Uitwerkingen leerdoelen
,Leerdoel 1: “Een student kan typen en uitdagingen van metingen
herkennen en uitleggen” (1 kennis vraag)
Soorten testen:
Criterion-referenced: deze testen worden gebruikt om te kijken of
iemand voldoet aan een bepaald vereiste
Norm-referenced: deze testen worden gebruikt om te kijken hoe iemand
scoort ten opzichte van een normgroep.
Speeded tests: dit zijn tijd-gelimiteerde testen. Participanten moeten zo
veel mogelijk antwoorden geven en de vragen verschillen niet in
moeilijkheid
Power tests: hierbij is er geen sprake van tijdsdruk en is het wel de
bedoeling dat de participant alle vragen afrondt. De vragen verschillen in
moeilijkheid.
Uitdagingen voor metingen:
Het identificeren en omvatten van menselijke psychologische attributen in
een enkel getal
Participant reactiviteit. Het meten kan een invloed hebben op de
stemming van de participant. Denk hierbij aan demand characteristics,
sociaal gewenst antwoorden en malingering.
Objectiviteit. De wetenschappers kunnen beïnvloedt worden door bias en
bepaalde verwachtingen.
Composiete score; niet elk item weegt even zwaar
Score sensitiviteit. Een test kan niet altijd adequaat discrimineren
tussen hoeveelheden van een dimensie die worden gemeten.
Gebrek aan bewustzijn van psychometrische informatie. Mensen zijn zich
niet altijd bewust van wat een test nou precies meet, ondanks dat ze hem
wel gebruiken.
In psychologische metingen worden getallen gebruikt om het niveau aan te
duiden van een individu op een bepaalde psychologische eigenschap. Deze
numerieke waardes verschillen echter in de wijze waarop ze psychologische
attributen representeren. Problemen met getallen:
Eigenschap van identiteit
De meest fundamentele vorm van meting is het vermogen om gelijkenissen
versus verschillen te reflecteren. De eigenschap van identiteit stelt dat:
o Individuen binnen één categorie identiek zijn met betrekking tot
één specifiek psychologisch kenmerk
o Categorieën mutueel exclusief zijn; een individu kan zich niet in
meerdere categorieën tegelijk bevinden
o Ieder individu onder een categorie valt, er zijn geen grijze
gebieden of twijfelgevallen
De eigenschap van identiteit is kwalitatief
De eigenschap van volgorde
De eigenschap van volgorde geeft informatie over de relatieve kwantiteit van een
psychologische eigenschap die een persoon bezit. De bijbehorende getallen
,functioneren als kwalitatieve labels. Door de eigenschap van volgorde weten we
welk individu in meer of mindere mate een psychologische eigenschap bezit,
maar we weten niet hoeveel meer of minder.
De eigenschap van kwantiteit
Wanneer getallen de eigenschap van kwantiteit hebben, bieden ze informatie
over de exacte mate van verschillen tussen mensen. Op dit niveau reflecteren
getallen echte, daadwerkelijke getallen. Deze eigenschap is kwantitatief.
Het getal nul
o Absoluut nulpunt: het getal nul wil zeggen dat er daadwerkelijk niks is
(ratio)
o Arbitrair nulpunt: het getal nul wil niet zeggen dat er niks is (interval)
Galton’s antropometrie: de meting van fysieke eigenschappen om
psychologische eigenschappen te achterhalen.
, Leerdoel 2: “Een student begrijpt de onderliggende principes van
klassieke test theorie” (4-6 kennis en begrip vragen)
Volgens de klassieke test theorie toont de betrouwbaarheid van een test in
hoeverre de verschillen in geobserveerde scores worden veroorzaakt door
daadwerkelijke psychologische verschillen in plaats van door meetfouten. Hierbij
geldt de formule:
geobserveerde score = ware score + meetfout
De klassieke test theorie gaat ervan uit dat positieve en negatieve afwijkingen
elkaar opheffen bij de respondenten onderling. Dar wil zeggen dat de error de
scores van sommige respondenten verhoogt en die van andere verlaagt op zo’n
manier waardoor het gemiddelde effect van error onder de respondenten 0 is.
Het feit dat deze meetfouten random zijn zorgt er ook voor dat de error scores
ongecorreleerd zijn aan ware scores.
De klassieke test theorie meet betrouwbaarheid door te kijken naar de
consistentie tussen variantie in geobserveerde scores en variantie in ware scores.
We willen dat het grootste deel van de totale variantie in geobserveerde scores
komt door ware scores en niet door error. Hierbij hoort de formule:
Variantie geobserveerde scores = variantie ware scores +
variantie error
De variantie in ware scores is systematische variantie. De variantie in error is
onsystematische variantie. De formule van betrouwbaarheid kan dus ook zijn:
Betrouwbaarheid = systematische variantie : totale variantie
In de klassieke test theorie zijn er 4 manieren om over betrouwbaarheid na te
denken:
Betrouwbaarheid is het gebrek aan error variantie
Betrouwbaarheid is de verhouding tussen variantie van de ware scores en
van de geobserveerde scores
Betrouwbaarheid is het gebrek aan correlatie tussen geobserveerde scores
en error scores
Betrouwbaarheid is de (gekwadrateerde) correlatie tussen de
geobserveerde scores en ware scores
Rxx is de betrouwbaarheidscoëfficiënt en heeft een waarde tussen de 0 en 1.
Hoewel een betrouwbaarheidscoëfficiënt een belangrijk gegeven is binnen de
psychometrie, vertelt het ons niks over het gemiddelde formaat van de
meetfouten. Hierbij komt de standaardfout van meting van pas. Deze waarde
duidt aan hoeveel de geobserveerde scores gemiddeld afwijken van de ware
scores. Des te groter de standaardfout van meting, des te lager de
betrouwbaarheid. Hoe minder error je gemeten hebt, hoe hoger de
betrouwbaarheid.
Hoewel we niet daadwerkelijk de exacte betrouwbaarheid en de exacte
standaardfout van meting kunnen weten, zijn er wel manieren om deze waardes
te schatten. De klassieke test theorie kan op verschillende manieren de
betrouwbaarheid van een test schatten. Dit gebeurt door:
,Leerdoel 1: “Een student kan typen en uitdagingen van metingen
herkennen en uitleggen” (1 kennis vraag)
Soorten testen:
Criterion-referenced: deze testen worden gebruikt om te kijken of
iemand voldoet aan een bepaald vereiste
Norm-referenced: deze testen worden gebruikt om te kijken hoe iemand
scoort ten opzichte van een normgroep.
Speeded tests: dit zijn tijd-gelimiteerde testen. Participanten moeten zo
veel mogelijk antwoorden geven en de vragen verschillen niet in
moeilijkheid
Power tests: hierbij is er geen sprake van tijdsdruk en is het wel de
bedoeling dat de participant alle vragen afrondt. De vragen verschillen in
moeilijkheid.
Uitdagingen voor metingen:
Het identificeren en omvatten van menselijke psychologische attributen in
een enkel getal
Participant reactiviteit. Het meten kan een invloed hebben op de
stemming van de participant. Denk hierbij aan demand characteristics,
sociaal gewenst antwoorden en malingering.
Objectiviteit. De wetenschappers kunnen beïnvloedt worden door bias en
bepaalde verwachtingen.
Composiete score; niet elk item weegt even zwaar
Score sensitiviteit. Een test kan niet altijd adequaat discrimineren
tussen hoeveelheden van een dimensie die worden gemeten.
Gebrek aan bewustzijn van psychometrische informatie. Mensen zijn zich
niet altijd bewust van wat een test nou precies meet, ondanks dat ze hem
wel gebruiken.
In psychologische metingen worden getallen gebruikt om het niveau aan te
duiden van een individu op een bepaalde psychologische eigenschap. Deze
numerieke waardes verschillen echter in de wijze waarop ze psychologische
attributen representeren. Problemen met getallen:
Eigenschap van identiteit
De meest fundamentele vorm van meting is het vermogen om gelijkenissen
versus verschillen te reflecteren. De eigenschap van identiteit stelt dat:
o Individuen binnen één categorie identiek zijn met betrekking tot
één specifiek psychologisch kenmerk
o Categorieën mutueel exclusief zijn; een individu kan zich niet in
meerdere categorieën tegelijk bevinden
o Ieder individu onder een categorie valt, er zijn geen grijze
gebieden of twijfelgevallen
De eigenschap van identiteit is kwalitatief
De eigenschap van volgorde
De eigenschap van volgorde geeft informatie over de relatieve kwantiteit van een
psychologische eigenschap die een persoon bezit. De bijbehorende getallen
,functioneren als kwalitatieve labels. Door de eigenschap van volgorde weten we
welk individu in meer of mindere mate een psychologische eigenschap bezit,
maar we weten niet hoeveel meer of minder.
De eigenschap van kwantiteit
Wanneer getallen de eigenschap van kwantiteit hebben, bieden ze informatie
over de exacte mate van verschillen tussen mensen. Op dit niveau reflecteren
getallen echte, daadwerkelijke getallen. Deze eigenschap is kwantitatief.
Het getal nul
o Absoluut nulpunt: het getal nul wil zeggen dat er daadwerkelijk niks is
(ratio)
o Arbitrair nulpunt: het getal nul wil niet zeggen dat er niks is (interval)
Galton’s antropometrie: de meting van fysieke eigenschappen om
psychologische eigenschappen te achterhalen.
, Leerdoel 2: “Een student begrijpt de onderliggende principes van
klassieke test theorie” (4-6 kennis en begrip vragen)
Volgens de klassieke test theorie toont de betrouwbaarheid van een test in
hoeverre de verschillen in geobserveerde scores worden veroorzaakt door
daadwerkelijke psychologische verschillen in plaats van door meetfouten. Hierbij
geldt de formule:
geobserveerde score = ware score + meetfout
De klassieke test theorie gaat ervan uit dat positieve en negatieve afwijkingen
elkaar opheffen bij de respondenten onderling. Dar wil zeggen dat de error de
scores van sommige respondenten verhoogt en die van andere verlaagt op zo’n
manier waardoor het gemiddelde effect van error onder de respondenten 0 is.
Het feit dat deze meetfouten random zijn zorgt er ook voor dat de error scores
ongecorreleerd zijn aan ware scores.
De klassieke test theorie meet betrouwbaarheid door te kijken naar de
consistentie tussen variantie in geobserveerde scores en variantie in ware scores.
We willen dat het grootste deel van de totale variantie in geobserveerde scores
komt door ware scores en niet door error. Hierbij hoort de formule:
Variantie geobserveerde scores = variantie ware scores +
variantie error
De variantie in ware scores is systematische variantie. De variantie in error is
onsystematische variantie. De formule van betrouwbaarheid kan dus ook zijn:
Betrouwbaarheid = systematische variantie : totale variantie
In de klassieke test theorie zijn er 4 manieren om over betrouwbaarheid na te
denken:
Betrouwbaarheid is het gebrek aan error variantie
Betrouwbaarheid is de verhouding tussen variantie van de ware scores en
van de geobserveerde scores
Betrouwbaarheid is het gebrek aan correlatie tussen geobserveerde scores
en error scores
Betrouwbaarheid is de (gekwadrateerde) correlatie tussen de
geobserveerde scores en ware scores
Rxx is de betrouwbaarheidscoëfficiënt en heeft een waarde tussen de 0 en 1.
Hoewel een betrouwbaarheidscoëfficiënt een belangrijk gegeven is binnen de
psychometrie, vertelt het ons niks over het gemiddelde formaat van de
meetfouten. Hierbij komt de standaardfout van meting van pas. Deze waarde
duidt aan hoeveel de geobserveerde scores gemiddeld afwijken van de ware
scores. Des te groter de standaardfout van meting, des te lager de
betrouwbaarheid. Hoe minder error je gemeten hebt, hoe hoger de
betrouwbaarheid.
Hoewel we niet daadwerkelijk de exacte betrouwbaarheid en de exacte
standaardfout van meting kunnen weten, zijn er wel manieren om deze waardes
te schatten. De klassieke test theorie kan op verschillende manieren de
betrouwbaarheid van een test schatten. Dit gebeurt door: