3 februari 2020
Interviews
Vraag-antwoord model
1. Respondent bedenkt wat er van hem wordt gevraagd
2. Respondent bedenkt wat het antwoord op de vraag is
3. Bepaalde dingen moeten worden opgehaald omdat je het niet direct weet
4. Beoordelen wat de interviewer wil horen en of je dit wilt delen
5. Fabriceren tot een antwoord
Mensen kunnen soms het antwoord wel willen geven, maar dit niet kunnen
1. Moedertaal
2. Niet heel verbaal zijn
Het doel is om perspectieven van iemand te begrijpen. Kwalitatief gaat niet om beschouwen, wat er
van een afstand gebeurt, maar het perspectief van de respondent aannemen. Begrijpen wat de
respondent doormaakt en verplaatsing in de respondent. Dit zorgt ervoor dat je minder mensen
spreekt, maar wel veel meer over hen leert.
Reciprocal interaction geven en nemen, je geeft de respondent ook iets. Je helpt elkaar als
interviewer en respondent. Ze passen zich aan en schikken zich naar de ander. Je bouwt uiteindelijk
report, vertrouwen, met elkaar op.
Report opbouwen lukt door actief te luisteren. Niet denken aan wat het antwoord betekent voor je
onderzoek, of wat je daarna moet gaan vragen. Je moet hierbij doorvragen en op een vriendelijke
manier de respondent te sturen naar waar jij het over wil hebben. Niet verder na gaan denken.
Begrijpen wat er op het moment zelf en het daarbij houden.
Verschillende soorten interviews:
1. Face to face 2 mensen in een ruimte die het ergens over hebben. Recht tegenover elkaar is
meestal niet fijn, omdat je dan recht iemand aan zit te kijken als je aan het nadenken bent.
Het is beter om iemand de ruimte te geven om in de leegte te staren terwijl hij nadenkt.
2. Telephone telefonisch interview. Minder persoonlijke aandacht als nadeel. Minder
controle omdat je elkaar niet kunt zien. Het is lastig om emoties te lezen over de telefoon.
Handig voor een feitelijk interview.
3. Online bijv. via skype, of chat. Een voordeel van een skype interview is dat je een face to
face interview hebt, maar dan over een langere afstand. Handig als je niet dicht bij elkaar
bent. Nadeel is dat je minder controle hebt over de omstandigheden van het interview. Ook
kunnen online verbindingen soms niet goed werken.
4. Etnografisch interview Je verblijft voor een langere tijd met een bepaalde (culturele)
groep samen in hun natuurlijke setting. Combinatie van observaties, interviews,
focusgroepen.
5. Go-along interview Hangt deels samen met het etnografisch interview. Met iemand
meegaan of meelopen met werk en ondertussen een gesprek te voeren. Voordeel is dat de
respondent in een natuurlijke omgeving is. Het is een laagdrempelige manier om met elkaar
te praten. Het voelt niet alsof je in een vreemde situatie zit.
, De fases van een interview:
1. Aankomst en introductie introduceer jezelf en bereid jezelf goed voor op het interview.
Vragen goed voorbereid, juiste omstandigheden creëren. Wat wil je gaan delen over het
onderzoek en over jezelf?
2. Introductie van het onderzoek vertellen wat er gaat gebeuren. Tekenen van het informed
consent. Wie gaat wat doen?
3. Begin van het interview Aftastfase. Geen gevoelige onderwerpen bespreken. Het is
gerelateerd aan het onderzoek, maar het bevat nog niet de hoofdvraag. Je kan hier nog meer
naar feitelijke vragen over de respondent vragen.
4. Tijdens het interview De diepte in gaan. Tot je hoofdvraag komen en zorgen dat je een
geconcentreerde, vertrouwelijke band hebt.
5. Aan het einde van het interview rustige afsluiting. Extra onderwerp aansnijden. Zorgen dat
je positief kunt eindigen.
6. Na het interview aangeven dat het interview is beëindigd.
Probing aangeven als interviewer dat je meer info wilt van de respondent.
Doorknob effect op het laatste moment komt er nog nuttige informatie naar boven die niet eerder
is verkregen in het interview. Alert blijven op waardevolle informatie die nog naar boven kan komen
bij het verlaten van het interview. Kan nog worden meegenomen in het onderzoek, door field notes
te maken.
Focusgroepen
Het gaat hier niet om een groepsinterview, maar het gesprek gaat alle kanten op. De respondenten
zijn met elkaar in gesprek, het gaat om de interactie tussen hen, niet zozeer om de interactie tussen
interviewer en respondent. Het is een naturalistische setting waarin je de focusgroep afneemt.
Proberen om het gesprek zo snel mogelijk zo natuurlijk mogelijk te laten verlopen. Het is niet per se
het doel om consensus te bereiken, dat iedereen het met elkaar eens is. Ook nuttig om verschillende
perspectieven te ontdekken.
Groep is meestal tussen de 6 en 10 participanten. Over het algemeen wil je een heterogene groep
binnen een homogene setting. Mensen met dezelfde ideeën, maar daarbinnen mag best wat
discussie op gang komen. Je wil het liefst mensen hebben van hetzelfde niveau qua mening en
verbale vaardigheden.
Waarom focusgroepen?
1. Diagnose problems
2. Stimuleren van nieuwe ideeën of identificeren van nieuwe relaties
3. Evalueren van programma’s
4. Interpreteren van kwantitatieve resultaten mixed methods
Wat kan er fout gaan?
1. Groep interactie
2. Nieuwe onderwerpen die tevoorschijn komen.
3. Participanten die zich oncomfortabel voelen
4. Tijd en logistieke inspanning