Sociologie = wetenschap die de maatschappij (mensen, instellingen en beïnvloedende processen)
probeert te begrijpen
Gedrag = sociaal handelen van mensen gericht op het verleden, huidige en toekomstig handelen
van anderen (Weber)
⇨ ≠ massagedrag en imitatie : bij sociaal gedrag is een subjectieve betekenis nodig
⇨ We kijken naar de algemene vormen van het sociaal handelen (niet naar de inhoud)
verschillend van andere wetenschappen.
4 soorten sociaal handelen (Weber)
- Instrumenteel rationeel : handelen met een bepaald doel voor ogen
(vb. naar frituur om zelf niet te hoeven koken)
- Waarde rationeel : handelen volgens je eigen waarden
(vb. naar frituur omdat je gezond eten niet belangrijk vindt)
- Affectief : handelen vanuit je gevoelens
(vb. naar frituur omdat je oogje op verkoopster hebt)
- Traditioneel : handelen uit gewoonte
(vb. naar frituur omdat je elke vrijdag frietjes eet)
Interactie = wanneer mensen elkaar sociaal handelen direct beïnvloeden tijden het sociaal handelen
- Samenwerking : je hebt een bepaald doel dat je samen wil bereiken
- Conformiteit : nadoen van wat andere doen en de manier waarop ze dit doen
- Ruil : je doet iets in ruil voor iets anders
- Conflict : ontstaat vanuit schaarste
Samenleving / maatschappij = context waarbinnen mensen sociaal handelen en interageren
(wederzijds beïnvloeden)
➔ Opstapeling van instituties (over voortplanting, productie, verdeling macht) waarbinnen de
mens samenleeft.
Kenmerken institutie
- Geeft vorm aan het menselijke handelen
- Structureert onderlinge sociale verhoudingen
- Brengt mensen samen in georganiseerde sociale eenheden
- Dwingend en normatief (leggen norm op)
- Leidt tot rolverwachtingen
⇨ Vorm van onze samenleving
,Socialisatie = overdracht van instituties en cultuur van mensen
➔ Iedereen leert wat de waarden en normen, de aanvaarde gedragen, rollen,… zijn
Controle op socialisatie in de vorm van publieke opinie, religie, kunst, rechtssysteem, politie,…
➔ Deviantie = wanneer mensen zich anders gedragen dan de maatschappelijke verwachtingen
volgens de sociale controle
2. VERSCHILLENDE VISIES
Kwantitatieve sociologische benadering = positivisme : exacte gegevens, positieve wetenschappen
➔ Kennis kan enkel gebaseerd zijn op ervaring
➔ Eenheid van wetenschappelijke methodes
➔ Duidelijke scheiding tussen feiten en waarden
Sociologen die uitgaan van oorzaak-gevolg relaties (Comte, Durkheim).
Kwalitatieve sociologische benadering : betekenis van zaken (methode is minder belangrijk,
beschrijving en interpretatie van werkelijkheid => typologie (vergelijkende studie/analyse)
Vb. Idealtypen (Weber)
Gebruikte methodes bij kwalitatieve benadering zijn participerende observatie en diepte-interview.
Microsociologie : 1 specifiek deel van de maatschappij verklaren
Mesosociologie (theories of the middle range) = manier waarop we vandaag aan sociologie doen :
niet de volledige samenleving verklaren maar wel onderling zaken linken
Macrosociologie : volledige samenleving verklaren
Cultuur : betekenissen van bepaalde elementen in de maatschappij Waarom vertonen groepen
bepaalde gedragingen?
Structuur : verschillende middelen waarmee en manier waarop iets bereikt wordt vb. Welke
instituties spelen een rol?
,3. GRONDLEGGERS
Sociologen avant la leGre
Comte (1798-1857) benoemde de sociologie. Hij ging uit van 3 stadia die de manieren waarop de
mensen denken beïnlvoeden.
1e ) theologisch stadium : religies beïnvloeden manier van denken
2e ) metafysische stadium : mensen gaan door de invloed van religies vragen stellen, waarop de
antwoorden gevonden worden via de exacte wetenschappen (ook moraal en politiek)
3e ) positieve stadium : waarin de toekomst ligt, samenleving is het resultaat van de studie van
waarneembare feiten sociologie = eindpunt van alle wetenschappen
Quetelet (1796-1874) introduceerde wiskundige elementen in de sociologie.
Spencer (1820-1903) vertrok voor zijn benadering van de sociologie vanuit de biologie. Hij werkte een
synthese van de theoretische wetenschappen uit in zijn sociale evolutieprincipe.
1e principe ) evolutie is een overgang van eenvoudige naar complexe samenlevingen
2e principe ) er is een evolutie van een militaire naar industriële samenleving
Parsons bedacht het AGIL-schema : adaption (econ.) – goal-attainment (pol.) – latency (soc., cult.) –
integration (soc., cult.).
STRUCTUUR CULTUUR
MACRO Structureel functionalisme (Parsons) Weberiaanse socialisten
Conflictsociologie (Marx)
MICRO Ruiltheorie Symbolisch interactionisme
Klassieke sociologen
4 grote sociologen die theorieën binnen de macrosociologie bedachten, ze probeerden de hele
(moderne) maatschappij binnen hun theorie te passen vandaag niet meer helemaal actueel.
MARX
Structurele opsplitsing tussen bezitters en niet-bezitters van productiemiddelen culturele
aanpassingen (vb. noodzaak aan ideologie) conflict evolutie (geen opsplitsing meer).
, Vb. IR met rijken aan de macht FR / verlichting met eerst socialisme (arbeiders aan de macht) en
daarna communisme (iedereen aan de macht).
DURKHEIM
Verhoudingen tussen mensen op vlak van arbeidsindeling, organisatie van arbeid gaat samen met een
vorm van solidariteit (mensen integreren en reguleren) van de samenleving.
Als er geen solidariteit is ontstaan sociale problemen zoals bv. suïcide, want…
- Noden van mensen zijn immaterieel : sociale behoeften (status, sociale contacten, macht,…)
- Sociale behoeften moeten van buitenaf gelimiteerd worden (door bv. religie, maar vooral
door het moraal)
=> oplossing voor sociale problemen = opdeling van de maatschappij a.d.h.v. moraal (door geboorte
en talent) zodat er minder crisissen (verstoringen van de maatschappij) voorkomen wegens te weinig
regels
WEBER
Vanuit individualistisch mensbeeld : toenemende rationalisering van maatschappelijke organisatie en
cultuur leidt tot aantasting van de vrijheid van het individu. Functionele rationaliteit mag substantiële
realiteit niet vervangen.
(De ijzeren kooi van) de rationaliteit :
- Religie minder belangrijk
- Nieuw ethos
- Leven van een individu wordt bepaald door technische en economische condities
=> 2 soorten mensen : specialist without spirit / sensualists without a heart
SIMMEL
Moderniteit zorgt voor objectivering en ontmenselijking van sociale relaties, die niet altijd volledig
subjectief zijn en individueel bepaald worden.
Hij kijkt naar hoe mensen zich gedragen in groepen (sociale verhoudingen)
- Vormenanalyse : op welke manier en in welke vorm interactie plaatsvindt, sociale rollen
- Tegenstellingen tussen groepen (vb. vrijheid/beperking van een groep, grote/kleine groep)
4. HET BEGINT BIJ EEN SAMENLEVING
Sociologen vertrekken bij hun onderzoek altijd vanuit een bepaalde maatschappelijke context.
Er is een specifiek beeld over hoe samenlevingen ontstaan en geëvolueerd zijn, waar nog steeds
nieuwe inzichten bijkomen. Het maatschappelijke beeld is erg gestuurd vanuit de westerse