Week 1: Organizing and managing
Lecture 1:
Wat is een organisatie?
"Collectieve actie die gestructureerd is voor het nastreven van een gemeenschappelijke
missie."
De structuur van een organisatie is:
"Het patroon van relaties dat is ontworpen om mensen in staat te stellen die gezamenlijke
actie te ondernemen."
Een organisatie: een groep mensen die in een bepaalde geformaliseerde structuur
samenwerken om iets te bereiken.
Mintzberg’s vijf onderdelen van een organisatie
Henry Mintzberg stelde dat elke organisatie uit vijf fundamentele onderdelen bestaat. Elk
onderdeel heeft een specifieke rol in hoe de organisatie functioneert en wordt bestuurd:
1. Strategische top (Strategic Apex)
Wie? Topmanagement (zoals de CEO, directeur).
Wat doen ze? Bepalen de algemene strategie, visie en missie van de organisatie. Ze
zorgen ook voor de relatie met de buitenwereld (stakeholders, overheid).
Doel: Sturen, controleren en zorgen dat de organisatie haar missie bereikt.
2. Middenlijn (Middle Line)
Wie? Middenmanagers (zoals afdelingshoofden of teamleiders).
Wat doen ze? Vertalen de strategie van de top naar concrete acties op de werkvloer.
Ze vormen de brug tussen topmanagement en de werkvloer.
Doel: Coördineren en controleren van dagelijkse werkzaamheden.
3. Uitvoerende kern (Operating Core)
Wie? Werknemers die het echte werk doen (zoals productiemedewerkers, leraren,
verpleegkundigen, monteurs).
Wat doen ze? De basisactiviteiten van de organisatie uitvoeren: de diensten leveren of
producten maken.
Doel: De kernoutput van de organisatie realiseren.
4. Ondersteunende diensten (Support Staff)
Wie? Afdelingen zoals HR, juridische dienst, schoonmaak, catering, communicatie.
Wat doen ze? Bieden ondersteuning aan de andere delen van de organisatie, maar
dragen niet direct bij aan de kerntaak.
, Doel: De organisatie efficiënt laten functioneren.
5. Technostructuur
Wie? Specialisten zoals planners, IT’ers, kwaliteitscontroleurs, analisten.
Wat doen ze? Ontwerpen van processen, procedures, standaarden, regels en
systemen. Ze maken het werk voorspelbaar en meetbaar.
Doel: Standaardisatie en efficiëntie verbeteren.
Mintzberg gebruikte dit model om verschillende organisatietypes te analyseren, en te laten
zien hoe structuur invloed heeft op gedrag en besluitvorming.
Belangrijke rollen (‘key players’) binnen een organisatie
Elke organisatie bestaat uit verschillende groepen mensen met specifieke functies. Deze zijn
essentieel om de organisatie als geheel goed te laten functioneren:
1. Operators (Uitvoerders)
Wat doen ze?
Ze leveren de diensten of produceren de producten van de organisatie.
Denk aan verpleegkundigen in een ziekenhuis, productiemedewerkers in een fabriek,
of leerkrachten in een school.
Rol: Ze staan aan de basis van de organisatie en vormen de operationele kern.
2. Analisten (Analysts)
Wat doen ze?
Ze plannen, meten, controleren en verbeteren de activiteiten van de organisatie.
Ze werken bijvoorbeeld met data-analyse, kwaliteitscontrole, IT-systemen of
procesoptimalisatie.
Rol: Ze helpen de organisatie om efficiënt, doelgericht en aanpasbaar te blijven.
3. Ondersteunend personeel (Support Staff)
Wat doen ze?
Ze leveren indirecte diensten die nodig zijn om de dagelijkse werking van de
organisatie mogelijk te maken.
, Denk aan medewerkers van de kantine, HR, salarisadministratie, receptie of
bedrijfsmaatschappelijk werk.
Rol: Ze ondersteunen de hele organisatie, vooral de operators, maar hebben geen
directe invloed op het primaire proces.
4. Managers
Wat doen ze?
Managers op verschillende niveaus (laag, midden en top) sturen mensen aan, nemen
beslissingen, plannen strategie en bewaken de voortgang.
o Lijnmanagers (laag): Leiden teams op de werkvloer.
o Middenmanagers: Vertalen strategie naar uitvoering.
o Topmanagement (C-suite): Bepalen visie, missie en strategie (bijv. CEO,
CFO).
Rol: Coördinatie, leiding en besluitvorming op alle niveaus van de organisatie.
Samenvatting in één zin:
Operators voeren het werk uit,
Analisten zorgen voor controle en verbetering,
Support staff ondersteunt het geheel,
Managers sturen en beslissen.
5. Culture/Ideology (Cultuur/Ideologie)
Wat is het?
De gedeelde waarden, normen, overtuigingen en overtuigingen binnen de
organisatie.
Bijvoorbeeld: innovatiegerichtheid, klantgerichtheid, duurzaamheid.
Rol: Vormt het gedrag en de mindset van medewerkers, vaak onbewust.
Het is geen formele rol, maar een kracht die alles beïnvloedt.
6. Influencers (Invloedrijke buitenstaanders)
Wie zijn dit?
Personen of groepen buiten de organisatie, zoals klanten, lobbygroepen, de media, of
belangrijke stakeholders.
Rol: Ze oefenen invloed uit op de organisatie, ook al maken ze er formeel geen deel
van uit.
Denk aan maatschappelijke druk, regelgeving of publieke opinie.
Intern of
Element Rol
Extern
Cultuur Intern Bepaalt hoe mensen denken en handelen binnen de organisatie
Oefenen druk of invloed uit van buitenaf (regels, eisen,
Influencers Extern
belangen)
, Hoe meer taakverdeling, hoe complexer
Hoe verder taken worden opgesplitst, hoe gespecialiseerder elke functie wordt.
Dat maakt de organisatie ook complexer: meer afstemming is nodig.
Coördinatie is cruciaal
Al die gespecialiseerde spelers moeten samenwerken om één vloeiende ervaring te
creëren voor de klant.
Bijvoorbeeld: het eten moet op tijd klaar zijn, de ober moet weten waar het naartoe
moet, en de borden moeten schoon zijn.
Dat samenwerken – het op elkaar afstemmen van al die losse taken – noemen we
coördinatie.
Coördinatie = ervoor zorgen dat verschillende mensen samenkomen en taken worden
uitgevoerd.
Wat is coördinatie?
Coördinatie betekent: ervoor zorgen dat alle mensen, taken en afdelingen binnen een
organisatie goed samenwerken om gezamenlijke doelen te bereiken.
Mintzberg beschrijft verschillende manieren (mechanismen) waarop die samenwerking
georganiseerd kan worden. Die noemen we: coördinatiemechanismen.
De 6 coördinatiemechanismen uitgelegd:
1. Wederzijdse afstemming (Mutual Adjustment)
Mensen stemmen onderling af door te communiceren, zonder vaste regels of
hiërarchie.
Werkt goed in kleine, flexibele teams.
Voorbeeld: een team van chirurgen die elkaar aanvullen tijdens een operatie.
2. Direct toezicht (Direct Supervision)
Eén persoon (meestal een manager) coördineert het werk van anderen door
instructies te geven en beslissingen te nemen.
Werkt goed in kleinere structuren of bij eenvoudige taken.
Voorbeeld: Hoofdchirurg die instructies geeft aan co-assistenten
(geneeskundestudenten).
3. Standaardisatie van werk (Standardization of Work)
De inhoud van het werk is vastgelegd in procedures of instructies.
Werkt goed bij repeterend of routinematig werk.
Voorbeeld: in een fabriek volgen medewerkers een vaste productielijn.
4. Standaardisatie van output (Standardization of Outputs)