Samenvatting leerdoelen AFP F1
Inhoudsopgave
Les 1.......................................................................................................................................................3
Verwoordt welke deelvaardigheden nodig zijn voor een verantwoorde klinische redenatie.............3
Benoemt de relatie tussen klinisch redeneren en methodisch handelen...........................................4
Is zich bewust van de relatie tussen kennis van biomedisch domein en het klinische
besluitvormingsproces.......................................................................................................................4
Les 2.......................................................................................................................................................5
Heeft kennis en maakt gebruik van medische terminologie...............................................................5
Kent de normaalwaarden van relevante basisparameters.................................................................5
Selecteert relevante observatieparameters aan de hand van aangeboden casus..............................7
Kent de redeneerhulpmiddelen ABCDE, (M)EWS, SBAR en DENWIS..................................................7
Les 3.......................................................................................................................................................9
Herkent de principes osmose, diffusie, filtratie en actief transport en weet waar deze in het
lichaam worden toegepast;................................................................................................................9
Legt de begrippen intracellulair, intercellulair en extracellulair uit;.................................................10
Beschrijft het transport van voedingsstoffen en afvalstoffen...........................................................10
Legt de begrippen colloïd osmotische druk en kristalloïd osmotische druk uit en benoemt de
functie hiervan..................................................................................................................................11
Interpreteert de veranderingen in filtratiedruk en colloïd osmotische druk bij een patiënt............11
Geeft uitleg over perifeer oedeem...................................................................................................11
Extra:................................................................................................................................................12
Les 4......................................................................................................................................................13
1. Benoemt de vijf belangrijkste weefseltypen in het lichaam.........................................................13
2. Legt de functies, eigenschappen en uiterlijke kenmerken van deze weefseltypen uit.................13
3. Herkent deze weefseltypen in het lichaam...................................................................................13
Les 5......................................................................................................................................................17
Benoemt de uitvoering van de controles van de meest belangrijke parameters van de vitale
systemen en kent de normaalwaarden............................................................................................17
Maakt een inschatting per afwijkende parameter welke actie er gedaan moet worden en of er een
arts ingeschakeld moet worden.......................................................................................................17
Combineert verschillende parameters tot een verpleegkundige werkdiagnose..............................18
Les 6......................................................................................................................................................18
Legt uit wat farmacologie is..............................................................................................................18
Legt uit hoe de verschillende medicijnen worden ingedeeld...............................................................18
, Farmacokinetiek: wat doe het lichaam met geneesmiddelen?........................................................19
Het proces van farmacodynamiek: wat doet het geneesmiddel met het lichaam?..........................21
Les 7......................................................................................................................................................21
Benoemt de verschillende bloedcellen en hun functies en eigenschappen.....................................21
Benoemt de verhouding bloedcellen en plasma/serum...................................................................22
Benoemt de verschillende stappen van de stollingscascade............................................................22
Benoemt de verschillende onderdelen en de functie van het lymfestelsel......................................22
Les 8......................................................................................................................................................23
Past kennis over bloedcellen toe om gegevens uit patiënten casussen te interpreteren.................23
Gebruikt gegevens uit verschillende ziektebeelden om verpleegkundige doelen en acties te
bepalen.............................................................................................................................................23
Stelt prioriteiten in verpleegkundige handelingen en een brengt volgorde aan in deze handelingen.
..........................................................................................................................................................23
Les 9......................................................................................................................................................25
Beschrijft de anatomie van het hart.................................................................................................25
Legt het verschil uit tussen de grote en de kleine circulatie.............................................................28
Benoemt de verschillen tussen arteriën en venen...........................................................................29
Legt de begrippen preload, afterload, cardiac output, slagvolume, windketelfunctie, bloeddruk,
compliantie en viscositeit uit............................................................................................................30
Legt de Frank-Starling curve uit........................................................................................................31
Les 10....................................................................................................................................................31
1. beschrijft de normale elektrofysiologie van de hartspier;............................................................31
Legt een relatie tussen het prikkelgeleidingssysteem en de cardiac output;...................................32
Benoemt de invloed van het autonoom zenuwstelsel op de hartfunctie;........................................32
Herkent de meest voorkomende hartritmestoornissen op een ECG (bradycardie, sinustachycardie,
atriumfibrilleren, ventrikelfibrilleren, AV-blok)................................................................................33
Les 11....................................................................................................................................................35
Maakt onderscheid tussen interne en externe respiratie.................................................................35
Legt uit wat een acuut coronair syndroom inhoudt en beschrijft verpleegkundige aandachtspunten
bij een zorgvrager met een acuut coronair syndroom......................................................................36
Les 12....................................................................................................................................................37
Legt uit wat hypertensie is................................................................................................................37
Benoemt de verschillende groepen antihypertensiva en legt de werkingsprincipes uit...................38
Les 13....................................................................................................................................................39
Legt uit wat decompensatio cordis is, het verschil tussen links- en rechts decompensatio cordis en
beschrijft verpleegkundige aandachtspunten bij een zorgvrager met decompensatio cordis..........39
Les 14....................................................................................................................................................41
, Overziet problemen in de ADL bij een patiënt met hartfalen...........................................................42
Schetst een overzicht in de multidisciplinaire aanpak van hartfalen................................................42
Les 1
Verwoordt welke deelvaardigheden nodig zijn voor een
verantwoorde klinische redenatie.
Klinisch redeneren:
Klinisch redeneren is de vaardigheid om eigen observaties en interpretaties te koppelen aan
medische kennis (fysiologie, anatomie, pathologie, farmacologie). Zo kunnen
verpleegkundigen goed onderbouwen welke verpleegkundige interventies zij moeten
inzetten bij een ziektebeeld of verpleegprobleem en welke vervolgstappen ze moeten
nemen
Klinisch redeneren is het denkproces dat aan het
methodisch handelen vooraf gaat.
Het continue, cyclische proces van klinisch
redeneren omvat:
1. Risico-inschatting.
2. Vroeg signalering.
3. Probleemherkenning.
4. Interventie.
5. Monitoring
, Benoemt de relatie tussen klinisch redeneren en methodisch
handelen.
Methodisch handelen:
Een bewuste en systematische aanpak van verpleegkundig handelen. Op deze manier wordt
zo effectief en efficiënt mogelijk het doel bereikt of nagestreefd wat men voor ogen heeft.
Er wordt eerst bedacht hoe het probleem
aangepakt wordt, vervolgens wordt er een plan
opgesteld en uitgevoerd. Dit wordt aan de hand
van het biomedisch domein (de kernset van
patiënten problemen) gedaan. Bij methodisch
handelen reageer je analytisch. Hierbij reageer je
door eerst de situatie te analyseren. Dit is beter
dan intuïtief reageren, waarbij men afgaat op
zijn/haar gevoel.
Relatie klinisch redeneren en methodisch
handelen: Beide via regels handelen, anamnese,
plan maken en uitvoeren, evalueren.
Is zich bewust van de relatie tussen
kennis van biomedisch domein en het klinische
besluitvormingsproces.
Verpleegkundig proces:
Wijze van verpleegkundig denken en handelen om aan de patiëntbehoeften te voldoen.
Patiëntgegevens worden verkregen, gecategoriseerd en geanalyseerd. De methode vereist
het kunnen nemen van besluiten, klinisch inzicht en cognitieve vaardigheden.
1. Anamnese: het beeld dat gevormd wordt uit de informatie van het verhaal van de
patiënt.
2. Diagnose: vaststelling van aandoening, ziekte of klacht.
3. Planning van resultaten: Verwachtingen schetsen. Wat voor resultaten verwacht je
te behalen met de processen
4. Planning van de interventies: wat voor zorg heeft de patiënt nodig?
5. Uitvoering: de zorg in werking brengen.
6. Evaluatie: Bespreken wat de resultaten zijn en wat er wel of niet goed is gegaan
Er zijn twee soorten diagnoses:
Inhoudsopgave
Les 1.......................................................................................................................................................3
Verwoordt welke deelvaardigheden nodig zijn voor een verantwoorde klinische redenatie.............3
Benoemt de relatie tussen klinisch redeneren en methodisch handelen...........................................4
Is zich bewust van de relatie tussen kennis van biomedisch domein en het klinische
besluitvormingsproces.......................................................................................................................4
Les 2.......................................................................................................................................................5
Heeft kennis en maakt gebruik van medische terminologie...............................................................5
Kent de normaalwaarden van relevante basisparameters.................................................................5
Selecteert relevante observatieparameters aan de hand van aangeboden casus..............................7
Kent de redeneerhulpmiddelen ABCDE, (M)EWS, SBAR en DENWIS..................................................7
Les 3.......................................................................................................................................................9
Herkent de principes osmose, diffusie, filtratie en actief transport en weet waar deze in het
lichaam worden toegepast;................................................................................................................9
Legt de begrippen intracellulair, intercellulair en extracellulair uit;.................................................10
Beschrijft het transport van voedingsstoffen en afvalstoffen...........................................................10
Legt de begrippen colloïd osmotische druk en kristalloïd osmotische druk uit en benoemt de
functie hiervan..................................................................................................................................11
Interpreteert de veranderingen in filtratiedruk en colloïd osmotische druk bij een patiënt............11
Geeft uitleg over perifeer oedeem...................................................................................................11
Extra:................................................................................................................................................12
Les 4......................................................................................................................................................13
1. Benoemt de vijf belangrijkste weefseltypen in het lichaam.........................................................13
2. Legt de functies, eigenschappen en uiterlijke kenmerken van deze weefseltypen uit.................13
3. Herkent deze weefseltypen in het lichaam...................................................................................13
Les 5......................................................................................................................................................17
Benoemt de uitvoering van de controles van de meest belangrijke parameters van de vitale
systemen en kent de normaalwaarden............................................................................................17
Maakt een inschatting per afwijkende parameter welke actie er gedaan moet worden en of er een
arts ingeschakeld moet worden.......................................................................................................17
Combineert verschillende parameters tot een verpleegkundige werkdiagnose..............................18
Les 6......................................................................................................................................................18
Legt uit wat farmacologie is..............................................................................................................18
Legt uit hoe de verschillende medicijnen worden ingedeeld...............................................................18
, Farmacokinetiek: wat doe het lichaam met geneesmiddelen?........................................................19
Het proces van farmacodynamiek: wat doet het geneesmiddel met het lichaam?..........................21
Les 7......................................................................................................................................................21
Benoemt de verschillende bloedcellen en hun functies en eigenschappen.....................................21
Benoemt de verhouding bloedcellen en plasma/serum...................................................................22
Benoemt de verschillende stappen van de stollingscascade............................................................22
Benoemt de verschillende onderdelen en de functie van het lymfestelsel......................................22
Les 8......................................................................................................................................................23
Past kennis over bloedcellen toe om gegevens uit patiënten casussen te interpreteren.................23
Gebruikt gegevens uit verschillende ziektebeelden om verpleegkundige doelen en acties te
bepalen.............................................................................................................................................23
Stelt prioriteiten in verpleegkundige handelingen en een brengt volgorde aan in deze handelingen.
..........................................................................................................................................................23
Les 9......................................................................................................................................................25
Beschrijft de anatomie van het hart.................................................................................................25
Legt het verschil uit tussen de grote en de kleine circulatie.............................................................28
Benoemt de verschillen tussen arteriën en venen...........................................................................29
Legt de begrippen preload, afterload, cardiac output, slagvolume, windketelfunctie, bloeddruk,
compliantie en viscositeit uit............................................................................................................30
Legt de Frank-Starling curve uit........................................................................................................31
Les 10....................................................................................................................................................31
1. beschrijft de normale elektrofysiologie van de hartspier;............................................................31
Legt een relatie tussen het prikkelgeleidingssysteem en de cardiac output;...................................32
Benoemt de invloed van het autonoom zenuwstelsel op de hartfunctie;........................................32
Herkent de meest voorkomende hartritmestoornissen op een ECG (bradycardie, sinustachycardie,
atriumfibrilleren, ventrikelfibrilleren, AV-blok)................................................................................33
Les 11....................................................................................................................................................35
Maakt onderscheid tussen interne en externe respiratie.................................................................35
Legt uit wat een acuut coronair syndroom inhoudt en beschrijft verpleegkundige aandachtspunten
bij een zorgvrager met een acuut coronair syndroom......................................................................36
Les 12....................................................................................................................................................37
Legt uit wat hypertensie is................................................................................................................37
Benoemt de verschillende groepen antihypertensiva en legt de werkingsprincipes uit...................38
Les 13....................................................................................................................................................39
Legt uit wat decompensatio cordis is, het verschil tussen links- en rechts decompensatio cordis en
beschrijft verpleegkundige aandachtspunten bij een zorgvrager met decompensatio cordis..........39
Les 14....................................................................................................................................................41
, Overziet problemen in de ADL bij een patiënt met hartfalen...........................................................42
Schetst een overzicht in de multidisciplinaire aanpak van hartfalen................................................42
Les 1
Verwoordt welke deelvaardigheden nodig zijn voor een
verantwoorde klinische redenatie.
Klinisch redeneren:
Klinisch redeneren is de vaardigheid om eigen observaties en interpretaties te koppelen aan
medische kennis (fysiologie, anatomie, pathologie, farmacologie). Zo kunnen
verpleegkundigen goed onderbouwen welke verpleegkundige interventies zij moeten
inzetten bij een ziektebeeld of verpleegprobleem en welke vervolgstappen ze moeten
nemen
Klinisch redeneren is het denkproces dat aan het
methodisch handelen vooraf gaat.
Het continue, cyclische proces van klinisch
redeneren omvat:
1. Risico-inschatting.
2. Vroeg signalering.
3. Probleemherkenning.
4. Interventie.
5. Monitoring
, Benoemt de relatie tussen klinisch redeneren en methodisch
handelen.
Methodisch handelen:
Een bewuste en systematische aanpak van verpleegkundig handelen. Op deze manier wordt
zo effectief en efficiënt mogelijk het doel bereikt of nagestreefd wat men voor ogen heeft.
Er wordt eerst bedacht hoe het probleem
aangepakt wordt, vervolgens wordt er een plan
opgesteld en uitgevoerd. Dit wordt aan de hand
van het biomedisch domein (de kernset van
patiënten problemen) gedaan. Bij methodisch
handelen reageer je analytisch. Hierbij reageer je
door eerst de situatie te analyseren. Dit is beter
dan intuïtief reageren, waarbij men afgaat op
zijn/haar gevoel.
Relatie klinisch redeneren en methodisch
handelen: Beide via regels handelen, anamnese,
plan maken en uitvoeren, evalueren.
Is zich bewust van de relatie tussen
kennis van biomedisch domein en het klinische
besluitvormingsproces.
Verpleegkundig proces:
Wijze van verpleegkundig denken en handelen om aan de patiëntbehoeften te voldoen.
Patiëntgegevens worden verkregen, gecategoriseerd en geanalyseerd. De methode vereist
het kunnen nemen van besluiten, klinisch inzicht en cognitieve vaardigheden.
1. Anamnese: het beeld dat gevormd wordt uit de informatie van het verhaal van de
patiënt.
2. Diagnose: vaststelling van aandoening, ziekte of klacht.
3. Planning van resultaten: Verwachtingen schetsen. Wat voor resultaten verwacht je
te behalen met de processen
4. Planning van de interventies: wat voor zorg heeft de patiënt nodig?
5. Uitvoering: de zorg in werking brengen.
6. Evaluatie: Bespreken wat de resultaten zijn en wat er wel of niet goed is gegaan
Er zijn twee soorten diagnoses: