Student PABO inholland
Paus, H. (red.) (2018). Portaal. Praktische taaldidactiek voor het primair onderwijs
,Hoofdstuk 4 mondelinge taalvaardigheid
4.1 Achtergronden
Mondelinge taalvaardigheden zijn van cruciaal belang om in onze
samenleving te functioneren. Ze vormen de belangrijkste verbindingen
van de wereld. Via mondelinge taalvaardigheden communiceer je met
jezelf (intrapersoonlijke communicatie) en met anderen,
(interpersoonlijke communicatie).
Met mondelinge taalvaardigheden ben je in staat om nieuwe informatie en
kennis op te doen en te delen met anderen, ook stellen mondelinge
taalvaardigheden je in staat om expressie te geven aan wat je denkt en
voelt. Alle kinderen die geboren zijn met een goed functionerende
spraakorgaan en een goed gehoor, leren de taal die in hun omgeving
gesproken wordt. Mondelinge taalvaardigheden ontwikkelen zich niet
vanzelf, kinderen hebben een omgeving nodig waarin ze taal horen en
waarin ze kunnen experimenteren met taal. Kinderen zijn al ‘’experts’’ in
mondelinge taal als ze naar de bassischool gaan. Via luisteren en kijken
imiteren jonge kinderen hun ouders en leiden ze wetmatigheden in de taal
af die vervolgens experimenterend gebruiken.
Luistervaardigheid
We spreken van luistervaardigheden wanneer de luisteraar in staat is wat
hij hoort te begrijpen, te interpreteren en te integreren in de eigen kennis
of om te zetten in handelingen. Luisteren doen we ‘’moeiteloos’’, in
werkelijkheid komt hier veel bij kijken. Om te beginnen wordt een
geluidenreeks door je oren opgevangen en door je hersenen geanalyseerd
tot een reeks taalklanken waaraan een betekenis wordt toegekend. We
doen dit zonder erbij na te denken (als de taal bekend voor je is). Dit wordt
lastig als het gaat om een voor jou onbekende taal. Nog complexer is het
om al luisterend de structuur en de samenhang tussen woorden, zinsdelen
en zinnen te ontdekken en te onthouden. Luisteren is een redelijk
complexe vaardigheid. Dit komt ook doordat we niet alles kunnen
onthouden wat we gehoord hebben. Ons werkgeheugen kan dit helemaal
niet aan. Daarom leren we om te focussen, hoofdzaken van bijzaken te
onderscheiden, gericht te luisteren en tussen de regels door te luisteren.
Al deze aspecten maken deel uit van luistervaardigheden en worden
daarom deelvaardigheden genoemd. Luisteren in een tweede taal vraagt
om meer energie en concentratie van de hersenen.
Er zijn twee manieren van luisteren, passief en actief luisteren. Als
iemand in een volle zaal naar een toespraak van een interessante spreker
luistert, dan hoeft hij de spreker geen signalen te geven om hem te laten
weten dat hij goed oplet. We zeggen dan dat de luisteraar passief kan
luisteren. Bij actief luisteren laat de luisteraar op een actieve wijze merken
dat hij luistert, bijvoorbeeld door te knikken.
,Spreekvaardigheid
Spreken doe je met je spreekorganen. Je vormt de mondholte en in je keel
en al dan niet met je stembanden de klank zodanig dat de luisteraar wat
hij hoort herkent als een reeks taalklanken waar hij een betekenis aan kan
koppelen. Spreken bestaat uit meerdere elementen:
1. Je moet de juiste klank kunnen produceren. Hierbij gaat het om
spreektechniek (een goede uitspraak, een duidelijke articulatie en
een begrijpelijke intonatie)
2. Je moeten weten welke klankenreeks bij welke betekenis hoort. Je
moet woorden kennen om via spraak iets duidelijk te kunnen maken.
3. Je moet woorden in logische zinnen kunnen plaatsen.
Een hogere trap van spreken is het vertellen van een logisch verhaal.
Iedereen ontwikkelt binnen zijn taalomgeving zijn eigen unieke taal en
iedereen spreekt dan ook op een manier die heel eigen en persoonlijk is.
Dat is al bij jonge sprekers waarneembaar. Bij volwassenen bestaan
eveneens grote verschillend in spreekvaardigheid. De klankkleur, het
accent en de woordkeus en vooral de non-verbale communicatie bepalen
in belangrijke mate hoe iemand beoordeeld wordt. Ook de status van de
spreker is van invloed op de waarderingen. Zo krijgt een bekende politicus
die een verhaal vertelt van zijn partijgenoten meestal waardering.
Gespreksvaardigheid
Spreken en luisteren vullen elkaar aan. Een gesprek is een voortdurende
wisselwerking tussen spreken en luisteren, waarbij de sprekers luisteraars
worden en omgekeerd. Een belangrijke factor in de gespreksvaardigheid
is, zoals we al zagen ook de mate waarin de spreker non-verbale
communicatie gebruikt en de luisteraar die correct interpreteert. Deze non
verbale vaardigheden worden ook wel tonen en kijken genoemd. Een
spreker spreekt woorden uit en toont tegelijkertijd zijn mimiek, houding en
gebaren. Bovendien toont hij zijn intonatie, klankkleur, ritme en klemtoon
(prosodische taal). De luisteraar luistert naar de prosodische taal en hij
kijkt naar de lichaamstaal. Op school krijgen kinderen te maken met meer
formelere gesprekssituaties. Daarin is het doel van het gesprek diverser en
de inhoud vaak complexer dan in alledaagse gesprekken en worden
gespreksregels expliciet aan de orde gesteld. Voor sommige kinderen is
het verschil tussen hoe thuis en op school gesproken wordt levensgroot.
Uit allerlei onderzoeken blijkt dat de non verbale aspecten in een gesprek
minstens zo belangrijk zijn als de verbale aspecten.
4.1.2 de rol van de school bij mondelinge taalontwikkeling
Onderwijs in mondelinge taalvaardigheid is gericht op enerzijds het
uitbreiden, verfijnen en verbeteren van de dagelijkse taalvaardigheid van
leerlingen en anderzijds het verwerven van schoolse taalvaardigheid.
Mondelinge taal is vluchtiger, minder afgedwongen dan schriftelijke taal.
, Zo worden in gesprekken zinnen vaak niet afgemaakt, zonder dat dat
invloed heeft op het begrip van gespreksdeelnemers. Bovendien is het
onderwerp van gesprek vaak relatief eenvoudig, veelal gaat het om zaken
die in de directe omgeving of ervaring van de spreker en de luisteraar. We
spreken in dat verband ook wel van omgangstaal. Op school komen
vaker dan thuis situaties aan bod waarbij de context abstracter is of zich
buiten de leefwereld van het kind bevind. In dat verband wordt er
gesproken van cognitief academisch taalgebruik in tegenstelling tot
dagelijks algemeen taalgebruik. Aan de motivatie van de leerlingen
om goed te leren spreken en luisteren, kan de school veel doen:
1. Leerlingen de ruimte geven om te communiceren
2. Bevorderen dat de leerlingen zich veilig voelen binnen de groep en
de school, zodat zij geen angst hebben om te spreken
3. Aansluiten bij het niveau van de leerlingen en proberen hen steeds
verder te brengen in hun ontwikkeling door aandacht te besteden
aan onderwijs in spreken, luisteren en gesprekken voeren.
4.2 visies
Leerkrachten gaan in hun onderwijs in mondelinge taalvaardigheid
impliciet of expliciet uit van een visie op wat goed onderwijs in mondelinge
vaardigheid is. Het is belangrijk dat een team zich ervan bewust is welke
plaats mondelinge taalonderwijs in de school heeft, welke doelen men wilt
bereiken en welke aanpak wordt gekozen. Het is van belang dat de
leerkracht doelgericht aandacht besteedt aan mondelinge taal. Ook
wanneer hij taal als middel gebruikt, moet hij zich ervan bewust zijn wat
dit betekent voor de taalontwikkeling van de leerlingen. De leerkracht
moet mondelinge taal betekenisvol en functioneel maken in een rijke
taalomgeving. Door gerichte feedback krijgen leerlingen de kans hun taal
te ontwikkelen in interactieve situaties waarin centraal staat hoe ze
vaardigheden kunnen uitbreiden.
4.3 doelen en inhouden
In de kerndoelen staat vermeld welk aanbod scholen moeten leveren om
het leerlingen mogelijk te maken een goed niveau te bereiken. Drie
kerndoelen gaan specifiek over onderwijs in mondelinge taalvaardigheden:
1. De leerlingen leren informatie te verwerven uit gesproken taal.
2. De leerlingen leren zich naar vorm en inhoud uit te drukken bij het
geven en vragen van informatie, het uitbrengen van verslag, het
geven van uitleg, het instrueren en bij het discussiëren.
3. De leerlingen leren informatie te beoordelen in discussies en in
gesprek dat informatief van karakter is en leren met argumenten te
reageren.