A4
Opdracht 1: berekent aan de hand van een casus met behulp van gegeven constante (al dan niet trapsgewijs
toenemend) en (proportioneel en niet-proportioneel) variabele kosten de kostprijs per eenheid product.
📘 Begrippen
Constante kosten: kosten die niet veranderen bij meer of minder productie (bijv. huur, afschrijvingen).
Variabele kosten: kosten die mee veranderen met de productie.
o Proportioneel: kosten per stuk blijven gelijk.
o Niet-proportioneel: kosten per stuk veranderen (bijv. staffelkorting of overwerk).
Trapsgewijs toenemende kosten: constante kosten die plotseling stijgen bij een hogere
productiegrens.
🔸 Casus
Een fabriek produceert producten en heeft de volgende kosten:
Constante kosten per maand: €30.000
Proportioneel variabele kosten: €12 per product
Niet-proportionele kosten:
o De eerste 2.000 producten kosten €12 per stuk
o Vanaf het 2.001e product: €15 per stuk (bijv. overuren)
Gevraagd: Wat is de kostprijs per product bij een productie van 3.000 stuks?
✅ Stap 1: Bereken de totale constante kosten
Totale constante kosten=€30.000\text{Totale constante kosten} = €30.000Totale constante kosten=€30.000
✅ Stap 2: Bereken de totale variabele kosten
Eerste 2.000 × €12 = €24.000
Volgende 1.000 × €15 = €15.000
Totale variabele kosten=24.000+15.000=€39.000
✅ Stap 3: Totale kosten
Totale kosten=Constantekosten+Variabelekosten=30.000+39.000=€69.000
✅ Stap 4: Kostprijs per stuk
🔚 Antwoord:
De kostprijs per eenheid product bij een productie van 3.000 stuks is €23,00.
Opdracht 2: berekent aan de hand van een casus met behulp van een gegeven normale bezetting of bij een
gegeven kostprijs en andere gegevens de constante kosten, de variabele kosten, het bedrijfsresultaat en de
, normale bezetting.
📘 Begrippen
Constante kosten (CK): vaste kosten die niet mee veranderen met de productie (bijv. huur,
afschrijving).
Variabele kosten (VK): kosten die afhangen van het aantal geproduceerde eenheden.
Normale bezetting: de productie waarop de kostprijs is gebaseerd, vaak een gemiddelde of verwachte
productiecapaciteit.
Bedrijfsresultaat: het verschil tussen de opbrengsten en de totale kosten.
🔸 Casus Een bedrijf produceert een product met de volgende gegevens:
Kostprijs per product: €25
Verkoopprijs per product: €35
Normale bezetting: 5.000 stuks
Werkelijke productie en verkoop: 6.000 stuks
Totale opbrengst bij 6.000 stuks: €210.000
Variabele kosten per stuk: €15
✅ Stap 1: Bereken de constante kosten
Kostprijs = variabele kosten + (constante kosten / normale bezetting):
✅ Stap 2: Bereken de variabele kosten bij werkelijke productie
✅ Stap 3: Bereken de totale kosten bij werkelijke productie
Constante kosten blijven gelijk:
✅ Stap 4: Bereken het bedrijfsresultaat
🔚 Antwoord:
Constante kosten: €50.000
Totale variabele kosten: €90.000
Totale kosten: €140.000
Bedrijfsresultaat: €70.000
Normale bezetting: 5.000 stuks (gegeven)
Opdracht 3: berekent aan de hand van een casus break-evenpunt, break-evenomzet, break-
evenafzet, dekkingsbijdrage en veiligheidsmarge.
📘 Begrippen
Opdracht 1: berekent aan de hand van een casus met behulp van gegeven constante (al dan niet trapsgewijs
toenemend) en (proportioneel en niet-proportioneel) variabele kosten de kostprijs per eenheid product.
📘 Begrippen
Constante kosten: kosten die niet veranderen bij meer of minder productie (bijv. huur, afschrijvingen).
Variabele kosten: kosten die mee veranderen met de productie.
o Proportioneel: kosten per stuk blijven gelijk.
o Niet-proportioneel: kosten per stuk veranderen (bijv. staffelkorting of overwerk).
Trapsgewijs toenemende kosten: constante kosten die plotseling stijgen bij een hogere
productiegrens.
🔸 Casus
Een fabriek produceert producten en heeft de volgende kosten:
Constante kosten per maand: €30.000
Proportioneel variabele kosten: €12 per product
Niet-proportionele kosten:
o De eerste 2.000 producten kosten €12 per stuk
o Vanaf het 2.001e product: €15 per stuk (bijv. overuren)
Gevraagd: Wat is de kostprijs per product bij een productie van 3.000 stuks?
✅ Stap 1: Bereken de totale constante kosten
Totale constante kosten=€30.000\text{Totale constante kosten} = €30.000Totale constante kosten=€30.000
✅ Stap 2: Bereken de totale variabele kosten
Eerste 2.000 × €12 = €24.000
Volgende 1.000 × €15 = €15.000
Totale variabele kosten=24.000+15.000=€39.000
✅ Stap 3: Totale kosten
Totale kosten=Constantekosten+Variabelekosten=30.000+39.000=€69.000
✅ Stap 4: Kostprijs per stuk
🔚 Antwoord:
De kostprijs per eenheid product bij een productie van 3.000 stuks is €23,00.
Opdracht 2: berekent aan de hand van een casus met behulp van een gegeven normale bezetting of bij een
gegeven kostprijs en andere gegevens de constante kosten, de variabele kosten, het bedrijfsresultaat en de
, normale bezetting.
📘 Begrippen
Constante kosten (CK): vaste kosten die niet mee veranderen met de productie (bijv. huur,
afschrijving).
Variabele kosten (VK): kosten die afhangen van het aantal geproduceerde eenheden.
Normale bezetting: de productie waarop de kostprijs is gebaseerd, vaak een gemiddelde of verwachte
productiecapaciteit.
Bedrijfsresultaat: het verschil tussen de opbrengsten en de totale kosten.
🔸 Casus Een bedrijf produceert een product met de volgende gegevens:
Kostprijs per product: €25
Verkoopprijs per product: €35
Normale bezetting: 5.000 stuks
Werkelijke productie en verkoop: 6.000 stuks
Totale opbrengst bij 6.000 stuks: €210.000
Variabele kosten per stuk: €15
✅ Stap 1: Bereken de constante kosten
Kostprijs = variabele kosten + (constante kosten / normale bezetting):
✅ Stap 2: Bereken de variabele kosten bij werkelijke productie
✅ Stap 3: Bereken de totale kosten bij werkelijke productie
Constante kosten blijven gelijk:
✅ Stap 4: Bereken het bedrijfsresultaat
🔚 Antwoord:
Constante kosten: €50.000
Totale variabele kosten: €90.000
Totale kosten: €140.000
Bedrijfsresultaat: €70.000
Normale bezetting: 5.000 stuks (gegeven)
Opdracht 3: berekent aan de hand van een casus break-evenpunt, break-evenomzet, break-
evenafzet, dekkingsbijdrage en veiligheidsmarge.
📘 Begrippen