Uitgebreide samenvatting:
Na de dood van zijn moeder wordt schrijver Jeroen Brouwers overspoeld met herinneringen aan
vroeger. Hij zat van 1942 tot het eind van 1945 samen met zijn moeder, oma en zus in het Japanse
interneringskamp Tjideng, een buitenwijk van Batavia (het huidige Jakarta). In dit vrouwenkamp
verbleven ook jongens onder de tien jaar. Tijding bestond uit stenen huizen die werden volgepakt
met duizenden vrouwen en kinderen.
De kleine Jeroen woont in die tijd met zijn moeder, oma en zusje in een huis aan de Tjitaroemweg.
Zij bewonen een deel van de keuken. Zijn moeder slaapt op de aanrecht, zijn grootmoeder op een
plank die de ruimte tussen aanrecht en vloer halveert, Jeroen en zijn zusje bivakkeren onder die
plank op de grond. Hier verblijven ze bijna drie jaar lang.
Het kamp staat onder leiding van de beruchte kampcommandant Kenitji Sone, die in 1946 als
oorlogsmisdadiger werd geëxecuteerd. Tjideng wordt beschouwd als het zwaarste interneringskamp
in het toenmalige Nederlands-Indië.
In dit kamp maakt Jeroen gruwelijke dingen mee. Omdat hij nog maar klein is, begrijpt hij de helft
niet van wat hij ziet. Maar veel maakt op hem een onvergetelijke indruk en laat diepe sporen in hem
na.
De kampbewoners ondergaan vele mishandelingen en hebben honger. Medicijnen ontbreken en
velen sterven aan besmettelijke ziektes. De wrede kampcommandant is onberekenbaar en
onvoorspelbaar. Hij zwaait met zijn sabel en deelt lijfstraffen uit met een stok of rotanzweep.
In het kamp zijn er eindeloze appèls in de brandende zon, waarbij de Japanners de gevangenen laten
rondspringen als kikkers en tot bloedens toe slaan als ze hiermee stoppen. Jeroen heeft bescherming
van een oude tropenhoed, die van zijn opa is geweest. Als Jeroen op een keer een ruimte
binnenloopt waar een vrouw op een tafel wordt verkracht door een Japanner, begint hij te lachen
om de rare beweging die de man maakt. Die slaat hem daarop zo hard dat hij bloedt. Pas veel later
beseft Jeroen wat er daar gebeurde. Hij maakt ook mee dat zijn moeder wordt afgeranseld,
kaalgeschoren en een etmaal lang op het plein moet staan.
Jeroen wordt vaak geconfronteerd met de dood. Er sterven zoveel mensen dat hij het als iets
vanzelfsprekends beschouwt en hier niets bij voelt. Jeroens oma is zo ziek en uitgehongerd dat ze
haar, op een strijkplank met twee rolschaatsen eronder, naar de appèls vervoeren. Niet veel later
overlijdt ze, op de plank boven zijn slaapplek. Jeroen en zijn zus walgen van de stank die haar
doodsstrijd oplevert. Jeroens vriendinnetje Nettie Stenvert, die hij bewondert om haar mooie haar,
sterft ook. Ze wordt bedekt met zilverpapier in een theekist begraven.
Een dramatisch hoogtepunt in de kampellende is de straf die kampcommandant Sone de
geïnterneerden oplegt nadat de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki zijn gevallen. Drie dagen
krijgen de vrouwen en kinderen niets te eten. Ze moeten een grote kuil graven en vrezen dat ze
hierin als lijk zullen eindigen. Dan bevelen de Japanners dat enkele vrouwen de hulpgoederen
moeten ophalen die door het Rode Kruis zijn gestuurd. Die worden in de kuil gestort en verbrand. De
uitgehongerde menigte ziet toe hoe het eten in vlammen opgaat.
,Jeroens moeder, die in haar kleren (BH) rijst voor haar kinderen probeerde te smokkelen, wordt
door Sone persoonlijk in elkaar geslagen. Jeroen beseft later dat hij op dat moment ophield van zijn
moeder te houden, haar zelfs ging haten. Sindsdien voelt hij zich verdwaald.
Die gevoelens houdt hij in zijn latere leven. In Nederland wordt hij, omdat hij volgens zijn ouders
wild en onhandelbaar is, naar een internaat gestuurd. Zijn contact met vrouwen is en blijft
moeizaam. Hij kan en durft niet van ze te houden, en haat ze zelfs, uit pure onmacht.
Zijn relatie met Liza, een aantal jaar voordat zijn moeder sterft, is dan ook gedoemd te mislukken. Hij
kan zich niet echt met haar verbinden en is zeer bot tegen haar. Hij laat haar uiteindelijk in de steek.
Hij beseft dat hij een verwrongen beeld heeft van hoe je met vrouwen moet omgaan. Als kind zag hij
alleen maar dat ze geslagen, vernederd of gestraft werden.
Een jaar voor de dood van zijn moeder wordt hij voor het eerst vader. Hij wil niet bij de bevalling
zijn, walgt van het idee dat zijn vrouw bloedt en keert zich dan ook walgend af als hij haar toch nog
bebloed aantreft.
Met zijn moeder heeft hij dan al jaren geen contact meer. Hij woont ergens achteraf en is schrijver
geworden. Af en toe belt zijn moeder hem, maar zegt dan, als ze zijn naam hoort, dat ze verkeerd is
verbonden. Zo voelt het ook voor hem: hij is verkeerd met haar verbonden en dit komt nooit meer
goed.
Na zijn moeders overlijden wil hij niet op de rouwkaart vermeld worden. Ook gaat hij niet naar de
crematie, maar laat zich door de aanwezigen uitgebreid vertellen hoe deze is verlopen. Hij krijgt er
op eigen verzoek foto’s van te zien, maar niet van zijn dode moeder, want dit kan hij niet aan.
Tijdens de periode tussen zijn moeders sterven en haar crematie vloeien bij hem de herinneringen
aan haar, Liza, en zijn jeugd in het kamp in elkaar over.
Op het moment van de crematie verdwaalt hij in een bos in de buurt van zijn huis. Later staat hij
voor het raam van zijn werkkamer en vraagt hij zich af wat en hoe hij zich nu zou moeten voelen.
Perspectief en personages:
Jeroen Brouwers:
Bezonken Rood wordt verteld vanuit het ik-perspectief van Jeroen Brouwers, de schrijver en tevens
de hoofdpersoon. De ik-verteller is de oudere Jeroen Brouwers, die terugdenkt aan de tijd dat hij in
het kamp zat. Hij probeert precies te omschrijven wat hij destijds zag, voelde en wist. In zijn tijd in
het jappenkamp ziet hij verschrikkelijke dingen die hij de rest van zijn leven niet vergeet. Daarnaast
hebben deze gebeurtenissen hem ook gevormd zoals hij later is. Hij is erg onzeker, weet niet wat hij
wil en vindt het moeilijk om mensen te vertrouwen. Daarnaast kan hij soms erg agressief uit de hoek
komen. Uiteindelijk probeert hij zijn hele leven te verwerken door een boek te schrijven. Tussen het
kinderlijke perspectief (wat deze delen van het verhaal minder betrouwbaar kan maken) door is de
stem van de oudere Jeroen, die niet alleen zijn verleden en gevoelens van toen becommentarieert,
maar dit ook met de latere periodes in zijn leven verbindt.
Het feit dat de hoofdpersoon in het boek ook de schrijver is, maakt het een autobiografisch fictief
verhaal. Het is fictief, omdat je in de gedachten van de hoofdpersoon kan kijken. Dit is nooit 100%
waarheidsgetrouw.
, Henrietta Maria Elisabeth van Maaren
• Moeder van Jeroen
• Sterk, optimistisch
• Volhardend
De moeder zorgt in het kamp uit alle macht voor haar eigen moeder en haar kinderen. Ze probeert
de moed erin te houden, al ondergaat ze martelingen, wordt ze kaalgeschoren en lijdt ze honger.
Later praat ze hierover alsof het allemaal wel meeviel. Dit is haar manier om met die gruwelijke
gebeurtenissen om te gaan. Ze was een mooie vrouw, die aan het eind van de oorlog nog maar 38
kilo woog. Het contact met haar zoon Jeroen werd moeizaam na de oorlog. Ze belde hem af en toe,
om bij het horen van zijn naam ‘verkeerd verbonden’ te zeggen en op te hangen. Ze sterft als ze
begin zeventig is.
De oma van Jeroen
De oma van Jeroen wordt in het verhaal omschreven als een lieve en oude vrouw. Helaas weet ze
het kamp niet te overleven en overlijdt ze in het kamp wegens de verschrikkelijke omstandigheden.
Liza
• Schooljuffrouw
• Tien jaar jonger dan Jeroen
Liza heeft een relatie met Jeroen Brouwers. Over deze relatie wordt vrij weinig verteld, omdat het
hele verhaal om Jeroen Brouwers zelf draait. De relatie gaat af en toe aan en uit omdat Jeroen
Brouwers niet precies weet wie hij is en wat hij met zijn leven wil. Jeroen en Liza hebben dus geen
stabiele relatie.
Commandant Kenitji Sone
• Heeft echt bestaan
• Commandant van het kamp Tjideng
• Wreed en wispelturig
Commandant Tjideng houdt de gevangenen strak onder controle. Hij heeft geen enkel medelijden
met deze vrouwen en kinderen en begaat de meest vreselijke wreedheden, of beveelt zijn
ondergeschikten om dit te doen. In 1946 werd hij geëxecuteerd als oorlogsmisdadiger.
Titelverklaring:
De titel staat in directe relatie tot de kampperiode: het rood van de tropenzon die ondergaat, het
rood van het bloed (van afgehakte hoofden) dat Jeroen heeft zien vloeien, en van de bol in de
Japanse vlag. Het herinneringsbeeld is bezonken, ook dankzij het schrijfproces.
Het bezonken rood verwijst ook naar de dood, en naar het verlangen er niet te zijn. Dit komt naar
voren als hij zich bezat: ‘Mede onder invloed van de drank (..) zakt een was van bezonken rood voor
mijn ogen’ (p. 68).