt water naar 3 verschillende compartimenten getransporteerd. Ieder
lichaam bestaat voor ongeveer 50-70% water en is afhankelijk van lichaamsgewicht, gender,
vetweefsel en leeftijd. Vrouwen hebben bijvoorbeeld relatief meer vetweefsel en minder
skeletspierweefsel waardoor zij minder water bevatten. Skeletspierweefsel bevat namelijk
75% water en vetweefsel maar 20%. Bijna 2/3 van het volume zit in het intracellulaire vocht
(ICF) compartiment. Het overige deel, 1/3 bevindt zich in het extracellulaire vocht (ECF)
compartiment. Dit compartiment is te verdelen in plasma, transcellulair vocht (vocht met een
specifieke functie, zoals cerebrale vloeistof of vloeistof in de gewrichten) en interstitiële vocht
(IF). Water dient als universeel oplosmiddel voor verschillende stoffen. Deze stoffen kunnen
weer worden onderverdeeld;
- Niet elektrolyten hebben bindingen die voorkomen dat ze dissociëren in een
oplossing, daarom krijgen deze geen lading wanneer ze oplossen. Het zijn de
meeste organische moleculen zoals glucose, vetten, creatinine en ureum.
- Elektrolyten zijn chemische bindingen die dissociëren in ionen als ze opgelost zijn in
water. Ze omvatten anorganische zouten, anorganische en organische zuren en
basen en een paar eiwitten.
Ongeacht de opgeloste stof, beweegt water volgens de osmotische gradiënt. De elektrolyt
concentratie van lichaamsvocht wordt meestal uitgedrukt in milliequivalent per liter (mEq/L).
Vocht verplaatsing tussen compartimenten
Osmotische en hydrostatische drukken reguleren de continue uitwisseling en menging van
lichaamsvocht. Water kan vrij bewegen tussen de compartimenten en volgen daarbij de
osmotische gradiënt.
Uitwisseling tussen plasma en IF over capillair membraan → De hydrostatische druk drukt
bijna eiwitvrij plasma uit het bloed in de interstitiële ruimte. Dit gefiltreerde vocht wordt dan
vrijwel compleet geresorbeerd in de bloedstroom als reactie op de colloïd osmotische druk
van de plasma eiwitten. Onder normale omstandigheden pikken lymfatische vaten het
nettoverlies van vocht op en brengen het terug naar het bloed.
Uitwisseling tussen IF en ICF over het plasmamembraan → Is afhankelijk van de
permeabiliteit van het plasmamembraan. Watertransport is meestal geen probleem maar
ionstromen zijn gereguleerd en vaak gekoppeld aan actief transport of verplaatsing door
kanalen (figuur 1 en 2).
Verplaatsing medicijnen
Medicijnen kunnen op twee manieren door het lichaam bewegen;
- Bulk flow is via bloedstroom, lymfe of via cerebrospinale vloeistof. Chemische aard
van de stof heeft geen effect op het transport.
- Diffusie is molecuul voor molecuul over korte afstanden. De mogelijkheid om te
kunnen diffunderen door een hydrofoob membraan is afhankelijk van de
vetoplosbaarheid.
Verplaatsing door cel barrière
De vier manieren voor kleine moleculen om het celmembraan te passeren;
- Diffusie door lipiden
- Solute carrier of andere membraan transporter
- Diffusie door aquaporines
- Door pinocytose (blaasje)
Moeilijke woorden
Probleemstellingen
- Hoe lang duurt het voordat een medicijn is afgebroken?
- Waarom sommige stoffen parenteraal moeten en de andere niet?
- Hoe ontstaat een gestoorde klaring
- Lipofiel en hydrofiel
- Hoe meet je de nierfunctie
- Estimated GFR
Brainstorm
- Creatinefosfaat is energiedrager in de spieren, afbraakproduct daarvan is creatinine
dat wordt uitgeplast. hoog creatininegehalte in het bloed → slechte nierfunctie
- Neusspray gaat niet naar de maag, want je wilt het in het bloed hebben → gaat naar
holtes in het gezicht en die zijn dan verbonden met het bloed.
- Corticosteroïden zijn vet oplosbaar.
- Als je groot verdeel volume dan heb je een hogere halfwaardetijd en die
halfwaardetijd die meet je in het bloed.
- Iemand met meer vet een ander soort medicijn. Ook aan kinderen bijvoorbeeld ander
medicijn.
- Slechte nierfunctie → dosering van medicijn verhogen
- Functie en klaring is heel erg belangrijk
Leerdoelen
1) Hoe zijn vocht en endogene lichaamsstoffen verdeeld over de
lichaamscompartimenten?
2) Het begrip van de opname en verdeling van niet lichaamseigen stoffen zoals vet, bot
en water? (Verdelingsvolume, lipofiel, hydrofiel en hydrofoob)
3) Hoe werkt de klaring? (definitie, halfwaardetijd, eenvoudige kinetiek)
4) Hoe zien plasmaconcentratiecurves eruit bij orale of intraveneuze toediening van een
medicijn?
5) Wat is de relatie tussen de halfwaardetijd en een verdelingsvolume?
6) Welke organen kunnen klaren en hoe doen ze dit? (nier, lever en longen)
7) Het gebruik van nierklaring van inuline en creatine om de GFR te bepalen?
8) Het gebruik van plasmacreatine om de GFR te schatten? (formules)
9) Het gebruik van PAH (para amino hippuurzuur) nierklaring om renale plasmaflow te
bepalen?
10) Herhaling van het belang van GFR voor de nierfunctie en het begrip filtratiefractie?
Bronnen
https://www.icp.org.nz/
Uitwerken leerdoelen
1) Hoe zijn vocht en endogene lichaamsstoffen verdeeld over de
lichaamscompartimenten?
, In het lichaam wordt water naar 3 verschillende compartimenten getransporteerd. Ieder
lichaam bestaat voor ongeveer 50-70% water en is afhankelijk van lichaamsgewicht, gender,
vetweefsel en leeftijd. Vrouwen hebben bijvoorbeeld relatief meer vetweefsel en minder
skeletspierweefsel waardoor zij minder water bevatten. Skeletspierweefsel bevat namelijk
75% water en vetweefsel maar 20%. Bijna 2/3 van het volume zit in het intracellulaire vocht
(ICF) compartiment. Het overige deel, 1/3 bevindt zich in het extracellulaire vocht (ECF)
compartiment. Dit compartiment is te verdelen in plasma, transcellulair vocht (vocht met een
specifieke functie, zoals cerebrale vloeistof of vloeistof in de gewrichten) en interstitiële vocht
(IF). Water dient als universeel oplosmiddel voor verschillende stoffen. Deze stoffen kunnen
weer worden onderverdeeld;
- Niet elektrolyten hebben bindingen die voorkomen dat ze dissociëren in een
oplossing, daarom krijgen deze geen lading wanneer ze oplossen. Het zijn de
meeste organische moleculen zoals glucose, vetten, creatinine en ureum.
- Elektrolyten zijn chemische bindingen die dissociëren in ionen als ze opgelost zijn in
water. Ze omvatten anorganische zouten, anorganische en organische zuren en
basen en een paar eiwitten.
Ongeacht de opgeloste stof, beweegt water volgens de osmotische gradiënt. De elektrolyt
concentratie van lichaamsvocht wordt meestal uitgedrukt in milliequivalent per liter (mEq/L).
Vocht verplaatsing tussen compartimenten
Osmotische en hydrostatische drukken reguleren de continue uitwisseling en menging van
lichaamsvocht. Water kan vrij bewegen tussen de compartimenten en volgen daarbij de
osmotische gradiënt.
Uitwisseling tussen plasma en IF over capillair membraan → De hydrostatische druk drukt
bijna eiwitvrij plasma uit het bloed in de interstitiële ruimte. Dit gefiltreerde vocht wordt dan
vrijwel compleet geresorbeerd in de bloedstroom als reactie op de colloïd osmotische druk
van de plasma eiwitten. Onder normale omstandigheden pikken lymfatische vaten het
nettoverlies van vocht op en brengen het terug naar het bloed.
Uitwisseling tussen IF en ICF over het plasmamembraan → Is afhankelijk van de
permeabiliteit van het plasmamembraan. Watertransport is meestal geen probleem maar
ionstromen zijn gereguleerd en vaak gekoppeld aan actief transport of verplaatsing door
kanalen (figuur 1 en 2).
Verplaatsing medicijnen
Medicijnen kunnen op twee manieren door het lichaam bewegen;
- Bulk flow is via bloedstroom, lymfe of via cerebrospinale vloeistof. Chemische aard
van de stof heeft geen effect op het transport.
- Diffusie is molecuul voor molecuul over korte afstanden. De mogelijkheid om te
kunnen diffunderen door een hydrofoob membraan is afhankelijk van de
vetoplosbaarheid.
Verplaatsing door cel barrière
De vier manieren voor kleine moleculen om het celmembraan te passeren;
- Diffusie door lipiden
- Solute carrier of andere membraan transporter
- Diffusie door aquaporines
- Door pinocytose (blaasje)