1. Het Britse Rijk
Amerika
Twee kolonisatiestromen:
o Plantagekoloniën (voornamelijk in het zuiden): gericht op economische exploitatie, zoals tabak-
en katoenplantages, waarbij slavernij een grote rol speelde.
o Vestigingskoloniën (Noord-Amerika, New England): gesticht door Europese migranten, vaak
vanwege religieuze vrijheid (Pilgrim Fathers).
Gevolgen voor inheemse bevolking: massale sterfte door Europese ziektes en verdrijving van hun
leefgebieden.
Driehoekshandel & slavernij:
o Europese goederen → Afrika (ruil voor slaven)
o Slaven → Amerika (werken op plantages)
o Amerikaanse producten → Europa (suiker, tabak, katoen)
Amerikaanse Revolutie (1775-1783):
o Koloniën kwamen in opstand tegen Groot-Brittannië.
o Declaration of Independence (1776) en federale staatsvorming.
o Invloed van verlichtingsideeën.
Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865):
o Noordelijke staten (industrie, anti-slavernij) vs. Zuidelijke staten (plantage-economie, pro-
slavernij).
o Noorden won onder leiding van Abraham Lincoln.
India
Mogolkeizerrijk had eerst de handel in handen, maar Britten kregen invloed.
Verdrag van Allahabad (1765): Britten kregen belastingrecht over Bengalen.
The Great Mutiny (1857) → Brits gezag versterkt, India werd een kroonkolonie.
Modern Imperialisme:
o Exploitatie van grondstoffen en infrastructuur zoals het Suezkanaal.
o Oprichting Indian National Congress (1885).
Gandhi en de onafhankelijkheidsstrijd: geweldloos verzet leidde tot onafhankelijkheid in 1947.
Groot-Brittannië
Industriële Revolutie: van handelskapitalisme naar industrieel kapitalisme.
Katoenindustrie was de drijvende kracht.
Economisch liberalisme (vrije markt) en sociale hervormingen (Factory Acts).
2. Duitsland (1918-1990)
Weimarrepubliek (1918-1933)
Verdrag van Versailles (1919):
o Duitsland kreeg de schuld van WOI, moest herstelbetalingen doen en verloor gebieden.