M. Barek/ van der Vloodt
Van der Vloodt heeft de door M. Barek bewoonde woonruimte laten ontruimen op
grond van een verstekvonnis, dat oorspronkelijk was uitgesproken tegen Castro, de
vorige huurder van de woning. M. Barek had de woning echter van Castro
overgenomen en voldeed de huurbetalingen ook op diens naam. Later werd ontdekt
dat Barek feitelijk als huurder in de woning verbleef zonder een formele
huurovereenkomst op zijn eigen naam. De verhuurder bood daarop aan M. Barek een
schriftelijke huurovereenkomst aan, maar Barek weigerde deze te ondertekenen
vanwege een, naar zijn mening, onacceptabele huurverhoging die daarmee gepaard
ging.
Tijdens de ontruiming was M. Barek niet aanwezig, waardoor zijn inboedel op straat
werd geplaatst en later door de gemeente werd meegenomen. De gemeente stelde
dat Barek zijn goederen enkel kon terugkrijgen tegen betaling van opslagkosten. M.
Barek startte een kort geding, waarbij hij teruggave van de kosten vorderde en
stelde dat de ontruiming onrechtmatig was uitgevoerd
Rechtsvraag: Is het mogelijk om een geldvordering uitvoerbaar bij voorraad te laten
verklaren in een kort geding?
De Hoge Raad geeft ten eerste aan dat een financiële noodsituatie (aan kant van
eiser) geen vereiste is voor een dergelijke zaak. Een uitvoerbaar bij voorraad
geldvordering is mogelijk indien voldaan is aan enkele eisen.
- Of het bestaan van de vordering van de eiser op de gedaagde voldoende
aannemelijk is;
- Of er daarnaast sprake is van feiten/ omstandigheden die meebrengen dat uit
hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is; Wat
het risico is van onmogelijkheid van terugbetaling (de restitutiemogelijkheid)
Marba/ Salling
Salling Group heeft vaatwastabletten gekocht voor haar supermarkten, die Marba
heeft geproduceerd. Volgens Salling Group hadden de tabletten niet de kwaliteit die
was overeengekomen. De leveringsovereenkomst die partijen hebben gesloten, is
tussentijds beëindigd. Marba wil dat Salling Group openstaande facturen betaalt en
kosten vergoedt. Salling Group wil dat Marba schade vergoedt, die Salling Group stelt
te hebben geleden.
Akte niet - dienen : de beslissing dat indien de memorie van grieven niet op tijd bij
het hof is ontvangen en er geen uitstel is verleend, dat recht vervalt (art 133 lid 4
Rv).
Oud arrest zegt: Wanneer de rechter hierop wil terugkomen moet hij aangeven welke
specifieke omstandigheden maken dat vasthouden onaanvaardbaar is.
Dit arrest zegt: Dezelfde maatstaf als voor herzien van andere eindbeslissingen: geen
speciale of uitzonderlijke omstandigheden vereist. Als feiten en omstandigheden naar
voren komen (die oorspronkelijke rechter wist) die zouden hebben geleid tot het
oordeel dat akte niet-dienen onaanvaardbaar is, moet worden herzien
Schook/ Vergeer
Vergeer verhuurt zalen. Schook huurt een zaal van Vergeer om zijn meubelen op te
slaan, omdat hij verderop in dezelfde straat een meubelzaak heeft. Het geschil draait
om de vraag of de gehuurde ruimte als bedrijfsruimte moet worden aangemerkt,
aangezien dit gevolgen zou hebben voor de toepasselijke wettelijke huurregels.
Vergeer heeft Schook gedagvaard, en de rechtbank heeft vervolgens twee informele
bezichtigingen van de ruimte uitgevoerd. Op basis van deze bezichtigingen
, oordeelde de rechtbank dat het onvoldoende aannemelijk is dat de ruimte bestemd
is als een publiekelijk toegankelijke bedrijfsruimte.
Rechtsvraag: Mag de rechtbank haar eigen onderzoeksbevindingen gebruiken voor
het vonnis zonder deze met beide partijen te bespreken?
Antwoord: Nee, natuurlijk niet! Er is geen wederhoor toegepast, met name ten
nadele van de betrokken partij, over de constateringen van de rechtbank. Dit is in
strijd met artikel 19 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en
daarmee met de goede procesorde.
Kempkes/ Samson
Het geschil tussen partijen draait om de vraag of er een koopovereenkomst tot stand
is gekomen met betrekking tot een onroerend goed. Samson is uiteindelijk door de
rechter veroordeeld om mee te werken aan de juridische levering van dit onroerend
goed, onder verbeurte van een dwangsom. Later vordert Kempkers deze dwangsom,
omdat Samson zijn verplichtingen niet is nagekomen.
Rechtsvraag: Moet een partij een verbeurde dwangsom betalen in kort geding, zelfs
als deze dwangsom later is opgeheven in een bodemprocedure of door een hogere
instantie?
Antwoord: Ja, een dwangsom moet worden voldaan, zelfs wanneer deze later in een
bodemprocedure of door een hogere instantie wordt opgeheven. Een dwangsom
heeft geen voorlopig karakter, in tegenstelling tot het vonnis zelf. De partij moet zich
houden aan de rechterlijke beslissing, en het voorlopige karakter van het vonnis
rechtvaardigt niet dat de opgelegde handelingen niet worden nagekomen.
Ongeval st. oedenrode
In Sint-Oedenrode vindt een ernstig verkeersongeval plaats. De bestuurster verliest
de controle over het stuur in een S-bocht, waardoor de auto van de weg raakt en
tegen een boom botst. De bijrijder raakt gewond en lijdt schade. Het ziekenfonds van
de bijrijder spreekt de bestuurster aan wegens gevaarlijk rijgedrag. De bestuurster
ontkent gevaarlijk te hebben gereden en stelt dat de bijrijder tijdens de rit aan de
handrem trok.
Rechtsvraag: Moet worden aangenomen dat de bestuurster gevaarlijk heeft
gereden, of dat de bijrijder aan de handrem heeft getrokken?
Antwoord: In beginsel moet de partij die zich beroept op rechtsgevolgen vanwege
bepaalde feiten deze feiten bewijzen. In dit geval ligt de bewijslast bij degene die
stelt dat het ongeval door gevaarlijk rijgedrag is veroorzaakt.
Kalimijnen
Een Franse vennootschap loost afvalzouten in de Rijn en brengt daardoor schade toe
aan de Westlandse tuinder Bier, die vanwege de vervuiling van het water een
reinigingsinstallatie moet aanschaffen. Bier en de Stichting Reinwater dagen de
Franse Kalimijnen voor de Nederlandse rechter ter zake van onrechtmatige daad en
eisen schadevergoeding. De vraag is of de Nederlandse rechter wel bevoegd is. In de
EEX-verordening staat dat de rechter van een bepaalde staat bevoegd is, indien het
schadeveroorzakende feit in zijn staat heeft plaatsgevonden. Het Hof ’s-Gravenhage
stelt hierover een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie.
Van der Vloodt heeft de door M. Barek bewoonde woonruimte laten ontruimen op
grond van een verstekvonnis, dat oorspronkelijk was uitgesproken tegen Castro, de
vorige huurder van de woning. M. Barek had de woning echter van Castro
overgenomen en voldeed de huurbetalingen ook op diens naam. Later werd ontdekt
dat Barek feitelijk als huurder in de woning verbleef zonder een formele
huurovereenkomst op zijn eigen naam. De verhuurder bood daarop aan M. Barek een
schriftelijke huurovereenkomst aan, maar Barek weigerde deze te ondertekenen
vanwege een, naar zijn mening, onacceptabele huurverhoging die daarmee gepaard
ging.
Tijdens de ontruiming was M. Barek niet aanwezig, waardoor zijn inboedel op straat
werd geplaatst en later door de gemeente werd meegenomen. De gemeente stelde
dat Barek zijn goederen enkel kon terugkrijgen tegen betaling van opslagkosten. M.
Barek startte een kort geding, waarbij hij teruggave van de kosten vorderde en
stelde dat de ontruiming onrechtmatig was uitgevoerd
Rechtsvraag: Is het mogelijk om een geldvordering uitvoerbaar bij voorraad te laten
verklaren in een kort geding?
De Hoge Raad geeft ten eerste aan dat een financiële noodsituatie (aan kant van
eiser) geen vereiste is voor een dergelijke zaak. Een uitvoerbaar bij voorraad
geldvordering is mogelijk indien voldaan is aan enkele eisen.
- Of het bestaan van de vordering van de eiser op de gedaagde voldoende
aannemelijk is;
- Of er daarnaast sprake is van feiten/ omstandigheden die meebrengen dat uit
hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is; Wat
het risico is van onmogelijkheid van terugbetaling (de restitutiemogelijkheid)
Marba/ Salling
Salling Group heeft vaatwastabletten gekocht voor haar supermarkten, die Marba
heeft geproduceerd. Volgens Salling Group hadden de tabletten niet de kwaliteit die
was overeengekomen. De leveringsovereenkomst die partijen hebben gesloten, is
tussentijds beëindigd. Marba wil dat Salling Group openstaande facturen betaalt en
kosten vergoedt. Salling Group wil dat Marba schade vergoedt, die Salling Group stelt
te hebben geleden.
Akte niet - dienen : de beslissing dat indien de memorie van grieven niet op tijd bij
het hof is ontvangen en er geen uitstel is verleend, dat recht vervalt (art 133 lid 4
Rv).
Oud arrest zegt: Wanneer de rechter hierop wil terugkomen moet hij aangeven welke
specifieke omstandigheden maken dat vasthouden onaanvaardbaar is.
Dit arrest zegt: Dezelfde maatstaf als voor herzien van andere eindbeslissingen: geen
speciale of uitzonderlijke omstandigheden vereist. Als feiten en omstandigheden naar
voren komen (die oorspronkelijke rechter wist) die zouden hebben geleid tot het
oordeel dat akte niet-dienen onaanvaardbaar is, moet worden herzien
Schook/ Vergeer
Vergeer verhuurt zalen. Schook huurt een zaal van Vergeer om zijn meubelen op te
slaan, omdat hij verderop in dezelfde straat een meubelzaak heeft. Het geschil draait
om de vraag of de gehuurde ruimte als bedrijfsruimte moet worden aangemerkt,
aangezien dit gevolgen zou hebben voor de toepasselijke wettelijke huurregels.
Vergeer heeft Schook gedagvaard, en de rechtbank heeft vervolgens twee informele
bezichtigingen van de ruimte uitgevoerd. Op basis van deze bezichtigingen
, oordeelde de rechtbank dat het onvoldoende aannemelijk is dat de ruimte bestemd
is als een publiekelijk toegankelijke bedrijfsruimte.
Rechtsvraag: Mag de rechtbank haar eigen onderzoeksbevindingen gebruiken voor
het vonnis zonder deze met beide partijen te bespreken?
Antwoord: Nee, natuurlijk niet! Er is geen wederhoor toegepast, met name ten
nadele van de betrokken partij, over de constateringen van de rechtbank. Dit is in
strijd met artikel 19 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en
daarmee met de goede procesorde.
Kempkes/ Samson
Het geschil tussen partijen draait om de vraag of er een koopovereenkomst tot stand
is gekomen met betrekking tot een onroerend goed. Samson is uiteindelijk door de
rechter veroordeeld om mee te werken aan de juridische levering van dit onroerend
goed, onder verbeurte van een dwangsom. Later vordert Kempkers deze dwangsom,
omdat Samson zijn verplichtingen niet is nagekomen.
Rechtsvraag: Moet een partij een verbeurde dwangsom betalen in kort geding, zelfs
als deze dwangsom later is opgeheven in een bodemprocedure of door een hogere
instantie?
Antwoord: Ja, een dwangsom moet worden voldaan, zelfs wanneer deze later in een
bodemprocedure of door een hogere instantie wordt opgeheven. Een dwangsom
heeft geen voorlopig karakter, in tegenstelling tot het vonnis zelf. De partij moet zich
houden aan de rechterlijke beslissing, en het voorlopige karakter van het vonnis
rechtvaardigt niet dat de opgelegde handelingen niet worden nagekomen.
Ongeval st. oedenrode
In Sint-Oedenrode vindt een ernstig verkeersongeval plaats. De bestuurster verliest
de controle over het stuur in een S-bocht, waardoor de auto van de weg raakt en
tegen een boom botst. De bijrijder raakt gewond en lijdt schade. Het ziekenfonds van
de bijrijder spreekt de bestuurster aan wegens gevaarlijk rijgedrag. De bestuurster
ontkent gevaarlijk te hebben gereden en stelt dat de bijrijder tijdens de rit aan de
handrem trok.
Rechtsvraag: Moet worden aangenomen dat de bestuurster gevaarlijk heeft
gereden, of dat de bijrijder aan de handrem heeft getrokken?
Antwoord: In beginsel moet de partij die zich beroept op rechtsgevolgen vanwege
bepaalde feiten deze feiten bewijzen. In dit geval ligt de bewijslast bij degene die
stelt dat het ongeval door gevaarlijk rijgedrag is veroorzaakt.
Kalimijnen
Een Franse vennootschap loost afvalzouten in de Rijn en brengt daardoor schade toe
aan de Westlandse tuinder Bier, die vanwege de vervuiling van het water een
reinigingsinstallatie moet aanschaffen. Bier en de Stichting Reinwater dagen de
Franse Kalimijnen voor de Nederlandse rechter ter zake van onrechtmatige daad en
eisen schadevergoeding. De vraag is of de Nederlandse rechter wel bevoegd is. In de
EEX-verordening staat dat de rechter van een bepaalde staat bevoegd is, indien het
schadeveroorzakende feit in zijn staat heeft plaatsgevonden. Het Hof ’s-Gravenhage
stelt hierover een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie.