Meerkeuzevragen week 1
1. Het Verdrag van Maastricht (1992):
a) verzwakte de bevoegdheden van het Europees Parlement
b) introduceerde het burgerschap van de Europese Unie en maakte de komst van de
euro als betaalmiddel mogelijk
c) schafte het pilarensysteem binnen de EU af.
2. Welke EU-instelling verkiest de voorzitter van de Europese Commissie?
a) het Europees Parlement
b) de Europese Commissie
c) de Europese Raad
d) de Raad
3. Welke van de volgende EU-instellingen of functies is rechtstreeks verantwoording
verschuldigd aan de burgers van de Unie?
a) Het Europees Parlement
b) De hoge vertegenwoordiger
c) De Raad
d) De Commissie
4. Welke van de volgende instellingen is geen instelling van de EU?
a) De Europese Raad.
b) De Raad van Europa.
c) De Raad.
d) De Europese Commissie.
5. Wat is geen taak of functie van de Raad?
a) Een wetgevende taak.
b) Een begrotingstaak.
c) Beleidsvorming.
d) Het bepalen van de algemene politieke koers van de Unie en de prioriteiten van de
Unie.
6. Uit hoeveel leden bestaat de Europese Commissie?
a) 18 leden (twee derde van het aantal lidstaten).
b) 19 leden (twee derde van het aantal lidstaten en de Hoge Vertegenwoordiger).
c) 27 leden (één per lidstaat).
d) 28 leden (één per lidstaat en de voorzitter van de Commissie).
7. Het Hof van Justitie van de Europese Unie is gevestigd in:
a) Brussel
b) Den Haag
c) Straatsburg
d) Luxemburg
8. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in totaal zoveel rechters en
Advocaten-Generaal:
a) 27
b) 54
, c) 81
d) 92
Meerkeuzevragen week 2
1. Hoe neemt de Europese Raad zijn besluiten, tenzij de Verdragen anders bepalen?
a) Bij consensus.
b) Bij gewone meerderheid.
c) Met eenparigheid van stemmen.
d) Bij gekwalificeerde meerderheid.
2. Hoe neemt de Raad zijn besluiten, tenzij de Verdragen anders bepalen?
a) Bij consensus.
b) Bij gewone meerderheid.
c) Bij unanimiteit
d) Bij gekwalificeerde meerderheid.
3. Een richtlijn:
a. is verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor
zij bestemd is, doch aan de nationale instanties wordt de bevoegdheid gelaten vorm
en middelen te kiezen.
b. heeft een algemene strekking. Zij is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks
toepasselijk in elke lidstaat.
c. is verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor zij
bestemd is, doch is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
d. is individueel van toepassing en laat aan de nationale instanties de bevoegdheid vorm en
middelen te kiezen.
4. Wat is een inhoudelijk element van het subsidiariteitsbeginsel?
a. De Unie treedt slechts op indien en voor zover de doelstellingen van het overwogen
optreden voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt.
b. De inhoud en de vorm van het optreden van de Unie gaan niet verder dan wat nodig is om
de doelstellingen van de Verdragen te verwezenlijken
c. De Unie treedt slechts op indien en voor zover de doelstellingen van het overwogen
optreden niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt.
d. De Unie treedt slechts op binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar door de
lidstaten bij de Verdragen zijn toegedeeld om de daarin aangegeven doelstellingen te
verwezenlijken.
5. Stel: de EU wil wetgeving maken op basis van de volgende rechtsgrondslagen. Welke
wetgevingshandeling moet voldoen aan het subsidiariteitsbeginsel?
a. Een richtlijn met artikel 114, lid 1, VWEU als rechtsgrondslag.
b. Een verordening met artikel 207, lid 2, VWEU als rechtsgrondslag
c. Een verordening met als rechtsgrondslag artikel 31 VWEU
6. Welke stelling over de bijzondere wetgevingsprocedure is juist. De bijzondere
wetgevingsprocedure:
a) vereist een gekwalificeerde meerderheid in de Raad en een gewone meerderheid in het
Parlement
b) vereist een gekwalificeerde meerderheid in de Raad en raadpleging van het Parlement
c) vereist een gewone meerderheid in het Parlement en goedkeuring door de Raad
1. Het Verdrag van Maastricht (1992):
a) verzwakte de bevoegdheden van het Europees Parlement
b) introduceerde het burgerschap van de Europese Unie en maakte de komst van de
euro als betaalmiddel mogelijk
c) schafte het pilarensysteem binnen de EU af.
2. Welke EU-instelling verkiest de voorzitter van de Europese Commissie?
a) het Europees Parlement
b) de Europese Commissie
c) de Europese Raad
d) de Raad
3. Welke van de volgende EU-instellingen of functies is rechtstreeks verantwoording
verschuldigd aan de burgers van de Unie?
a) Het Europees Parlement
b) De hoge vertegenwoordiger
c) De Raad
d) De Commissie
4. Welke van de volgende instellingen is geen instelling van de EU?
a) De Europese Raad.
b) De Raad van Europa.
c) De Raad.
d) De Europese Commissie.
5. Wat is geen taak of functie van de Raad?
a) Een wetgevende taak.
b) Een begrotingstaak.
c) Beleidsvorming.
d) Het bepalen van de algemene politieke koers van de Unie en de prioriteiten van de
Unie.
6. Uit hoeveel leden bestaat de Europese Commissie?
a) 18 leden (twee derde van het aantal lidstaten).
b) 19 leden (twee derde van het aantal lidstaten en de Hoge Vertegenwoordiger).
c) 27 leden (één per lidstaat).
d) 28 leden (één per lidstaat en de voorzitter van de Commissie).
7. Het Hof van Justitie van de Europese Unie is gevestigd in:
a) Brussel
b) Den Haag
c) Straatsburg
d) Luxemburg
8. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in totaal zoveel rechters en
Advocaten-Generaal:
a) 27
b) 54
, c) 81
d) 92
Meerkeuzevragen week 2
1. Hoe neemt de Europese Raad zijn besluiten, tenzij de Verdragen anders bepalen?
a) Bij consensus.
b) Bij gewone meerderheid.
c) Met eenparigheid van stemmen.
d) Bij gekwalificeerde meerderheid.
2. Hoe neemt de Raad zijn besluiten, tenzij de Verdragen anders bepalen?
a) Bij consensus.
b) Bij gewone meerderheid.
c) Bij unanimiteit
d) Bij gekwalificeerde meerderheid.
3. Een richtlijn:
a. is verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor
zij bestemd is, doch aan de nationale instanties wordt de bevoegdheid gelaten vorm
en middelen te kiezen.
b. heeft een algemene strekking. Zij is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks
toepasselijk in elke lidstaat.
c. is verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor zij
bestemd is, doch is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
d. is individueel van toepassing en laat aan de nationale instanties de bevoegdheid vorm en
middelen te kiezen.
4. Wat is een inhoudelijk element van het subsidiariteitsbeginsel?
a. De Unie treedt slechts op indien en voor zover de doelstellingen van het overwogen
optreden voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt.
b. De inhoud en de vorm van het optreden van de Unie gaan niet verder dan wat nodig is om
de doelstellingen van de Verdragen te verwezenlijken
c. De Unie treedt slechts op indien en voor zover de doelstellingen van het overwogen
optreden niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt.
d. De Unie treedt slechts op binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar door de
lidstaten bij de Verdragen zijn toegedeeld om de daarin aangegeven doelstellingen te
verwezenlijken.
5. Stel: de EU wil wetgeving maken op basis van de volgende rechtsgrondslagen. Welke
wetgevingshandeling moet voldoen aan het subsidiariteitsbeginsel?
a. Een richtlijn met artikel 114, lid 1, VWEU als rechtsgrondslag.
b. Een verordening met artikel 207, lid 2, VWEU als rechtsgrondslag
c. Een verordening met als rechtsgrondslag artikel 31 VWEU
6. Welke stelling over de bijzondere wetgevingsprocedure is juist. De bijzondere
wetgevingsprocedure:
a) vereist een gekwalificeerde meerderheid in de Raad en een gewone meerderheid in het
Parlement
b) vereist een gekwalificeerde meerderheid in de Raad en raadpleging van het Parlement
c) vereist een gewone meerderheid in het Parlement en goedkeuring door de Raad