Praktijkgericht onderzoek in de paramedische zorg
Introductiecollege PGO niveau 2a
Doel:
Stimuleren van het leven van wetenschappelijke literatuur
Kritisch leren lezen van wetenschappelijke literatuur
PGO niveau 1 (jaar 1 logopedie):
PICO vraag formuleren
Zoeken van literatuur
Verslaglegging
Mondelinge presentatie
PGO niveau 2, deel a (jaar 2 logopedie):
Kritische lezen en vergelijken van literatuur.
Relatie leggen met de praktijk.
PGO niveau 2, deel b (jaar 2 logopedie):
Zelf uitvoeren van een klein (voorgeschreven) praktisch onderzoek.
Data verzamelen, invoeren in SPSS, statistisch toetsen, verslaglegging resultaten.
PGO niveau 3 (jaar 4 logopedie):
Zelf (mee) ontwikkelen en uitvoeren van een onderzoeksproject, inclusief
verslaglegging in de vorm van een artikel.
College onderzoeksgegevens, deel 1: overzicht en RCT
Structuur van een artikel:
Titel
(Samenvatting incl. key-words)
Inleiding
Methode
Resultaten
Discussie en conclusie
Literatuur
Als je weinig of niets weet over het onderwerp, dan zal de eerste stap zijn om meer te
weten te komen over het voorkomen van het probleem. Bijvoorbeeld door het probleem
te beschrijven in getallen. Bij het beschrijven met getallen spreekt men over ‘frequentie’,
dat wil zeggen hoe vaak iets voorkomt. In dit geval spreken we van kwantitatief
beschrijvend onderzoek. Daarnaast kan het ook nodig zijn om het probleem eerst binnen
de specifieke context verder te exploreren. In dit geval gaat het om kwalitatief
onderzoek. Vaak gaat het hierbij om onderwerpen waarover nog niet veel bekend is, of
waarover in een specifieke context niet zo veel bekend is. Naast het objectief beschrijven
van de onderzoeksgroep, wordt de subjectieve beleving van de deelnemers beschreven
door de onderzoekers.
Kwantitatief beschrijvend onderzoek:
Doel : om aan de hand van getalsbeschrijvingen, ook wel frequenties genoemd, zicht te
krijgen op de omvang van een probleem.
Het zegt niets over de oorzaken van het probleem, of verschillen tussen
groepen die het probleem hebben, maar het beschrijft het probleem of de
toestand.
Het zegt hoe vaak iets voorkomt in een bepaald gebied of binnen een
behaalde andere context.
, Kwantitatief onderzoek = deductief, je leidt conclusies af uit de
onderzoeksresultaten, en toets een veronderstelling of theorie.
Beschrijvend onderzoek ligt aan de basis van elk onderzoek.
Kwalitatief onderzoek:
Doel : aan de hand van ervaringen en belevingen van mensen in een bepaalde situatie
meer te weten te komen over hun opvattingen en inzichten.
Het gaat niet om het toetsen van een hypothese aan de hand van cijfers
Gedurende het onderzoek kan het gebeuren dat je, aan de hand van de
bevindingen, verder zoekt met een aantal specifieke deelnemers, of in een
andere setting, of met nieuwe topics.
Kwalitatief onderzoek = inductief, er ontstaat een theorie vanuit hetgeen
zich aandient in bijvoorbeeld interviews.
Als er al wel het een en ander bekend is over het onderzoeksonderwerp en je wilt weten
of bepaalde factoren met elkaar te maken kunnen hebben, dan is de volgende stap om
een verband (relatie of associatie) te vinden tussen die factoren. We spreken ook wel van
correlationeel onderzoek. Dit is een vorm van kwantitatief onderzoek, waarbij in getallen
verbanden kunnen worden gelegd tussen verschillende factoren.
Correlationeel onderzoek:
Doel : er wordt gezocht naar een verband tussen bepaalde factoren.
Het zegt in principe nog niks over de onderliggende oorzaak
Als er veel factoren bekend zijn die te maken hebben met je onderwerp, dan kan
gekeken worden of er ook aanwijzingen zijn voor een mogelijke oorzakelijke (causale)
relatie. Een gevonden relatie is namelijk niet ook meteen een oorzakelijke relatie. Om te
achterhalen of er tussen twee factoren een causaal verband bestaat, moet er ook een
volgorde zijn. De meest ideale manier om zo’n mogelijk causale relatie te achterhalen is
het doen van een zogenoemd interventieonderzoek. Interventie wordt dan breed gezien.
Het kan een echte therapie zijn, of een al dan niet opzettelijk aangebrachte factor. Bij
een echte therapie spreken we van een randomised controlled trial (RCT). In dat geval
krijgt de ene groep de interventie wel en de andere niet. Dit wordt ook wel experimenteel
onderzoek genoemd. In sommige omstandigheden is een interventieonderzoek niet
mogelijk. In dat geval wordt cohortonderzoek gedaan. Bij cohortonderzoek wordt een
groep mensen gevolgd waarvan bij een deel de te onderzoeken factor spontaan wel, en
bij een deel spontaan niet optreedt.
Onderzoeksonderwerp
Weinig bekend Iets bekend Veel bekend
Type onderzoek
- kwantitatief - Correlationeel - Interventie
- Kwalitatief
,Kwantitatief onderzoek:
RCT
Observationeel onderzoek
Diagnostisch onderzoek
Kwalitatief onderzoek:
Interviewonderzoek
Focusgroeponderzoek
Hoofdstuk 2.3 Kwantitatief onderzoek: randomised controlled trial (RCT)
Van kwantitatief onderzoek geldt de RCT als de beste vorm van aanwijzing voor een
causaal verband.
Het is een type onderzoek dat uitgevoerd wordt bij onderwerpen waar al relatief veel
over bekend is.
De bedoeling is om aan de hand van een experiment aan te tonen dat een interventie
duidelijk betere of andere resultaten oplevert dan een andere interventie of geen
interventie.
De effectiviteit van een interventie kun je aantonen door deze aan de hand van een
wetenschappelijk onderzoek te onderbouwen. Dat kan op verschillende manieren.
Meestal spreekt men bij dit soort onderzoek van interventieonderzoek of experimenteel
onderzoek.
Een RCT is te beschouwen als een experiment: er wordt iets gedaan met de
proefpersonen en er wordt gekeken of er na deze interventie iets veranderd is.
Bij een RCT krijgt een groep mensen (patiënten) willekeurig (randomised) een
interventie en een andere groep (de controlegroep, controlled) niet.
Het kan zijn dat je als onderzoeker bewust of onbewust de mensen met de meeste
klachten of de mensen waarvan je verwacht dat ze het meeste voordeel hebben bij de
behandeling in de interventiegroep plaatst. In dergelijke gevallen wordt ook wel van bias
(vertekening) gesproken.
Randomisatie dient om de behandelgroep en de controlegroep zo veel mogelijk aan
elkaar gelijk te maken.
Validiteit : wat is het onderzoek ‘waard’. Het is een maat om aan te geven in welke
mate de conclusies die uit het onderzoek getrokken kunnen worden geldig
zijn. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen:
- Interne validiteit = in hoeverre zijn de conclusies geldig voor de
groep die in het onderzoek onderzocht is.
- Externe validiteit (generaliseerbaarheid, representativiteit) = dat de
onderzochte populatie dusdanig representatief is, dat deze ook te
vergelijken is met andere populaties.
Blindering : de patiënt, de behandelaar en degene die de effecten beoordeelt (de
onderzoeker) weten niet of de patiënt wel of niet in de interventiegroep is
geplaatst. Zo krijg je een objectievere en eerlijkere beoordeling van het
effect.
, Beoordeling van een artikel over een RCT:
Criteria:
Criterium 1: selectie van de patiënten
In hoeverre geven de auteurs inzicht in de in- en exclusiecriteria.
Wordt aangegeven wie er mee doen, wie niet en waarom.
Waar zijn de patiënten geworven.
Criterium 2: inhoud en vergelijkbaarheid van de behandeling
Beschrijven de auteurs de behandeling in de interventiegroep en de
controlegroep.
Verder is het belangrijk, dat behalve de interventie, er tussen de groepen
geen andere behandelverschillen zijn.
Er moet beschreven staan of er sprake is van contaminatie (vervuiling).
Hoe therapietrouw zijn de patiënten.
Criterium 3: Randomisatie
Het toeval van toewijzing van de interventie: elke patiënt heeft vooraf
evenveel kans om ofwel in de interventiegroep ofwel in de controlegroep te
worden geplaatst.
Criterium 4: blindering
De mate waarin patiënten, behandelaars en beoordelaars op de hoogte zijn
van de toegewezen interventie.
Het al dan niet op de hoogte zijn van de behandeling, kan bewust of
onbewust de uitslag sterk beïnvloeden.
Criterium 5: vergelijkbaarheid van de groepen
De interventiegroep en de controlegroep zijn, met uitzondering van de
interventie waarvan het effect moet worden vastgesteld, verder
vergelijkbaar.
In het artikel moet worden aangegeven in hoeverre de verschillen tussen
de proefpersonen de resultaten mogelijk hebben beïnvloed.
Criterium 6: kwaliteit van de uitkomstmeting
Zijn de goede meetinstrumenten gekozen om de resultaten van de
interventie te meten.
Hierover dient het artikel iets te zeggen of te refereren aan literatuur die
hierover een uitspraak doet.