Geschiedenis examen samenvatting
De 10 tijdvakken volgens de kenmerkende aspecten
1, jagers en boeren
Levenswijze van jagers en verzamelaars: na de ijstijd trok men naar noord
europa en leefde zij als jagers en verzamelaars. Er was geen sociale
hiërarchie maar wel een duidelijke taakverdeling. Men leefde in kleine
groepen in tenten. Ze waren nomaden: ze hadden geen vaste
verblijfplaats. De prehistorie is de tijd zonder schrift.
Ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen: tussen 10.000 en
3.000 v.Chr is de landbouwrevolutie, men ging over naar de landbouw.
Het begon in de Vruchtbare halve maan in het midden oosten. Later hield
men daar ook vee, begin veeteelt. Men ging op 1 plek wonen, sedentaire
revolutie.
Ontstaan van stedelijke gemeenschappen: tussen 3500 en 3000 v.C
ontstonden de eerste steden in de Vruchtbare Halvemaan. Rivieren zorgen
voor vruchtbare slib, gebied hierom=Mesopotamië. Er was te veel voedsel
wat leidden tot bevolkingsgroei. Boeren besloten zich te specialiseren en
te handelen. Steden en hiërarchie ontstond, ook stadsbestuur met
koningen en ambtenaren. Rond 3300 v.C werd het schrift en
spijkerschrift uitgevonden. Egyptenaren ontwikkelden hiërogliefen. Het
Egyptische rijk was de eerste staat, het had een centraal bestuur en een
rechtssysteem (farao Maät).
2, Grieken en romeinen
Ontwikkeling wetenschappelijk denken en burgerschap/politiek in griekse
stadstaat: Athene was rond 500 v.C een stadstaat (of polis, stedelijke kern
en omringende platteland). Grieken leefden ook in een agrarisch-urbane
samenleving. Athene had een directe democratie. Belangrijkste
beslissingen werden genomen door de volksvergadering. Socrates en
plato hadden kritiek op de democratie, zij wouden
bekwaamde/hooggeschoolde mannen in het bestuur. Men geloofde in
goden maar er ontstond ook twijfel over de religieuze verklaringen.
Bekendste heerser was Alexander de Grote. De griekse cultuur
(hellenisme) verspreidde zich.
Groei van het romeinse imperium waardoor cultuurverspreiding: 753 v.C
werd Rome gesticht met inwoners romeinen. Zij begonnen in de 4e eeuw
voor chr. Aan een grote expansie van macht, het Romeinse rijk.
Inkomsten waren hoog door belastingstelsel en slaven die voor de
romeinen moesten werken. De romeinen gebruikte diplomatie (sluiten van
bondgenootschappen) en bij faalen het leger om te verooveren. Het was
,een republiek geleid door magistraten, centraal stond de senaat
(vergadering machtige mensen). In de 2 laatste eeuwen v.C werd rome
verscheurd door conflicten. Machtige mensen zoals Gaius Julius Caesar
(dictator) streden om macht. Verdedigers van de republiek vermoorde
hem. Zijn achterneef Octavianus werd augustus en werd de eerste keizer
van het romeinse rijk. Hij kreeg alle macht. Overal was romeins recht.
De klassieke vormentaal van de grieks-Romeinse cultuur: hoogopgeleiden
Romeinen spraken naast Latijn ook Grieks. In het oosten was de invloed
van de Griekse cultuur het grootst, in het westen het kleinst.
Romanisering: andere volken nemen de romeinse cultuur en taal over.
Confrontatie tussen de Grieks-romeinse cultuur en de Germaanse cultuur
van Noordwest-europa: noorden en westen waren bevolkt door agrarische
stammen zoals kelten en germanen. De germanen en romeinen vochten in
Gallië, waar de romeinen wonnen. De germanen hadden nog wel een
gebied. Er waren opstanden zoals de bataafse opstand. De germanen
vochten terug en kregen meer macht. Op een gegeven moment was het
rijk te groot om te functioneren en werd in oost en west opgedeeld. West
stopte met bestaan.
Jodendom en christendom als eerste monotheïstische godsdienst: de joden
geloofde dat de profeet mozes de tien geboden van god had ontvangen.
Zij vereerden dus niet meer de keizer maar jahweh. Uit het jodendom
kwam het christendom. Profeet jezus had critiek op het jodendom. Keizer
constatijn de grote stopte christenvervolging en theodosius I maakte
christendom een staatsgodsdienst.
3, monniken en ridders
Verspreiding van christendom in geheel europa: vanaf 450 verspreidden
monniken het christendom. De paus had de hoogste positie. Paus
Gregorius I stuurde missionarissen om het geloof te verspreiden. De
franken werd het machtigste volk, zij werkde samen met de kerk in Rome.
Reguliere geestelijken: monniken die in kloosters leefde. Seculiere
geestelijke: priesters die leiding gaven aan de kerk en tussen de normale
mensen woonden.
Ontstaan en verspreiding Islam: profeet mohammed moest het woord van
Allah doorgeven. Mohammed verspreidde het geloof en werd opgevold
door kaliefen. Er was expansie van het islamitische rijk vanaf 632. Er was
onrust doordat het onduidelijk was wie Mohammed als opvolger had
aangewezen. Geen opvolger aboe Bakr als kalief, wel opvolger Ali als
kalief. Toen ali werd aangewezen, werd hij vermoord. Dit leidde tot een
scheuring in de islam tussen het soennisme (Aboe Bakr) en het sjiisme
(Ali). Vanaf 690 kreeg de samenleving een islamitisch karakter (invoering
, munt, arabisch, rechtsregels volgens allah (sharia). In 732 kam er een
einde aan de expansie.
Vervanging van de agrarisch-urbane cultuur door een zelfvoorzienende
agrarische cultuur, georganiseerd via het hofstelsel en horigheid: na de val
van het west-romeinse rijk werd het bijna weer volledig agrarisch. Edelen
vochten namelijk en lokale ruilhandel ontstond.. Machtsverschillen waren
groot. Adel domineerde, dan geestelijke, boeren, horigen en lijfeigenen.
Deze mensen waren verbonden aan het grondgebied van een heer,
domein. Economie: hofstelsel. Gemeenschappen werden autarkisch.
Ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur: het romeinse rijk werd
bestuurd door de overheid. Dit verdween en het feodale stelsel kwam.
Leenheren lenen gebieden uit aan leenmannen. De leenman neemt dan
een eed van trouw af waarbij hij beloofd diensten te verrichten (vechten).
In ruil hiervoor verleende de heer bescherming en gaf hij een deel van zijn
grondbezit. Koning had nog de meeste macht. Karel de grote koppelde
het leenstelsel aan het bestuur. Hij maakte ook hoge bestuurders (graven
en hertogen) tot leenmannen. Nadelen: men beschouwde het als erfelijk,
leenmannen hadden vaak meerdere leenheren (ingewikkeld wanneer
oorlog tussen 2).
4, steden en staten
Handel en ambacht waardoor herleven agrarisch-urbane samenleving:
rond de 11e eeuw namen de landbouwopbrengsten toe door het gebruik
van nieuwe landbouwtechnieken. De grotere hoeveelheid voedsel zorgde
voor bevolkingsgroei en een toename van de handel. Door jaarmarkten
was er een opleving van de langeafstandshandel. Handelssteden gingen
met elkaar samenwerken. Zo onstond de hanze, de aangesloten steden
hielpen elkaar bij de bescherming van reizende kooplieden en gaven
elkaar handelsvoordelen. Koningen en landsheren gingen zich actief met
de handel bemoeien, meer veiligheid. Er was een groeiende vraag naar
geld. Er ontstonden ook handelsgemeenschappen.
Opkomst stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van steden:
een stad met stadsrecht waren relatief onafhankelijk van de landheer. Ze
kunnen bijv. eigen wetten maken. De macht van de adel nam af en het
feodale- en hofstelsel verzwakte. De stad was aantrekkelijk voor horigen,
landheren moesten de omstandigheden in het domein verbeteren zodat
horigen niet massaal naar de stad trekken. Er was een nieuwe hiërarchie.
De burgerij bestond uit rijke families (patriciërs) en mensen met
burgerrecht. Ook had je mensen zonder burgerrecht. Handelaren stichten
gilden, beroepsverenigingen, om belangen te behartigen. Er werden
De 10 tijdvakken volgens de kenmerkende aspecten
1, jagers en boeren
Levenswijze van jagers en verzamelaars: na de ijstijd trok men naar noord
europa en leefde zij als jagers en verzamelaars. Er was geen sociale
hiërarchie maar wel een duidelijke taakverdeling. Men leefde in kleine
groepen in tenten. Ze waren nomaden: ze hadden geen vaste
verblijfplaats. De prehistorie is de tijd zonder schrift.
Ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen: tussen 10.000 en
3.000 v.Chr is de landbouwrevolutie, men ging over naar de landbouw.
Het begon in de Vruchtbare halve maan in het midden oosten. Later hield
men daar ook vee, begin veeteelt. Men ging op 1 plek wonen, sedentaire
revolutie.
Ontstaan van stedelijke gemeenschappen: tussen 3500 en 3000 v.C
ontstonden de eerste steden in de Vruchtbare Halvemaan. Rivieren zorgen
voor vruchtbare slib, gebied hierom=Mesopotamië. Er was te veel voedsel
wat leidden tot bevolkingsgroei. Boeren besloten zich te specialiseren en
te handelen. Steden en hiërarchie ontstond, ook stadsbestuur met
koningen en ambtenaren. Rond 3300 v.C werd het schrift en
spijkerschrift uitgevonden. Egyptenaren ontwikkelden hiërogliefen. Het
Egyptische rijk was de eerste staat, het had een centraal bestuur en een
rechtssysteem (farao Maät).
2, Grieken en romeinen
Ontwikkeling wetenschappelijk denken en burgerschap/politiek in griekse
stadstaat: Athene was rond 500 v.C een stadstaat (of polis, stedelijke kern
en omringende platteland). Grieken leefden ook in een agrarisch-urbane
samenleving. Athene had een directe democratie. Belangrijkste
beslissingen werden genomen door de volksvergadering. Socrates en
plato hadden kritiek op de democratie, zij wouden
bekwaamde/hooggeschoolde mannen in het bestuur. Men geloofde in
goden maar er ontstond ook twijfel over de religieuze verklaringen.
Bekendste heerser was Alexander de Grote. De griekse cultuur
(hellenisme) verspreidde zich.
Groei van het romeinse imperium waardoor cultuurverspreiding: 753 v.C
werd Rome gesticht met inwoners romeinen. Zij begonnen in de 4e eeuw
voor chr. Aan een grote expansie van macht, het Romeinse rijk.
Inkomsten waren hoog door belastingstelsel en slaven die voor de
romeinen moesten werken. De romeinen gebruikte diplomatie (sluiten van
bondgenootschappen) en bij faalen het leger om te verooveren. Het was
,een republiek geleid door magistraten, centraal stond de senaat
(vergadering machtige mensen). In de 2 laatste eeuwen v.C werd rome
verscheurd door conflicten. Machtige mensen zoals Gaius Julius Caesar
(dictator) streden om macht. Verdedigers van de republiek vermoorde
hem. Zijn achterneef Octavianus werd augustus en werd de eerste keizer
van het romeinse rijk. Hij kreeg alle macht. Overal was romeins recht.
De klassieke vormentaal van de grieks-Romeinse cultuur: hoogopgeleiden
Romeinen spraken naast Latijn ook Grieks. In het oosten was de invloed
van de Griekse cultuur het grootst, in het westen het kleinst.
Romanisering: andere volken nemen de romeinse cultuur en taal over.
Confrontatie tussen de Grieks-romeinse cultuur en de Germaanse cultuur
van Noordwest-europa: noorden en westen waren bevolkt door agrarische
stammen zoals kelten en germanen. De germanen en romeinen vochten in
Gallië, waar de romeinen wonnen. De germanen hadden nog wel een
gebied. Er waren opstanden zoals de bataafse opstand. De germanen
vochten terug en kregen meer macht. Op een gegeven moment was het
rijk te groot om te functioneren en werd in oost en west opgedeeld. West
stopte met bestaan.
Jodendom en christendom als eerste monotheïstische godsdienst: de joden
geloofde dat de profeet mozes de tien geboden van god had ontvangen.
Zij vereerden dus niet meer de keizer maar jahweh. Uit het jodendom
kwam het christendom. Profeet jezus had critiek op het jodendom. Keizer
constatijn de grote stopte christenvervolging en theodosius I maakte
christendom een staatsgodsdienst.
3, monniken en ridders
Verspreiding van christendom in geheel europa: vanaf 450 verspreidden
monniken het christendom. De paus had de hoogste positie. Paus
Gregorius I stuurde missionarissen om het geloof te verspreiden. De
franken werd het machtigste volk, zij werkde samen met de kerk in Rome.
Reguliere geestelijken: monniken die in kloosters leefde. Seculiere
geestelijke: priesters die leiding gaven aan de kerk en tussen de normale
mensen woonden.
Ontstaan en verspreiding Islam: profeet mohammed moest het woord van
Allah doorgeven. Mohammed verspreidde het geloof en werd opgevold
door kaliefen. Er was expansie van het islamitische rijk vanaf 632. Er was
onrust doordat het onduidelijk was wie Mohammed als opvolger had
aangewezen. Geen opvolger aboe Bakr als kalief, wel opvolger Ali als
kalief. Toen ali werd aangewezen, werd hij vermoord. Dit leidde tot een
scheuring in de islam tussen het soennisme (Aboe Bakr) en het sjiisme
(Ali). Vanaf 690 kreeg de samenleving een islamitisch karakter (invoering
, munt, arabisch, rechtsregels volgens allah (sharia). In 732 kam er een
einde aan de expansie.
Vervanging van de agrarisch-urbane cultuur door een zelfvoorzienende
agrarische cultuur, georganiseerd via het hofstelsel en horigheid: na de val
van het west-romeinse rijk werd het bijna weer volledig agrarisch. Edelen
vochten namelijk en lokale ruilhandel ontstond.. Machtsverschillen waren
groot. Adel domineerde, dan geestelijke, boeren, horigen en lijfeigenen.
Deze mensen waren verbonden aan het grondgebied van een heer,
domein. Economie: hofstelsel. Gemeenschappen werden autarkisch.
Ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur: het romeinse rijk werd
bestuurd door de overheid. Dit verdween en het feodale stelsel kwam.
Leenheren lenen gebieden uit aan leenmannen. De leenman neemt dan
een eed van trouw af waarbij hij beloofd diensten te verrichten (vechten).
In ruil hiervoor verleende de heer bescherming en gaf hij een deel van zijn
grondbezit. Koning had nog de meeste macht. Karel de grote koppelde
het leenstelsel aan het bestuur. Hij maakte ook hoge bestuurders (graven
en hertogen) tot leenmannen. Nadelen: men beschouwde het als erfelijk,
leenmannen hadden vaak meerdere leenheren (ingewikkeld wanneer
oorlog tussen 2).
4, steden en staten
Handel en ambacht waardoor herleven agrarisch-urbane samenleving:
rond de 11e eeuw namen de landbouwopbrengsten toe door het gebruik
van nieuwe landbouwtechnieken. De grotere hoeveelheid voedsel zorgde
voor bevolkingsgroei en een toename van de handel. Door jaarmarkten
was er een opleving van de langeafstandshandel. Handelssteden gingen
met elkaar samenwerken. Zo onstond de hanze, de aangesloten steden
hielpen elkaar bij de bescherming van reizende kooplieden en gaven
elkaar handelsvoordelen. Koningen en landsheren gingen zich actief met
de handel bemoeien, meer veiligheid. Er was een groeiende vraag naar
geld. Er ontstonden ook handelsgemeenschappen.
Opkomst stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van steden:
een stad met stadsrecht waren relatief onafhankelijk van de landheer. Ze
kunnen bijv. eigen wetten maken. De macht van de adel nam af en het
feodale- en hofstelsel verzwakte. De stad was aantrekkelijk voor horigen,
landheren moesten de omstandigheden in het domein verbeteren zodat
horigen niet massaal naar de stad trekken. Er was een nieuwe hiërarchie.
De burgerij bestond uit rijke families (patriciërs) en mensen met
burgerrecht. Ook had je mensen zonder burgerrecht. Handelaren stichten
gilden, beroepsverenigingen, om belangen te behartigen. Er werden