nis
TIJDVAK 1-10
HISTRORISCHE CONTEXT DE LAGE LANDEN, DE VERLICHTING, CHINA,
DUITSLAND IN EUROPA
1
, Hoofdstuk 1/tijdvak 1
Algemene informatie:
Tijdvak 1: tijd van jagers en boeren, tot 3000 v.C. (prehistorie).
Kenmerkende aspecten:
1a) de levenswijze van jagers-verzamelaars;
1b) het ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen;
1c) het ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen.
Uit deze tijd zijn nog geen geschreven bronnen te vinden, waardoor we spreken over de
prehistorie (de tijd voor de geschiedenis). De moderne mens (homo sapiens) maakte meer
gespecialiseerde gereedschappen en wapens dan zijn voorgangers (voor 100.000 v.C.). Ze
gebruikte daarvoor meer verschillende materialen en maakte grotschilderingen. De bronnen
zijn dus ongeschreven en primair (= uit de tijd zelf en uit de ‘’eerste hand’’). De prehistorie
eindigt dan ook wanneer de mens gaat schrijven.
Kleine samenvatting tijdvak:
In de loop van de geschiedenis gaan mensen in grotere groepen samenleven. Door de
overgang van kleine groepen rondtrekkende jagers en verzamelaars naar steeds grotere
groepen landbouwers, die op een plek samenwonen waar zij onder andere potten aardwerk
maken om landbouwproducten in te bewaren, veranderen de economische verhoudingen en
sociale verbanden tussen de mensen.
Tijdlijn met genoemde jaartallen uit het hoofdstuk/tijdvak:
140.000 v.C. homo sapiens in Afrika;
100.000 v.C. homo sapiens in Azië;
40.000 v.C. homo sapiens in Europa;
120.000 – 10.000 v.C. de laatste ijstijd;
9000 – 6000 v.C. het ontstaan van de landbouwsamenleving;
3300 v.C. eerste steden in Soemerië +spijkerschrift
3100 v.C. eerste steden in Egypte + hiërogliefen;
Rond 3000 v.C. eerste staat in Egypte;
2000 v.C. eerste staat in Mesopotamië.
Paragraaf 1.1
Onderzoek heeft uitgewezen dat de meeste boeren harder moesten werken om aan hun
voedsel te komen dan de jagers en verzamelaars, aangezien zij de wilde planten etc., dat hun
voedsel vormde, niet hoefden te onderhouden en een boer wel.
2
,De manier van levenswijze was dus heel anders en kenmerkend voor de jagers-verzamelaars
(1a) was:
- Leefden van jagen en verzamelen;
- Ze waren nomaden (ze trokken rond);
- Leefden in kleine groepen;
- Er was taakverdeling tussen man en vrouw;
- Er was onderlinge handel;
- Er waren nauwelijks sociale verschillen.
Tussen 9000 en 6000 v.C. ontstonden in het Midden-Oosten geleidelijk de eerste
landbouwsamenlevingen, maar doordat dit zoveel heeft betekent, wordt er toch gesproken
van een revolutie (neolithische revolutie; wordt ook wel zo genoemd, omdat men nieuwe
gepolijste stenen ging gebruiken als gereedschap).
Er kwam een overschakeling van een zwervend naar sedentair bestaan (1b). Er was sprake
van een geleidelijke ontwikkeling van Jagers-Verzamelaars naar landbouw (N.B.)
Op het einde van de laatste ijstijd ontstond er veel regenval en daardoor vruchtbaar gebied:
1. Klimaatverandering gaf de aanzet tot de overgang naar landbouw. Door de
vruchtbare grond kwamen er nederzettingen, maar door verdere klimaatverandering
was er sprake van droogte en koudheid (geen eetbare planten). Echter wilde ze niet
weg en moesten ze zelf manieren vinden om te ‘produceren’.
2. Door de bevolkingsgroei was de natuur uitgeput en werd de mens gedwongen tot
zelfproductie.
Er waren ook nadelen van landbouw:
- Eenzijdig voedsel en/of mislukte oogst leidde tot ondervoeding;
- Rugklachten (ze werden vaak veel kleiner);
- Door bevolkingstoename groeide het risico op infectieziekten (vee nam ook ziektes
mee);
- Er ontstonden sociale verschillen (de een kreeg meer bezit dan de ander).
Ook nam de landbouwrevolutie gevolgen met zich mee:
- Bevolkingsgroei;
- Sedentair bestaan bevorderde de ontwikkeling van de veeteelt;
- Stimulatie uitvinding nieuwe technieken.
N.B. ‘de mens zette de natuur steeds meer naar zijn hand’; het middel van bestaan (de
manier hoe mensen in leven blijven) verandert.
- politiek (bestuur): jagen en verzamelen.
- economie (middel van bestaan): klein nomadische groepen, geen georganiseerd bestuur.
- sociaal (verhoudingen): weinig sociale verschillen, wel strikte rolverdeling man en vrouw.
- cultuur (denken en uiting van): magische jacht- en vruchtbaarheidsrituelen en grafgiften.
Paragraaf 1.2
3
, De vroegere steden ontstonden rond 3300 v.C. in Soemerië, het zuidelijke gedeelte van
Mesopotamië.
Het ontstaan van de steden (1c) had te maken met de vruchtbare grond in het gebied van de
halve maan.
De vruchtbaarheid dankte het gebied aan de overstromingen van de Tigris en de Eufraat; hier
bleef een laagje slib achter en doordat de boeren gebruik maakte van irrigatie leverde
landbouw overvloedige oogsten op. Niet iedereen hoefde zich meer bezig te houden met
landbouw, waardoor er nieuwe beroepen ontstonden (ontstaan nijverheid en handel).
Mensen specialiseerde zich en raakte afhankelijk van elkaar. Sommige dorpen ontwikkelde
zich tot een stedelijke landbouwsamenleving met stenen huizen en stadsmuren. (N.B.-
specialisatie).
Kortom, er ontstond een stedelijke samenleving waarin niet alleen sprake was van
arbeidsverdeling, maar ook van een hiërarchie. Er ontstonden verschillende sociale lagen, die
van elkaar verschilden in rijkdom en macht (koning -> priester -> ambachtslieden -> boeren -
> slaven).
Door de complexe samenleving had men een goed bestuur nodig met een stadbestuur met
duidelijke taken, wat gebeurde met hulp van ambtenaren.
Na het ontstaan van de steden in Mesopotamië kwam in Egypte de verstedelijking ook op
gang. De omstandigheden waren daar vergelijkbaar. Het klimaat was daar overwegend droog
en heet en er stroomde een belangrijke rivier door het land, de Nijl, waardoor de oevers heel
vruchtbaar waren.
De ontwikkeling van de steden en het schrift ontwikkelde zich tegelijkertijd. Het is namelijk
moeilijk een stad te besturen als je niks kunt noteren. Bijvoorbeeld priesters hadden een
schrift nodig oor goede administratie voor tempelcomplexen en de koning bijvoorbeeld voor
belastingheffing en uitbetaling van het leger.
Het schrift was wel geen makkelijke zaak, wat laat zien dat de manier waarop mensen zich
organiseerde steeds complexer werd, en het schrift kon eerst maar gelezen worden door een
kleine elite. Dit veranderde geleidelijk. Het einde van de prehistorie is dus verschillend voor
elk land.
- politiek (bestuur): dorpen werden waarschijnlijk bestuurd door dorpsoudsten en priesters.
- economie (middel van bestaan): landbouw; akkerbouw en veeteelt.
- sociaal (verhoudingen): sedentaire revolutie (vaste woonplaats) en ontstaan sociale
verschillen.
- cultuur (denken en uiting van): magische rituelen en veel uitvindingen (eerste kalenders en
schrift).
Paragraaf 1.3
Een staat is een afgebakend gebied met een centraal bestuur (1) met een rechtssysteem dat
voor het hele gebied geldt (2) en een geweldsmonopolie heeft (3).
4