INLEIDING IN DE BIOLOGIE
Thema 1 VWO 4
Thom Willeman
,Basisstof 1
Wat is biologie
Organismen: Alle levende wezens, zoals planten, dieren, schimmel en bacteriën.
Alle organismen vertonen levensverschijnselen:
➢ Voortplanten
➢ Groeien
➢ Ontwikkelen
➢ Stofwisseling → Alle chemische reacties in een organisme, bij deze reacties
katalyseren (versnellen) enzymen de reactie.
Een organisme is dood als deze geen levensverschijnselen meer vertoont, een
levenloos object heeft nooit levensverschijnselen vertoond, zoals een steen.
Levensloop en levenscyclus
Elk individu in de biologie heeft een eigen unieke
levensloop, de levensloop start direct na het ontstaan
van het individu en eindigt bij de dood. Individuen vallen
onder dezelfde soort als zij zich onderling kunnen
voortplanten en daaruit vruchtbare nakomelingen
ontstaan.
De levenscyclus behoort niet tot een individu, maar tot
een soort. De levenscyclus begint bij het ontstaan van de
soort en eindigt bij het uitsterven van de soort. In de
afbeelding staat de levenscyclus van een vlinder.
Figuur 1 Levensloop
Organisatieniveaus in de biologie
Alle organismen zijn georganiseerd in biologische
eenheden.
Biologische eenheden:
1. Molecuul → Bouwstenen van stoffen.
2. Cel → Als verschillende cellen samenwerken vormen zij een orgaan.
3. Orgaan → Deel van een organisme met een functie.
4. Organisme → Alles wat levend is, dit kan eencellig of meercellig zijn.
5. Populatie → Groep individuen van dezelfde soort.
6. Ecosysteem → Begrensd gebied met bepaald eigenschappen, de
eigenschappen kunnen levend (organismen) en niet-levend (temperatuur) zijn.
7. Biosfeer → Het geheel aan ecosystemen of aarde.
Emergente eigenschap: Als er op een hoger organisatieniveau een eigenschap
ontstaat, die niet op een lager organisatieniveau mogelijk is, zoals lopen.
Interactie: Als dingen op elkaar reageren.
1
,Basisstof 2
Organen, weefsel en cellen
Orgaanstelsel: Een groep organen die samen een functie heeft.
Alle orgaanstelsels:
➢ Bloedvatenstelsel → Hart en bloedvaten
➢ Spijsverteringsstelsel → Slokdarm, lever, maag, galblaas, alvleesklier, dunne en
dikke darm
➢ Ademhalingsstelsel → Strottenhoofd, luchtpijp en longen
➢ Zenuwstelsel → Hersenen, ruggenmerg en zenuwen
➢ Huid → Alle lagen van de huid
➢ Bewegingsstelsel → Spieren, pezen banden, botten en gewrichten
➢ Bloed → Beenmerg, bloedcellen, bloedplaatjes en plasma
➢ Hormoonstelsel → Schildklier, bijnieren en alvleesklier
➢ Uitscheidingsstelsel → Nieren, longen en blaas
➢ Afweerstelsel → Milt en lymfeklieren
Weefsel
Organen zijn opgebouwd uit weefsels, een groep
cellen met dezelfde vorm en functie noem je een
weefsel. In het menselijk lichaam komen 4
soorten weefsels voor.
1. Dekweefsel (epitheelweefsel) →
Dekweefsel beschermt en bekleedt
inwendige en uitwendige
lichaamsoppervlakten. De cellen zijn vaak
rechthoekig en liggen heel dicht op elkaar.
2. Zenuwweefsel → In zenuwweefsel zitten Figuur 2 Soorten weefsels
zenuwen die informatie doorgeven. De
cellen van dit type weefsel zijn vaak vertakt.
3. Spierweefsel → In spierweefsel zitten cellen die samentrekken. Deze cellen zijn
vaak langgerekt.
4. Bindweefsel → Bindweefsel zorgt voor steun en vorm bij organen en
organismen, ze verbinden ook onderling lichaamsdelen en kunnen ruimte
opvullen tussen organen. Deze cellen kunnen stevig of elastisch zijn.
Tussencelstof
Bij weefsels liggen de cellen vaak niet direct
naast elkaar, maar zit er tussencelstof
tussen. Het soort tussencelstof hangt af
van de functie van het weefsel. In
kraakbeenweefsel liggen groepjes van 2 of 3
cellen tegen elkaar en daarna volgt wat
tussencelstof. Kraakbeen is elastisch en
buigzaam, omdat de tussencelstof minder Figuur 3 Tussencelstof
kalkzouten bevat en meer collageenvezels.
2
,Basisstof 3
Plantaardige en dierlijke cellen
Plantaardige en dierlijke cellen
Plantaardige en dierlijke cellen hebben in de bouw veel overeenkomsten, maar ook een
aantal verschillen. Elk deel van een cel met een eigen functie noem je een organel. Het
celmembraan is de buitenste laag van een cel, daarnaast ligt bij planten om het
celmembraan nog een celwand. Het cytoplasma zit in de cel en wordt door het
celmembraan gescheiden van de buitenkant van de cel. Het cytoplasma bestaat uit
grondplasma, dat is water met opgeloste stoffen, en allerlei organellen. De celkern ligt
ook in het cytoplasma en het kernmembraan vormt de buitenste laag van de celkern.
Veel plantaardige cellen bevatten een grote centrale vacuole, deze is gevuld met vocht
en wordt omgeven door het vacuolemembraan. Bij planten kunnen in het cytoplasma
ook plastiden voorkomen, verschillende soorten zijn:
➢ Chloroplasten (bladgroenkorrels), deze bevatten de groene kleurstof chlorofyl.
➢ Chromoplasten
➢ Leukoplasten
Op plaatsen waar plantaardige cellen niet helemaal op elkaar aansluiten ontstaan
intercellulaire ruimtes, deze zijn gevuld met lucht of vocht.
Figuur 4 Plantaardige en dierlijke cel
3
,Basisstof 4
Celorganellen
Celkern
De celkern is een relatief groot organel. De kern is
omgeven door het kernmembraan en bevat kernplasma,
in het kernplasma liggen chromosomen. Chromosomen
bestaan uit lange moleculen DNA die rond een aantal
eiwitten zijn gewikkeld, het DNA bevat de informatie
over erfelijke eigenschappen van een organisme. In het
kernplasma kun je de nucleolus onderscheiden. Dit is de
plek waar delen van ribosomen worden gemaakt, deze delen
verlaten de celkern via kernporiën in het kernmembraan en vormen
ribosomen in het cytoplasma. Figuur 5 Schematische tekening celkern
Endoplasmatisch reticulum en golgisysteem
In het cytoplasma bevindt zich een uitgebreid netwerk
van dubbele membranen dat is aangesloten op het
kernmembraan, dit is het endoplasmatisch
reticulum. Er zijn twee typen endoplasmatisch
reticulum:
➢ Ruw endoplasmatisch reticulum (RER): Op de
membranen van het RER bevinden zich
ribosomen, dit zijn organellen die eiwitten
produceren.
➢ Glad endoplasmatisch reticulum (GER): Hier
bevinden zich geen ribosomen en de functie Figuur 6 Schematische tekening ER
ervan verschilt per celtype.
Ribosomen maken eiwitten, maar dan zijn ze nog niet
klaar. Ribosomen op het RER geven de eiwitten af in de
holten van de membranen van het RER. De eiwitten
worden afgesnoerd in blaasjes en worden verder
getransporteerd naar het golgisysteem. Het
golgisysteem neemt de blaasjes op en bewerkt de
eiwitten totdat ze hun uiteindelijke vorm hebben,
daarna snoert het golgisysteem de eiwitten in blaasjes
af. Sommige blaasjes moeten buiten de cel een functie
uitvoeren, dan gaan ze naar buiten via een proces dat Figuur 7 Schematische tekening
golgisysteem
exocytose heet. Het afgeven van stoffen door cellen
noem je secretie. Andere blaasjes die het golgisysteem
afsnoert, blijven in de cel. Dit zijn onder andere lysosomen, dit zijn organellen die
stoffen in de cel kunnen afbreken.
4
,Mitochondriën: Organellen die energie in de vorm van ATP produceren.
Chloroplasten: Organellen die tijdens fotosynthese lichtenergie omzetten in glucose.
Cytoskelet
Binnen in cellen bevindt zich een netwerk van
eiwitvezels dat het cytoskelet heet. Het
cytoskelet zorgt dat de cel zijn vorm behoudt en
dat organellen op hun plaats blijven.
Motoreiwitten verplaatsen zich langs het
cytoskelet een transporteren daarbij blaasjes en
eiwitten. Er zijn twee soorten vezels in het
cytoskelet: Figuur 8 Cytoskelet
1. Microtubuli: Een soort buisjes gevormd door eiwitten.
2. Microfilamenten: Een gedraaide dubbele draad van eiwitten.
Membranen
Celmembranen bestaan uit een dubbele laag fosfolipiden, dit zijn vetachtige stoffen.
Een fosfolipidemolecuul bestaan aan één kant uit een hydrofiele fosfaatgroep, deze is
goed oplosbaar in water. De andere kant bestaat uit twee lange vetzuurmoleculen en de
is hydrofoob, slecht oplosbaar in water. Ook bevat het celmembraan cholesterol, dat
een rol speelt in de stevigheid van de membranen.
Figuur 9 Celmembraan met fosfolipiden
5
,Basisstof 5
Transport door membranen
Concentratie: De hoeveelheid opgeloste stof in een bepaalde hoeveelheid
oplosmiddel.
Diffusie
Als je in een glas water een geconcentreerde oplossing van een kleurstof druppelt en
deze enige tijd laat staan, dan vermengt de kleurstof zich met het water. Na een tijdje is
het hele glas water gekleurd, dit verschijnsel heet diffusie. Diffusie is de verplaatsing
van een stof van een plaats met een hoge concentratie naar een plaats met een lage
concentratie. De snelheid waarmee de moleculen van een opgeloste stof zich
homogeen over de ruimte verdelen, heet diffusiesnelheid. De diffusiesnelheid hangt af
van:
➢ De temperatuur, hoe hoger de temperatuur des te sneller bewegen de deeltjes
zich en bewegen de moleculen zich sneller door de ruimte.
➢ De stof waarin de diffusie plaatsvindt.
Osmose
Vloeistoffen of gassen kunnen gescheiden worden met een wand met poriën. Een wand
is permeabel als de moleculen de wand kunnen passeren en er diffusie plaats kan
vinden. Een wand is semipermeabel als alleen de kleine moleculen door de wand heen
kunnen, maar de grote moleculen niet. De wand is semipermeabel: watermoleculen
kunnen er wel doorheen, maar de moleculen van de opgeloste stof niet. Het proces van
diffusie van water door een semipermeabel membraan heet osmose.
De osmotische waarde wordt bepaald door de hoeveelheid opgeloste deeltjes per
volume-eenheid. Hoe meer deeltjes zich in de oplossing bevinden, hoe hoger de
osmotische waarde. Wanneer twee oplossingen met verschillende osmotische
waardes zijn gescheiden door een semipermeabel membraan, gaat water van de
oplossing met de laagste osmotische waarde naar de oplossing met de hoogste
osmotische waarde. De oplossing met de hoogste osmotische waarde voert een
osmotische druk uit op de andere oplossing.
Figuur 10 Osmose en diffusie
6
, Membranen zijn semipermeabel
Celmembranen en membranen van
organellen zijn semipermeabel. Diffusie
en osmose spelen een belangrijke rol bij
de transport van stoffen in cellen van
organismen. Zuurstof en koolstofdioxide
passeren membranen door middel van Figuur 11 Isotoon, hypotoon en hypertoon
diffusie, terwijl water via een speciaal
eiwit de cel in of uit moet, deze eiwitten heten aquaporines.
➢ Isotoon → Als de osmotische waarde van een oplossing waar een cel zich in
bevindt gelijk is aan de osmotische waarde van het cytoplasma.
➢ Hypotoon → Als de osmotische waarde van een oplossing waar een cel zich in
bevindt lager is dan die van het cytoplasma, water zal hierdoor de cel in gaan.
➢ Hypertoon → Als de osmotische waarde van een oplossing waar een cel zich in
bevindt hoger is dan die van het cytoplasma, water gaat de cel uit en de cel
krimpt.
Stevigheid door osmose
De celwanden van planten zijn volledig permeabel. Vanwege de stevige celwand om de
plantaardige cellen, barsten ze niet zoals dierlijke cellen. Wel neemt de druk op de
celwand in de plantaardige cel toe, deze druk heet turgor en zorgt ervoor dat
plantaardige cellen stevig zijn. Onder normale omstandigheden bevinden planten zich
in een omgeving met voldoende water, dan hebben de cellen een turgor. Je noemt
plantaardige cellen met turgor turgescent. Plasmolyse is het verschijnsel waarbij het
celmembraan loslaat van de celwand als gevolg van verschil in osmotische waarde.
Soorten transport
1. Passief transport → Transport gaat met het concentratieverval mee en daar is
geen energie voor nodig. Via porie-eiwitten is ook passief transport.
2. Actief transport → Transport gaat tegen het concentratieverval in en daar is
energie voor nodig. ATP-moleculen leveren deze energie. Ook is het transport
door het afsnoeren van blaasjes actief transport.
Endocytose: Het afsnoeren van blaasjes om stoffen in de cel op te nemen.
Endosoom: Het blaasje dat zich afsnoert.
Fagocytose: Wanneer via endosomen voedsel wordt opgenomen.
Figuur 12 Actief en passief transport
7
Thema 1 VWO 4
Thom Willeman
,Basisstof 1
Wat is biologie
Organismen: Alle levende wezens, zoals planten, dieren, schimmel en bacteriën.
Alle organismen vertonen levensverschijnselen:
➢ Voortplanten
➢ Groeien
➢ Ontwikkelen
➢ Stofwisseling → Alle chemische reacties in een organisme, bij deze reacties
katalyseren (versnellen) enzymen de reactie.
Een organisme is dood als deze geen levensverschijnselen meer vertoont, een
levenloos object heeft nooit levensverschijnselen vertoond, zoals een steen.
Levensloop en levenscyclus
Elk individu in de biologie heeft een eigen unieke
levensloop, de levensloop start direct na het ontstaan
van het individu en eindigt bij de dood. Individuen vallen
onder dezelfde soort als zij zich onderling kunnen
voortplanten en daaruit vruchtbare nakomelingen
ontstaan.
De levenscyclus behoort niet tot een individu, maar tot
een soort. De levenscyclus begint bij het ontstaan van de
soort en eindigt bij het uitsterven van de soort. In de
afbeelding staat de levenscyclus van een vlinder.
Figuur 1 Levensloop
Organisatieniveaus in de biologie
Alle organismen zijn georganiseerd in biologische
eenheden.
Biologische eenheden:
1. Molecuul → Bouwstenen van stoffen.
2. Cel → Als verschillende cellen samenwerken vormen zij een orgaan.
3. Orgaan → Deel van een organisme met een functie.
4. Organisme → Alles wat levend is, dit kan eencellig of meercellig zijn.
5. Populatie → Groep individuen van dezelfde soort.
6. Ecosysteem → Begrensd gebied met bepaald eigenschappen, de
eigenschappen kunnen levend (organismen) en niet-levend (temperatuur) zijn.
7. Biosfeer → Het geheel aan ecosystemen of aarde.
Emergente eigenschap: Als er op een hoger organisatieniveau een eigenschap
ontstaat, die niet op een lager organisatieniveau mogelijk is, zoals lopen.
Interactie: Als dingen op elkaar reageren.
1
,Basisstof 2
Organen, weefsel en cellen
Orgaanstelsel: Een groep organen die samen een functie heeft.
Alle orgaanstelsels:
➢ Bloedvatenstelsel → Hart en bloedvaten
➢ Spijsverteringsstelsel → Slokdarm, lever, maag, galblaas, alvleesklier, dunne en
dikke darm
➢ Ademhalingsstelsel → Strottenhoofd, luchtpijp en longen
➢ Zenuwstelsel → Hersenen, ruggenmerg en zenuwen
➢ Huid → Alle lagen van de huid
➢ Bewegingsstelsel → Spieren, pezen banden, botten en gewrichten
➢ Bloed → Beenmerg, bloedcellen, bloedplaatjes en plasma
➢ Hormoonstelsel → Schildklier, bijnieren en alvleesklier
➢ Uitscheidingsstelsel → Nieren, longen en blaas
➢ Afweerstelsel → Milt en lymfeklieren
Weefsel
Organen zijn opgebouwd uit weefsels, een groep
cellen met dezelfde vorm en functie noem je een
weefsel. In het menselijk lichaam komen 4
soorten weefsels voor.
1. Dekweefsel (epitheelweefsel) →
Dekweefsel beschermt en bekleedt
inwendige en uitwendige
lichaamsoppervlakten. De cellen zijn vaak
rechthoekig en liggen heel dicht op elkaar.
2. Zenuwweefsel → In zenuwweefsel zitten Figuur 2 Soorten weefsels
zenuwen die informatie doorgeven. De
cellen van dit type weefsel zijn vaak vertakt.
3. Spierweefsel → In spierweefsel zitten cellen die samentrekken. Deze cellen zijn
vaak langgerekt.
4. Bindweefsel → Bindweefsel zorgt voor steun en vorm bij organen en
organismen, ze verbinden ook onderling lichaamsdelen en kunnen ruimte
opvullen tussen organen. Deze cellen kunnen stevig of elastisch zijn.
Tussencelstof
Bij weefsels liggen de cellen vaak niet direct
naast elkaar, maar zit er tussencelstof
tussen. Het soort tussencelstof hangt af
van de functie van het weefsel. In
kraakbeenweefsel liggen groepjes van 2 of 3
cellen tegen elkaar en daarna volgt wat
tussencelstof. Kraakbeen is elastisch en
buigzaam, omdat de tussencelstof minder Figuur 3 Tussencelstof
kalkzouten bevat en meer collageenvezels.
2
,Basisstof 3
Plantaardige en dierlijke cellen
Plantaardige en dierlijke cellen
Plantaardige en dierlijke cellen hebben in de bouw veel overeenkomsten, maar ook een
aantal verschillen. Elk deel van een cel met een eigen functie noem je een organel. Het
celmembraan is de buitenste laag van een cel, daarnaast ligt bij planten om het
celmembraan nog een celwand. Het cytoplasma zit in de cel en wordt door het
celmembraan gescheiden van de buitenkant van de cel. Het cytoplasma bestaat uit
grondplasma, dat is water met opgeloste stoffen, en allerlei organellen. De celkern ligt
ook in het cytoplasma en het kernmembraan vormt de buitenste laag van de celkern.
Veel plantaardige cellen bevatten een grote centrale vacuole, deze is gevuld met vocht
en wordt omgeven door het vacuolemembraan. Bij planten kunnen in het cytoplasma
ook plastiden voorkomen, verschillende soorten zijn:
➢ Chloroplasten (bladgroenkorrels), deze bevatten de groene kleurstof chlorofyl.
➢ Chromoplasten
➢ Leukoplasten
Op plaatsen waar plantaardige cellen niet helemaal op elkaar aansluiten ontstaan
intercellulaire ruimtes, deze zijn gevuld met lucht of vocht.
Figuur 4 Plantaardige en dierlijke cel
3
,Basisstof 4
Celorganellen
Celkern
De celkern is een relatief groot organel. De kern is
omgeven door het kernmembraan en bevat kernplasma,
in het kernplasma liggen chromosomen. Chromosomen
bestaan uit lange moleculen DNA die rond een aantal
eiwitten zijn gewikkeld, het DNA bevat de informatie
over erfelijke eigenschappen van een organisme. In het
kernplasma kun je de nucleolus onderscheiden. Dit is de
plek waar delen van ribosomen worden gemaakt, deze delen
verlaten de celkern via kernporiën in het kernmembraan en vormen
ribosomen in het cytoplasma. Figuur 5 Schematische tekening celkern
Endoplasmatisch reticulum en golgisysteem
In het cytoplasma bevindt zich een uitgebreid netwerk
van dubbele membranen dat is aangesloten op het
kernmembraan, dit is het endoplasmatisch
reticulum. Er zijn twee typen endoplasmatisch
reticulum:
➢ Ruw endoplasmatisch reticulum (RER): Op de
membranen van het RER bevinden zich
ribosomen, dit zijn organellen die eiwitten
produceren.
➢ Glad endoplasmatisch reticulum (GER): Hier
bevinden zich geen ribosomen en de functie Figuur 6 Schematische tekening ER
ervan verschilt per celtype.
Ribosomen maken eiwitten, maar dan zijn ze nog niet
klaar. Ribosomen op het RER geven de eiwitten af in de
holten van de membranen van het RER. De eiwitten
worden afgesnoerd in blaasjes en worden verder
getransporteerd naar het golgisysteem. Het
golgisysteem neemt de blaasjes op en bewerkt de
eiwitten totdat ze hun uiteindelijke vorm hebben,
daarna snoert het golgisysteem de eiwitten in blaasjes
af. Sommige blaasjes moeten buiten de cel een functie
uitvoeren, dan gaan ze naar buiten via een proces dat Figuur 7 Schematische tekening
golgisysteem
exocytose heet. Het afgeven van stoffen door cellen
noem je secretie. Andere blaasjes die het golgisysteem
afsnoert, blijven in de cel. Dit zijn onder andere lysosomen, dit zijn organellen die
stoffen in de cel kunnen afbreken.
4
,Mitochondriën: Organellen die energie in de vorm van ATP produceren.
Chloroplasten: Organellen die tijdens fotosynthese lichtenergie omzetten in glucose.
Cytoskelet
Binnen in cellen bevindt zich een netwerk van
eiwitvezels dat het cytoskelet heet. Het
cytoskelet zorgt dat de cel zijn vorm behoudt en
dat organellen op hun plaats blijven.
Motoreiwitten verplaatsen zich langs het
cytoskelet een transporteren daarbij blaasjes en
eiwitten. Er zijn twee soorten vezels in het
cytoskelet: Figuur 8 Cytoskelet
1. Microtubuli: Een soort buisjes gevormd door eiwitten.
2. Microfilamenten: Een gedraaide dubbele draad van eiwitten.
Membranen
Celmembranen bestaan uit een dubbele laag fosfolipiden, dit zijn vetachtige stoffen.
Een fosfolipidemolecuul bestaan aan één kant uit een hydrofiele fosfaatgroep, deze is
goed oplosbaar in water. De andere kant bestaat uit twee lange vetzuurmoleculen en de
is hydrofoob, slecht oplosbaar in water. Ook bevat het celmembraan cholesterol, dat
een rol speelt in de stevigheid van de membranen.
Figuur 9 Celmembraan met fosfolipiden
5
,Basisstof 5
Transport door membranen
Concentratie: De hoeveelheid opgeloste stof in een bepaalde hoeveelheid
oplosmiddel.
Diffusie
Als je in een glas water een geconcentreerde oplossing van een kleurstof druppelt en
deze enige tijd laat staan, dan vermengt de kleurstof zich met het water. Na een tijdje is
het hele glas water gekleurd, dit verschijnsel heet diffusie. Diffusie is de verplaatsing
van een stof van een plaats met een hoge concentratie naar een plaats met een lage
concentratie. De snelheid waarmee de moleculen van een opgeloste stof zich
homogeen over de ruimte verdelen, heet diffusiesnelheid. De diffusiesnelheid hangt af
van:
➢ De temperatuur, hoe hoger de temperatuur des te sneller bewegen de deeltjes
zich en bewegen de moleculen zich sneller door de ruimte.
➢ De stof waarin de diffusie plaatsvindt.
Osmose
Vloeistoffen of gassen kunnen gescheiden worden met een wand met poriën. Een wand
is permeabel als de moleculen de wand kunnen passeren en er diffusie plaats kan
vinden. Een wand is semipermeabel als alleen de kleine moleculen door de wand heen
kunnen, maar de grote moleculen niet. De wand is semipermeabel: watermoleculen
kunnen er wel doorheen, maar de moleculen van de opgeloste stof niet. Het proces van
diffusie van water door een semipermeabel membraan heet osmose.
De osmotische waarde wordt bepaald door de hoeveelheid opgeloste deeltjes per
volume-eenheid. Hoe meer deeltjes zich in de oplossing bevinden, hoe hoger de
osmotische waarde. Wanneer twee oplossingen met verschillende osmotische
waardes zijn gescheiden door een semipermeabel membraan, gaat water van de
oplossing met de laagste osmotische waarde naar de oplossing met de hoogste
osmotische waarde. De oplossing met de hoogste osmotische waarde voert een
osmotische druk uit op de andere oplossing.
Figuur 10 Osmose en diffusie
6
, Membranen zijn semipermeabel
Celmembranen en membranen van
organellen zijn semipermeabel. Diffusie
en osmose spelen een belangrijke rol bij
de transport van stoffen in cellen van
organismen. Zuurstof en koolstofdioxide
passeren membranen door middel van Figuur 11 Isotoon, hypotoon en hypertoon
diffusie, terwijl water via een speciaal
eiwit de cel in of uit moet, deze eiwitten heten aquaporines.
➢ Isotoon → Als de osmotische waarde van een oplossing waar een cel zich in
bevindt gelijk is aan de osmotische waarde van het cytoplasma.
➢ Hypotoon → Als de osmotische waarde van een oplossing waar een cel zich in
bevindt lager is dan die van het cytoplasma, water zal hierdoor de cel in gaan.
➢ Hypertoon → Als de osmotische waarde van een oplossing waar een cel zich in
bevindt hoger is dan die van het cytoplasma, water gaat de cel uit en de cel
krimpt.
Stevigheid door osmose
De celwanden van planten zijn volledig permeabel. Vanwege de stevige celwand om de
plantaardige cellen, barsten ze niet zoals dierlijke cellen. Wel neemt de druk op de
celwand in de plantaardige cel toe, deze druk heet turgor en zorgt ervoor dat
plantaardige cellen stevig zijn. Onder normale omstandigheden bevinden planten zich
in een omgeving met voldoende water, dan hebben de cellen een turgor. Je noemt
plantaardige cellen met turgor turgescent. Plasmolyse is het verschijnsel waarbij het
celmembraan loslaat van de celwand als gevolg van verschil in osmotische waarde.
Soorten transport
1. Passief transport → Transport gaat met het concentratieverval mee en daar is
geen energie voor nodig. Via porie-eiwitten is ook passief transport.
2. Actief transport → Transport gaat tegen het concentratieverval in en daar is
energie voor nodig. ATP-moleculen leveren deze energie. Ook is het transport
door het afsnoeren van blaasjes actief transport.
Endocytose: Het afsnoeren van blaasjes om stoffen in de cel op te nemen.
Endosoom: Het blaasje dat zich afsnoert.
Fagocytose: Wanneer via endosomen voedsel wordt opgenomen.
Figuur 12 Actief en passief transport
7