Eindtermenlijst Ethiek en Mondiale rechtvaardigheid (GFS)
3. De leerling kan de volgende basisbegrippen hanteren:
Moraal: Het geheel van (morele) normen en waarden dat door een individu, groep, instelling of
cultuur als belangrijke richtlijn voor het eigen handelen wordt beschouwd.
Normen: Concrete richtlijnen voor het handelen.
Waarden: Bepaalde dingen die iemand of een groep mensen belangrijk vinden zoals eerlijkheid.
Moreel dilemma: Een situatie waarbij je kan kiezen tussen 2 of meer handelingsalternatieven
waarbij waarden tegenover elkaar staan. Zoals het trolleyprobleem.
Toegepaste ethiek: Ethiek in specifieke situaties.
Normatieve ethiek: Beschrijft hoe mensen zouden moeten handelen.
Descriptieve ethiek: Beschrijft wat er gebeurt als mensen aan ethiek doen.
Meta-ethiek: Onderzoekt waarom we specifieke keuzes maken.
Intentie: Het voornemen een handeling te verrichten.
Handeling: Iets dat je doet.
Gevolg: Een gebeurtenis of omstandigheid die optreedt als resultaat van een of meer oorzaken en
bijdragende factoren en omstandigheden.
Utilisme: Een stroming binnen de ethiek die streeft naar zoveel mogelijk geluk voor zoveel mogelijk
mensen.
Consequentialisme: Stroming binnen de ethiek waarbij het gaat om de consequentie van een
handeling.
Greatest Happiness Principle (GHP): We moeten zo handelen dat er zoveel mogelijk geluk is voor
zoveel mogelijk mensen.
Hedonistische calcucus: Een methode om geluk af te wegen op korte en op lange termijn.
Handelingsutilisme: Door de gevolgen van handelingen af te wegen, maak je een keuze.
Regelutilisme: Door bepaalde regels te volgen, zoveel mogelijk geluk te creëren.
Is-ought fallacy: Ontstaat wanneer de aanname wordt gemaakt dat omdat iets op een bepaalde
manier is, dat het ook zo hoort te zijn.
Deontologie: Beoordeelt de ethiek van handelingen op basis morele principes en plichten, kijkt niet
naar de consequenties van die handelingen.
Kantianisme: De ethische filosofie van Kant die stelt dat morele handelingen universeel toepasbaar
moeten zijn en voort moeten komen uit respect voor morele wetten.
Goede wil: De goede wil is de vrijheid en plicht die je als mens hebt om je rede te gebruiken en
moreel te handelen.
, Maxime: Een regel die je bepaalt op basis van een handeling.
Generalisatietest: In de generalisatie test bepaal je het maxime van jouw handeling (ik mag niet
stelen) en je generaliseert dit als algemene wet (niemand mag stelen). Dan bepaal je of je
redelijkerwijs kan willen dat deze wet wordt ingevoerd en concludeert of het een morele handeling
is.
Categorisch imperatief (1e en 3e formulering): Het Categorisch imperatief heeft meerdere
formuleringen. De eerste formulering houdt in dat je zo moet handelen dat het maxime van jouw
handeling een universele wet wordt (mag iedereen door rood rijden?). De derde formulering houdt
in dat je zo moet handelen dat een ander nooit louter als middel gebruikt wordt maar ook als doel
(als je iets van iemand wil, moet er ook iets voor hen inzitten).
Hypothetisch imperatief: Regels op basis van de specifieke doelen en waarden van een individu.
Moreel narcisme: Wanneer mensen vinden dat zij moreel superieur zijn en zelf beter weten hoe zij
moeten handelen in situaties.
Deugdethiek: Houdt zich bezig met hoe we moeten leven en doet dit door middel van deugden en
doelen.
Deugd: Een positieve eigenschap waar iemand over beschikt.
Eudaimonia: Geluk.
Teleologie: De theorie dat alles voorbestemd is om iets te doen, voor mensen is dit het streven naar
geluk.
4. De leerling kan het probleem van morele dilemma’s uitleggen en toepassen. Daarbij kan hij/zij
- De begrippen normen en waarden hanteren en toepassen binnen een moreel
dilemma.
Normen en waarden heb ik hierboven al uitgelegd en kan ik hanteren en toepassen binnen een
moreel dilemma. Bijvoorbeeld als de waarden eerlijkheid en veiligheid tegenover elkaar staan en de
norm is om altijd eerlijk te blijven.
- Uitleggen wat een moreel dilemma is.
Een moreel dilemma is een situatie waarbij keuze is tussen twee of meer handelingsalternatieven.
Hierbij staan vaak meerdere waarden tegenover elkaar zoals privacy en veiligheid.
- Uitleggen waarom vrijheid als noodzakelijk wordt verondersteld in een moreel
dilemma.
Vrijheid wordt als noodzakelijk verondersteld in een moreel dilemma omdat je vrijheid nodig hebt
om keuzes te kunnen maken, wat het doel is van een moreel dilemma.
5. De leerling kan de verschillende soorten ethiek uitleggen en toepassen. Daarbij kan hij/zij
- De vier soorten ethiek uitleggen.
Meta-ethiek onderzoekt waarom we specifieke keuzes maken. Normatieve ethiek beschrijft hoe
mensen zouden moeten handelen in het algemeen. Descriptieve ethiek beschrijft wat er gebeurt als
mensen aan ethiek doen. Toegepaste ethiek gaat om ethiek in specifieke situaties.
- Bij een gegeven situatie uitleggen om welke soort ethiek het gaat.
Als je bijvoorbeeld gaat kijken wat je zou moeten doen als je naar school fietst en een kind in het
water valt, gaat het om toegepaste ethiek.
3. De leerling kan de volgende basisbegrippen hanteren:
Moraal: Het geheel van (morele) normen en waarden dat door een individu, groep, instelling of
cultuur als belangrijke richtlijn voor het eigen handelen wordt beschouwd.
Normen: Concrete richtlijnen voor het handelen.
Waarden: Bepaalde dingen die iemand of een groep mensen belangrijk vinden zoals eerlijkheid.
Moreel dilemma: Een situatie waarbij je kan kiezen tussen 2 of meer handelingsalternatieven
waarbij waarden tegenover elkaar staan. Zoals het trolleyprobleem.
Toegepaste ethiek: Ethiek in specifieke situaties.
Normatieve ethiek: Beschrijft hoe mensen zouden moeten handelen.
Descriptieve ethiek: Beschrijft wat er gebeurt als mensen aan ethiek doen.
Meta-ethiek: Onderzoekt waarom we specifieke keuzes maken.
Intentie: Het voornemen een handeling te verrichten.
Handeling: Iets dat je doet.
Gevolg: Een gebeurtenis of omstandigheid die optreedt als resultaat van een of meer oorzaken en
bijdragende factoren en omstandigheden.
Utilisme: Een stroming binnen de ethiek die streeft naar zoveel mogelijk geluk voor zoveel mogelijk
mensen.
Consequentialisme: Stroming binnen de ethiek waarbij het gaat om de consequentie van een
handeling.
Greatest Happiness Principle (GHP): We moeten zo handelen dat er zoveel mogelijk geluk is voor
zoveel mogelijk mensen.
Hedonistische calcucus: Een methode om geluk af te wegen op korte en op lange termijn.
Handelingsutilisme: Door de gevolgen van handelingen af te wegen, maak je een keuze.
Regelutilisme: Door bepaalde regels te volgen, zoveel mogelijk geluk te creëren.
Is-ought fallacy: Ontstaat wanneer de aanname wordt gemaakt dat omdat iets op een bepaalde
manier is, dat het ook zo hoort te zijn.
Deontologie: Beoordeelt de ethiek van handelingen op basis morele principes en plichten, kijkt niet
naar de consequenties van die handelingen.
Kantianisme: De ethische filosofie van Kant die stelt dat morele handelingen universeel toepasbaar
moeten zijn en voort moeten komen uit respect voor morele wetten.
Goede wil: De goede wil is de vrijheid en plicht die je als mens hebt om je rede te gebruiken en
moreel te handelen.
, Maxime: Een regel die je bepaalt op basis van een handeling.
Generalisatietest: In de generalisatie test bepaal je het maxime van jouw handeling (ik mag niet
stelen) en je generaliseert dit als algemene wet (niemand mag stelen). Dan bepaal je of je
redelijkerwijs kan willen dat deze wet wordt ingevoerd en concludeert of het een morele handeling
is.
Categorisch imperatief (1e en 3e formulering): Het Categorisch imperatief heeft meerdere
formuleringen. De eerste formulering houdt in dat je zo moet handelen dat het maxime van jouw
handeling een universele wet wordt (mag iedereen door rood rijden?). De derde formulering houdt
in dat je zo moet handelen dat een ander nooit louter als middel gebruikt wordt maar ook als doel
(als je iets van iemand wil, moet er ook iets voor hen inzitten).
Hypothetisch imperatief: Regels op basis van de specifieke doelen en waarden van een individu.
Moreel narcisme: Wanneer mensen vinden dat zij moreel superieur zijn en zelf beter weten hoe zij
moeten handelen in situaties.
Deugdethiek: Houdt zich bezig met hoe we moeten leven en doet dit door middel van deugden en
doelen.
Deugd: Een positieve eigenschap waar iemand over beschikt.
Eudaimonia: Geluk.
Teleologie: De theorie dat alles voorbestemd is om iets te doen, voor mensen is dit het streven naar
geluk.
4. De leerling kan het probleem van morele dilemma’s uitleggen en toepassen. Daarbij kan hij/zij
- De begrippen normen en waarden hanteren en toepassen binnen een moreel
dilemma.
Normen en waarden heb ik hierboven al uitgelegd en kan ik hanteren en toepassen binnen een
moreel dilemma. Bijvoorbeeld als de waarden eerlijkheid en veiligheid tegenover elkaar staan en de
norm is om altijd eerlijk te blijven.
- Uitleggen wat een moreel dilemma is.
Een moreel dilemma is een situatie waarbij keuze is tussen twee of meer handelingsalternatieven.
Hierbij staan vaak meerdere waarden tegenover elkaar zoals privacy en veiligheid.
- Uitleggen waarom vrijheid als noodzakelijk wordt verondersteld in een moreel
dilemma.
Vrijheid wordt als noodzakelijk verondersteld in een moreel dilemma omdat je vrijheid nodig hebt
om keuzes te kunnen maken, wat het doel is van een moreel dilemma.
5. De leerling kan de verschillende soorten ethiek uitleggen en toepassen. Daarbij kan hij/zij
- De vier soorten ethiek uitleggen.
Meta-ethiek onderzoekt waarom we specifieke keuzes maken. Normatieve ethiek beschrijft hoe
mensen zouden moeten handelen in het algemeen. Descriptieve ethiek beschrijft wat er gebeurt als
mensen aan ethiek doen. Toegepaste ethiek gaat om ethiek in specifieke situaties.
- Bij een gegeven situatie uitleggen om welke soort ethiek het gaat.
Als je bijvoorbeeld gaat kijken wat je zou moeten doen als je naar school fietst en een kind in het
water valt, gaat het om toegepaste ethiek.