Hoorcollege 1 – 22 maart 2023
College I. Instaptoets en inleiding
Formeel strafrecht = strafprocesrecht
Inleiding vak aan de hand van de instaptoets → relevantie kennis B1 Inleiding strafrecht
voor dit vak en uitleg hoe we daarop voortbouwen
Bespreken actualiteit → het moderne Wetboek van Strafvordering gaat naar de Tweede Kamer
Vragen?
Instaptoets:
Vraag 1
Wat is geen bron voor het formele strafrecht?
a. Regels vanuit de Europese Unie en uit het EVRM
b. Het Wetboek van Strafvordering
c. De Wet wapens en munitie (WWM)
d. Regels in een Algemene Plaatselijke verordening (APV)
→ Wetboek van Strafvordering is dus wel belangrijkste kenbron, maar niet de enige
→ EHRM arrest Kruslin en Huvig: afluisteren van telefoon, hier heeft het Hof besloten dat je
als burger vooraf moet weten wat de macht van de overheid is zodra zij jou bedenkt van een
strafbaar feit
→ HR arrest Stille sms: manier om te ontdekken waar een telefoon is, toezenden van
onzichtbare berichtgeving --> staat niet in wetboek van strafvordering. Ambtenaren mogen
alleen handelen als het uitdrukkelijk in het wetboek van strafvordering staat. (bij wetboek van
strafrecht is het andersom, alles wat daar in staat mag niet, de rest (dus wat er wel instaat)
mag wel).
Maar je kan niet elke opsporingsmethode in detail uitwerken. Dus zodra de
opsporingsmethode een beperkte inbreuk op persoonlijke levenssfeer (art. 8EVRM, arrest
kruslin en huvig)van de ander is, dan mag het. Wat ze doen mag geen grote
integriteitskwesties opleveren.
Wetboek van strafvordering geeft bevoegdheden maar ook bescherming (en verplichtingen) aan
diegenen die onderheven zijn aan die bevoegdheden.
Vraag 2
Bij welk van de volgende stellingen heb je een goed gevoel?
a. Als de verdachte echt schuldig lijkt te zijn aan een strafbaar feit, hoeven de
opsporingsambtenaren het van de niet zo nauw te nemen met de grenzen van hun
strafvorderlijk bevoegdheden
b. Het is altijd belangrijker dat een strafbaar feit wordt opgespoord en vervolgd dan dat daarbij
de procedurele regels strikt worden gevolgd
c. Elk misbruik van controle- of opsporingsbevoegdheden door opsporingsambtenaren moet
ertoe leiden dat de verdachte geen of veel minder straf krijgt
d. Geen van de drie stellingen lijkt mij okay
→ strafvordering legitimeert en begrenst het handelen van de opsporing en respecteert zo de
grenzen van onze rechten en vrijheden, maar niet elke fout is fataal. Gaat vooral om de vraag
of een verdachte nog een eerlijk proces kan krijgen, art 6 EVRM (EHRM: Ibrahim + HR:
Vormverzuimen)
Als het recht op een eerlijk proces is uitgesloten, dan moet het bewijs worden afgewezen en
moet in sommige gevallen het openbaar ministerie ontvankelijk worden verklaard.
Bv, als je wordt uitgelokt door politie om het strafbare feit te begaan of als je niet mag
worden bijgestaan door je raadsman terwijl je dat wel wilde. Hierbij mag dan dit
bewijs/deze verklaringen niet worden meegenomen
Vraag 3
Stel dat een opsporingsambtenaar, in dit geval een dienstdoende buurtagent, aan de overkant van
een straat iemand op de grond ziet liggen en om hulp hoort roepen. Deze persoon roept ‘houd de dief,
dat is mijn rode tas’ en wijst naar een wegrennende man in pak, die een rood uitziende tas in zijn
1
, handen heeft en deze tegen zijn borst klemt en door een rood stoplicht schuin de straat oversteekt.
Welke van de volgende stellingen is juist?
a. De wegrennende man voldoet aan het formele verdachte-begrip
b. De wegrennende man voldoet aan het materiële verdachte-begrip
c. De wegrennende man voldoet aan zowel het formele verdachte-begrip als het materiële
verdachte-begrip
d. De wegrennende man voldoet zowel niet aan het formele verdachte-begrip als aan het
materiële verdachte-begrip
→ status van verdachte geeft betrokkenen veel rechten (maar de opsporing ook veel
bevoegdheden)
→ vanaf ‘criminal charge’ geldt art. 6 EVRM (EHRM Ibrahim) → ‘the official notification given
to an individual by the competent authority of an allegation that he has committed a criminal
offence, or from the point at which his situation has been substantially affected (=materieel, de
facto) by actions taken by the authorities as a result of a suspicion against him’ (b.v.
aanhouding, betekening dagvaarding)
Vanaf dat er een redelijk vermoeden is ben je materieel verdachte, zonder dat iemand dat jou
netjes hoeft te hebben verteld.
Vraag 4
Ga ervan uit dat de wegrennende man uit de vorige vraag na zijn aanhouding, op het politiebureau
door de politie wordt verhoord als verdachte. Welke rechten heeft hij rondom dit verhoor?
a. Rechtsbijstand voorafgaand aan het verhoor (consultatierecht), rechtsbijstand tijdens het
verhoor (verhoorbijstand) en hij is niet verplicht om op vragen antwoord te geven
(zwijgrecht)
b. Alleen rechtsbijstand tijdens het verhoor
c. Alleen consultatiebijstand
d. Alleen een zwijgrecht
→ politieverhoor is belangrijk, kan doorwerken als belangrijk bewijsmiddel
(niet de bedoeling dat verdachte ongewild en/of ten onrechte bekent)
Uit het bekennen door een verdachte zonder advocaat komen de meeste rechtelijke
dwalingen
→ EHRM arrest Salduz, Ibrahim
→ EU procesrecht, Richtlijn 2013/48/EU
Vraag 5
Wat nu als een oplettende burger de wegrennende man uit de vorige twee vragen, ter
plekke was achternagerend en hem had aangehouden. Had dat gemogen?
a. Nee, aanhouden mag alleen door opsporingsambtenaren geschieden
b. Nee, aanhouden door een burger mag alleen als die burger zelf het slachtoffer is
c. Ja, want er was ook een politieagent bij
d. Ja, op heterdaad mag iedereen een verdachte aanhouden
→ kans op fout bij heterdaad veel kleiner, daarbuiten moet (hulp)officier dat in beginsel
bevelen (vrijheid burgers in het geding)
→ EHRM arrest Buzadji, verdenking kan in eerste fase vrijheidsbeneming legitimeren,
ivm art. 5 EVRM
Je ziet hierin de argwaan van het europese hof ten aanzien van de overheid om burgers van
hun vrijheid te kunnen beroven. Hierbij zegt het hof echt stellig over dat de overheid je zo kort
mogelijk mensen van hun vrijheid mag beroven en echt enkel als het gaat om een strafbaar
feit. Realiseer bij dit arrest de ernst die het hof ziet bij het beroven van vrijheid
Vraag 6
Wie van de volgende actoren heeft geen rol in het strafprocesrecht?
a. De rechter
b. De rechter-commissaris
c. De officier van justitie en andere opsporingsambtenaren
d. De raadsman
2
College I. Instaptoets en inleiding
Formeel strafrecht = strafprocesrecht
Inleiding vak aan de hand van de instaptoets → relevantie kennis B1 Inleiding strafrecht
voor dit vak en uitleg hoe we daarop voortbouwen
Bespreken actualiteit → het moderne Wetboek van Strafvordering gaat naar de Tweede Kamer
Vragen?
Instaptoets:
Vraag 1
Wat is geen bron voor het formele strafrecht?
a. Regels vanuit de Europese Unie en uit het EVRM
b. Het Wetboek van Strafvordering
c. De Wet wapens en munitie (WWM)
d. Regels in een Algemene Plaatselijke verordening (APV)
→ Wetboek van Strafvordering is dus wel belangrijkste kenbron, maar niet de enige
→ EHRM arrest Kruslin en Huvig: afluisteren van telefoon, hier heeft het Hof besloten dat je
als burger vooraf moet weten wat de macht van de overheid is zodra zij jou bedenkt van een
strafbaar feit
→ HR arrest Stille sms: manier om te ontdekken waar een telefoon is, toezenden van
onzichtbare berichtgeving --> staat niet in wetboek van strafvordering. Ambtenaren mogen
alleen handelen als het uitdrukkelijk in het wetboek van strafvordering staat. (bij wetboek van
strafrecht is het andersom, alles wat daar in staat mag niet, de rest (dus wat er wel instaat)
mag wel).
Maar je kan niet elke opsporingsmethode in detail uitwerken. Dus zodra de
opsporingsmethode een beperkte inbreuk op persoonlijke levenssfeer (art. 8EVRM, arrest
kruslin en huvig)van de ander is, dan mag het. Wat ze doen mag geen grote
integriteitskwesties opleveren.
Wetboek van strafvordering geeft bevoegdheden maar ook bescherming (en verplichtingen) aan
diegenen die onderheven zijn aan die bevoegdheden.
Vraag 2
Bij welk van de volgende stellingen heb je een goed gevoel?
a. Als de verdachte echt schuldig lijkt te zijn aan een strafbaar feit, hoeven de
opsporingsambtenaren het van de niet zo nauw te nemen met de grenzen van hun
strafvorderlijk bevoegdheden
b. Het is altijd belangrijker dat een strafbaar feit wordt opgespoord en vervolgd dan dat daarbij
de procedurele regels strikt worden gevolgd
c. Elk misbruik van controle- of opsporingsbevoegdheden door opsporingsambtenaren moet
ertoe leiden dat de verdachte geen of veel minder straf krijgt
d. Geen van de drie stellingen lijkt mij okay
→ strafvordering legitimeert en begrenst het handelen van de opsporing en respecteert zo de
grenzen van onze rechten en vrijheden, maar niet elke fout is fataal. Gaat vooral om de vraag
of een verdachte nog een eerlijk proces kan krijgen, art 6 EVRM (EHRM: Ibrahim + HR:
Vormverzuimen)
Als het recht op een eerlijk proces is uitgesloten, dan moet het bewijs worden afgewezen en
moet in sommige gevallen het openbaar ministerie ontvankelijk worden verklaard.
Bv, als je wordt uitgelokt door politie om het strafbare feit te begaan of als je niet mag
worden bijgestaan door je raadsman terwijl je dat wel wilde. Hierbij mag dan dit
bewijs/deze verklaringen niet worden meegenomen
Vraag 3
Stel dat een opsporingsambtenaar, in dit geval een dienstdoende buurtagent, aan de overkant van
een straat iemand op de grond ziet liggen en om hulp hoort roepen. Deze persoon roept ‘houd de dief,
dat is mijn rode tas’ en wijst naar een wegrennende man in pak, die een rood uitziende tas in zijn
1
, handen heeft en deze tegen zijn borst klemt en door een rood stoplicht schuin de straat oversteekt.
Welke van de volgende stellingen is juist?
a. De wegrennende man voldoet aan het formele verdachte-begrip
b. De wegrennende man voldoet aan het materiële verdachte-begrip
c. De wegrennende man voldoet aan zowel het formele verdachte-begrip als het materiële
verdachte-begrip
d. De wegrennende man voldoet zowel niet aan het formele verdachte-begrip als aan het
materiële verdachte-begrip
→ status van verdachte geeft betrokkenen veel rechten (maar de opsporing ook veel
bevoegdheden)
→ vanaf ‘criminal charge’ geldt art. 6 EVRM (EHRM Ibrahim) → ‘the official notification given
to an individual by the competent authority of an allegation that he has committed a criminal
offence, or from the point at which his situation has been substantially affected (=materieel, de
facto) by actions taken by the authorities as a result of a suspicion against him’ (b.v.
aanhouding, betekening dagvaarding)
Vanaf dat er een redelijk vermoeden is ben je materieel verdachte, zonder dat iemand dat jou
netjes hoeft te hebben verteld.
Vraag 4
Ga ervan uit dat de wegrennende man uit de vorige vraag na zijn aanhouding, op het politiebureau
door de politie wordt verhoord als verdachte. Welke rechten heeft hij rondom dit verhoor?
a. Rechtsbijstand voorafgaand aan het verhoor (consultatierecht), rechtsbijstand tijdens het
verhoor (verhoorbijstand) en hij is niet verplicht om op vragen antwoord te geven
(zwijgrecht)
b. Alleen rechtsbijstand tijdens het verhoor
c. Alleen consultatiebijstand
d. Alleen een zwijgrecht
→ politieverhoor is belangrijk, kan doorwerken als belangrijk bewijsmiddel
(niet de bedoeling dat verdachte ongewild en/of ten onrechte bekent)
Uit het bekennen door een verdachte zonder advocaat komen de meeste rechtelijke
dwalingen
→ EHRM arrest Salduz, Ibrahim
→ EU procesrecht, Richtlijn 2013/48/EU
Vraag 5
Wat nu als een oplettende burger de wegrennende man uit de vorige twee vragen, ter
plekke was achternagerend en hem had aangehouden. Had dat gemogen?
a. Nee, aanhouden mag alleen door opsporingsambtenaren geschieden
b. Nee, aanhouden door een burger mag alleen als die burger zelf het slachtoffer is
c. Ja, want er was ook een politieagent bij
d. Ja, op heterdaad mag iedereen een verdachte aanhouden
→ kans op fout bij heterdaad veel kleiner, daarbuiten moet (hulp)officier dat in beginsel
bevelen (vrijheid burgers in het geding)
→ EHRM arrest Buzadji, verdenking kan in eerste fase vrijheidsbeneming legitimeren,
ivm art. 5 EVRM
Je ziet hierin de argwaan van het europese hof ten aanzien van de overheid om burgers van
hun vrijheid te kunnen beroven. Hierbij zegt het hof echt stellig over dat de overheid je zo kort
mogelijk mensen van hun vrijheid mag beroven en echt enkel als het gaat om een strafbaar
feit. Realiseer bij dit arrest de ernst die het hof ziet bij het beroven van vrijheid
Vraag 6
Wie van de volgende actoren heeft geen rol in het strafprocesrecht?
a. De rechter
b. De rechter-commissaris
c. De officier van justitie en andere opsporingsambtenaren
d. De raadsman
2