Hoorcollege 1: Recht: aard, functies en bronnen
Privaatrecht = civiel recht = burgerlijk recht
Functies van het recht:
- Het scheppen van sociale orde (rechtszekerheid)
- Het bevorderen van vreedzame conflictbeslechting
- Individuele ontplooiing van burgers
- Rechtvaardige verdeling van diensten en goederen
- Het kanaliseren van sociale verandering
Trias politica, Montesquieu
- Wetgevende macht
- Bestuur (uitvoerende macht)
- Rechtsprekende macht
Tóch, dubbelrol Raad van State (advies en rechtspraak) en de regering (uitvoerend en
wetgevend)
Soorten regels:
- Gedragsnormen
- Sanctienormen
- Bevoegdheidsverlenende normen
Positief recht = vastgesteld of erkend recht in een bepaalde gemeenschap
(contextafhankelijk) – wat is gangbaar in een bepaalde periode, wat kan wel en niet
Gelding = bereidheid om vastgestelde regels na te leven door bepaalde groep personen
Effectiviteit = in hoeverre worden bepaalde regels nageleefd door burgers, maar wordt met
die regels ook bereikt wat bereikt moet worden
Iedere wet kent een hoofddoelstelling, met daaronder subdoelstellingen. De regels moeten
bijdragen aan het verwezenlijken van die doelstellingen
Objectief recht = ‘het’ recht – law
Subjectieve rechten = ‘mijn’ rechten (en plichten) – rights
Grondrechten zijn niet absoluut, er zijn altijd grenzen.
Er is geen vooropgestelde hiërarchie tussen grondrechten, maar er vindt een weging plaats bij
betrokkenheid van meerdere grondrechten
Dwingend recht = regels waar betrokkenen niet vanaf mogen wijken
Aanvullend recht = partijen zijn bevoegd een eigen regeling vast te stellen, bijvoorbeeld
door een overeenkomst te sluiten
Formeel recht = primair procesrecht, regels die bepalen hoe het materiele recht moet worden
gehandhaafd – wie mag wat in een rechtelijke procedure
- Strafrecht – Wetboek van Strafvordering
- Privaatrecht – Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering
Materieel recht = inhoud van rechten, plichten en bevoegdheden (gedragsnorm)
- Strafrecht – Wetboek van Strafrecht
- Privaatrecht – Burgerlijk Wetboek
,Onderscheid is niet absoluut. Naar inhoud van regel zelf kijken: creëert of verleent deze een
bepaalde bevoegdheid of welke rechten/plichten gelden of gaat het echt over de inhoud?
Publiekrecht = overheid tegen burger – staatsrecht, bestuursrecht, strafrecht
Privaatrecht = burgers onderling – pers- en familierecht, vermogensrecht, erfrecht
- Functionele rechtsgebieden – jeugdrecht, gezondheidsrecht
Privaatrecht Publiekrecht
Rechtsverhouding Nevengeschikt Ondergeschikt
Belang Eigen belang Algemeen belang
Aard Wisselend Dwingend
Rol vd rechter Lijdelijk (rechter beslist op basis Actief (gaat actief op zoek naar
van wat wordt aangedragen in wat er gebeurd is – strafrecht)
zitting – passief)
Internationaal recht = volkenrecht met betrekking tot internationale organisaties
Nationaal recht = primair recht dat intern gelding heeft
, Hoorcollege 2: Organisatie van de Staat – Technische aspecten van wetgeving
Openbare lichamen = georganiseerd gemeenschapsverband gebonden door organen van het
openbare lichaam
Verticale spreiding van bevoegdheden = bevoegdheden van hoger orgaan (centrale overheid
– wetgever) worden overgedragen aan lagere organen (gemeente):
1. Staat
2. Provincie
3. Gemeente
4. Waterschappen
Decentralisatie = bevoegdheden worden overgedragen aan lagere openbare organen (bv de
gemeente), die de bevoegdheden zelfstandig uitoefenen, zonder verantwoording (attributie,
delegatie)
- Territoriaal
- Functioneel
Deconcentratie = toekenning van bevoegdheden aan organen die hiërarchisch ondergeschikt
zijn, en dus verantwoording schuldig zijn (attributie)
Kenmerken democratische rechtstaat:
- Democratie = volk heeft beslissende stem
o Formeel = kiezersoordeel (prospectief = hier wil ik bij aansluiten &
retrospectief = hoe is het gelopen de afgelopen jaren, hoe beïnvloedt dat mijn
keuze)
o Materieel = publieke debat
o Representatieve democratie (indirect) = volksvertegenwoordiging wordt
gekozen
- Machtsevenwicht = Trias politica (wetgevende, uitvoerende, rechtsprekende macht)
o Vierde macht? Media – speelt rol in manier waarop parlement functioneert
(Twitter)
- Legaliteit(sbeginsel) – bevoegdheidstoedeling = het idee dat handelen moet
gebaseerd zijn op de wet
o Formeel = bevoegdheid ontleend aan de wet:
Attributie = nieuwe bevoegdheid opgedragen aan ander (hiërarchisch
lager) orgaan
Delegatie = bestaande bevoegdheid opgedragen aan ander (hiërarchisch
lager) orgaan, onder eigen verantwoordelijkheid
Voordeel: het idee dat gemeente dichter bij burger staat
Voordeel: het idee dat gemeente flexibeler, laagdrempeliger en
sneller is (regels in werking treden)
Nadeel: hoe meer gemeenten regelen, hoe meer verschillen op
allemaal terreinen
Nadeel: minder democratische controle en daarmee legitimiteit
– regelgeving gebeurt niet door de personen die door volk
(‘ons’) zijn gekozen, maar door gemeenten/provinciën
- Grondrechten
o Verdragsrechten
Privaatrecht = civiel recht = burgerlijk recht
Functies van het recht:
- Het scheppen van sociale orde (rechtszekerheid)
- Het bevorderen van vreedzame conflictbeslechting
- Individuele ontplooiing van burgers
- Rechtvaardige verdeling van diensten en goederen
- Het kanaliseren van sociale verandering
Trias politica, Montesquieu
- Wetgevende macht
- Bestuur (uitvoerende macht)
- Rechtsprekende macht
Tóch, dubbelrol Raad van State (advies en rechtspraak) en de regering (uitvoerend en
wetgevend)
Soorten regels:
- Gedragsnormen
- Sanctienormen
- Bevoegdheidsverlenende normen
Positief recht = vastgesteld of erkend recht in een bepaalde gemeenschap
(contextafhankelijk) – wat is gangbaar in een bepaalde periode, wat kan wel en niet
Gelding = bereidheid om vastgestelde regels na te leven door bepaalde groep personen
Effectiviteit = in hoeverre worden bepaalde regels nageleefd door burgers, maar wordt met
die regels ook bereikt wat bereikt moet worden
Iedere wet kent een hoofddoelstelling, met daaronder subdoelstellingen. De regels moeten
bijdragen aan het verwezenlijken van die doelstellingen
Objectief recht = ‘het’ recht – law
Subjectieve rechten = ‘mijn’ rechten (en plichten) – rights
Grondrechten zijn niet absoluut, er zijn altijd grenzen.
Er is geen vooropgestelde hiërarchie tussen grondrechten, maar er vindt een weging plaats bij
betrokkenheid van meerdere grondrechten
Dwingend recht = regels waar betrokkenen niet vanaf mogen wijken
Aanvullend recht = partijen zijn bevoegd een eigen regeling vast te stellen, bijvoorbeeld
door een overeenkomst te sluiten
Formeel recht = primair procesrecht, regels die bepalen hoe het materiele recht moet worden
gehandhaafd – wie mag wat in een rechtelijke procedure
- Strafrecht – Wetboek van Strafvordering
- Privaatrecht – Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering
Materieel recht = inhoud van rechten, plichten en bevoegdheden (gedragsnorm)
- Strafrecht – Wetboek van Strafrecht
- Privaatrecht – Burgerlijk Wetboek
,Onderscheid is niet absoluut. Naar inhoud van regel zelf kijken: creëert of verleent deze een
bepaalde bevoegdheid of welke rechten/plichten gelden of gaat het echt over de inhoud?
Publiekrecht = overheid tegen burger – staatsrecht, bestuursrecht, strafrecht
Privaatrecht = burgers onderling – pers- en familierecht, vermogensrecht, erfrecht
- Functionele rechtsgebieden – jeugdrecht, gezondheidsrecht
Privaatrecht Publiekrecht
Rechtsverhouding Nevengeschikt Ondergeschikt
Belang Eigen belang Algemeen belang
Aard Wisselend Dwingend
Rol vd rechter Lijdelijk (rechter beslist op basis Actief (gaat actief op zoek naar
van wat wordt aangedragen in wat er gebeurd is – strafrecht)
zitting – passief)
Internationaal recht = volkenrecht met betrekking tot internationale organisaties
Nationaal recht = primair recht dat intern gelding heeft
, Hoorcollege 2: Organisatie van de Staat – Technische aspecten van wetgeving
Openbare lichamen = georganiseerd gemeenschapsverband gebonden door organen van het
openbare lichaam
Verticale spreiding van bevoegdheden = bevoegdheden van hoger orgaan (centrale overheid
– wetgever) worden overgedragen aan lagere organen (gemeente):
1. Staat
2. Provincie
3. Gemeente
4. Waterschappen
Decentralisatie = bevoegdheden worden overgedragen aan lagere openbare organen (bv de
gemeente), die de bevoegdheden zelfstandig uitoefenen, zonder verantwoording (attributie,
delegatie)
- Territoriaal
- Functioneel
Deconcentratie = toekenning van bevoegdheden aan organen die hiërarchisch ondergeschikt
zijn, en dus verantwoording schuldig zijn (attributie)
Kenmerken democratische rechtstaat:
- Democratie = volk heeft beslissende stem
o Formeel = kiezersoordeel (prospectief = hier wil ik bij aansluiten &
retrospectief = hoe is het gelopen de afgelopen jaren, hoe beïnvloedt dat mijn
keuze)
o Materieel = publieke debat
o Representatieve democratie (indirect) = volksvertegenwoordiging wordt
gekozen
- Machtsevenwicht = Trias politica (wetgevende, uitvoerende, rechtsprekende macht)
o Vierde macht? Media – speelt rol in manier waarop parlement functioneert
(Twitter)
- Legaliteit(sbeginsel) – bevoegdheidstoedeling = het idee dat handelen moet
gebaseerd zijn op de wet
o Formeel = bevoegdheid ontleend aan de wet:
Attributie = nieuwe bevoegdheid opgedragen aan ander (hiërarchisch
lager) orgaan
Delegatie = bestaande bevoegdheid opgedragen aan ander (hiërarchisch
lager) orgaan, onder eigen verantwoordelijkheid
Voordeel: het idee dat gemeente dichter bij burger staat
Voordeel: het idee dat gemeente flexibeler, laagdrempeliger en
sneller is (regels in werking treden)
Nadeel: hoe meer gemeenten regelen, hoe meer verschillen op
allemaal terreinen
Nadeel: minder democratische controle en daarmee legitimiteit
– regelgeving gebeurt niet door de personen die door volk
(‘ons’) zijn gekozen, maar door gemeenten/provinciën
- Grondrechten
o Verdragsrechten