● N. Opticus → Verantwoordelijk voor zicht.
○ Visus Onderzoek: Gebruik Snellenkaart op 6m afstand. Bedek een oog en laat
de patiënt de kaart lezen. Noteer de kleinste, correct-gelezen regel.
○ Gezichtsvelden Onderzoek: Gebruik confrontatie methode. Patiënt en arts
bedekken allebei 1 oog (recht tegenover elkaar). Beweeg vingers in de
gezichtsvelden en vraag de patiënt in waar hij/zij vingers ziet bewegen.
Observeer de oogbeweging.
● N. Trochlearis → Verantwoordelijk voor inferior-mediale oogbeweging d.m.v. obliquus
superior.
● N. Abducens → Verantwoordelijk voor laterale oogbeweging d.m.v. rectus lateralis.
● N. Oculomotorius → Verantwoordelijk voor oogbeweging en pupilreflexen.
○ Oogbeweging: Mediaal (d.v.m. rectus medialis), superior-mediaal (d.m.v. oblique
inferior), superior-lateraal (d.m.v. rectus superior), inferior-lateraal (d.m.v. rectus
inferior).
○ Pupilreflexen: Test indirecte en directe pupilreflex met penlicht.
2.
a. Verricht het neurologisch onderzoek van de spieren van de onderste extremiteiten
(motoriek)
● Inspectie: Symmetrie.
● Actief Bewegingsonderzoek Heup:
○ Flexie/Extensie → Patiënt ligt met rug op onderzoeksbank. Patiënt trekt
knie naar borst.
○ Extensie: Patiënt ligt met de borst op onderzoeksbank. Patiënt beweegt
been gestrekt naar plafond.
○ Abductie/Adductie → Patiënt ligt met rug op de onderzoeksbank.
Patiënt beweegt been naar buiten (abductie). Patiënt beweegt een been
naar binnen (adductie - til het andere been op).
○ Endorotatie/Exorotatie → Patiënt ligt met rug op de onderzoeksbank.
Patiënt draait een been naar binnen (endorotatie). Patiënt draait een
been naar buiten (exorotatie).
● Passief Bewegingsonderzoek Heup:
○ Flexie → Patiënt ligt met rug op de onderzoeksbank. Plaats een hand op
de voorkant van de enkel en de andere op de voorkant van de knie. Duw
het bovenbeen naar de borst.
○ Extensie → Patiënt ligt met de borst op de onderzoeksbank met de
benen volledig gestrekt. Plaats een hand aan de zijkant van de
onderzoekstafel ter ondersteuning en de andere op de voorkant van het
bovenbeen. Beweeg het been omhoog naar het plafond.
, ○ Abductie/Adductie → Patiënt ligt met rug op de onderzoeksbank. Plaats
een hand op het heupbeen en de andere op de enkel. Beweeg het been
naar buiten (abductie) en naar binnen (adductie - til het andere been op).
○ Endorotatie/Exorotatie → Patiënt ligt met rug op de onderzoeksbank
met de heup en knie in een hoek van 90 graden. Plaats een hand op de
voorkant van de knie en de andere op de hak. Beweeg het onderbeen
naar buiten (hierdoor zal de heup naar binnen bewegen - endorotatie).
Beweeg het onderbeen naar binnen (hierdoor zal de heup naar buiten
bewegen - exorotatie).
● Actief Bewegingsonderzoek Knie:
○ Flexie/Extensie → Patiënt ligt met rug op de onderzoeksbank met
bovenbeen omhoog in een hoek van 90 graden t.o.v. de onderzoeksbank.
Patiënt brengt hak naar bil (flexie). Patiënt brengt teen naar het plafond
(extensie - met de knie in hoek van 90 graden t.o.v. de onderzoeksbank).
● Passief Bewegingsonderzoek Knie:
○ Flexie/Extensie → Patiënt ligt met rug op de onderzoeksbank. Plaats de
duim en wijsvinger van de ene hand op de laterale en mediale
gewichtsschijf en de andere hand op de voorkant van de enkel. Beweeg
de hak naar de bil (flexie). Strek hierna het been weer helemaal
(extensie).
○ Endorotatie/Exorotatie → Patiënt ligt met rug op de onderzoeksbank.,
met heup en knie beide in een hoek van 90 graden. Plaats de duim en
wijsvinger van de ene hand op de laterale en mediale gewichtsschijf en
de andere op de calcaneus. Draai de enkel naar binnen (endorotatie) en
naar buiten (exorotatie).
, ● Actief Bewegingsonderzoek Enkel:
○ Plantair/Dorsaalflexie → Patiënt zit op onderzoeksbank en hangt benen
er van af. Patiënt brengt tenen naar de grond (plantairflexie). Patiënt
brengt tenen naar het plafond (dorsaalflexie).
○ Inversie/Eversie → Patiënt zit op onderzoeksbank en hangt benen er
van af en arts houdt de knie vast. Patiënt draait enkel naar binnen
(inversie). Patiënt draait enkel naar buiten (eversie).
● Passief Bewegingsonderzoek Enkel:
○ Plantair/Dorsaalflexie → Patiënt zit op onderzoeksbank en hangt benen
er van af. Plaats één hand op de voorkant van de enkel en pak met de
andere hand de zijkant van de voet vast. Beweeg de tenen naar beneden
in de richting van de vloer (plantairflexie) en van het plafond
(dorsaalflexie)
○ Inversie/Eversie → Patiënt zit op onderzoeksbank en hangt benen er
van af. Plaats één hand op de voorkant van de enkel en de andere op de
calcaneus, waarbij je de voetzool op je onderarm laat rusten. Draai de
voetzool naar binnen (inversie) en naar buiten (eversie).
○ Supinatie/Pronatie → Patiënt zit op onderzoeksbank en hangt benen er
van af. Plaats één hand op de voorkant van de enkel en pak met de
andere hand de voorkant van de voet vast. Draai de voorkant van de voet
naar binnen (supinatie) en naar buiten (pronatie).
b. Leg de verschillen uit tussen hypertonie en hypotonie
i. Hypertonie → Verhoogde spiertonus. Kan komen door spasticiteit (door
pyramide-laesie) of rigiditeit (extrapiramidaal).
ii. Hypotonie → Verminderde spiertonus. Kan komen door cerebellaire
aandoeningen of perifere zenuwbeschadiging.
3. Verricht het onderzoek van de reflexen aan de onderste extremiteiten
a. Kniepeesreflex (L3-L4) → Laat het onderbeen ontspannen bungelen. Sla met de
reflexhamer op de patella.
b. Achillespeesreflex (S1) → Houd de voet in lichte dorsaalflexie. Tik met de reflexhamer
op de achillespees.
c. Plantaire reflex (Babinski) → Strijk met een stomp object over de laterale voetrand naar
de bal van de voet. Beoordeel: Babinski positief bij strekbeweging van de grote teen
(piramidebaanschade).