Diagnostiek wordt ingezet om klachten en symptomen te ordenen (beschrijvend), beter te
begrijpen (verklarend), het verloop te voorspellen (prognose), een passende behandeling te kiezen
(indicatie) en om het e ect van behandeling te evalueren.
Er zijn verschillende diagnostische instrumenten. Observatie is waardevol omdat het iets is wat
alleen mensen goed kunnen, maar het blijft een momentopname. Gestructureerde interviews
geven houvast en leiden snel tot een diagnose, maar laten weinig ruimte voor doorvragen of
nuance. Vragenlijsten zijn e ciënt, maar gevoelig voor sociaal wenselijke antwoorden.
Psychologische tests kunnen inzicht geven, maar zijn ook afhankelijk van bijvoorbeeld slaap of
stemming op dat moment. Tot slot is er de hetero-anamnese, waarbij informatie uit de omgeving
helpt om een vollediger beeld te krijgen, vooral over het ontstaan of verloop van klachten in het
verleden.
De diagnostische cyclus bestaat uit verschillende stappen om een probleem te identi ceren en te
begrijpen. Het begint met het (1) onderkennen van wat er aan de hand is door de klachten en
problemen van een persoon in kaart te brengen. Deze klachten worden geclusterd in
disfunctioneel gedrag of stoornissen en er wordt gekeken naar de ernst ervan. Ook wordt
onderzocht wat er goed gaat bij de persoon, de steunpilaren, en alternatieve oorzaken van de
klachten worden overwogen.
- Een belangrijk onderdeel is de di erentiaaldiagnose, waarbij alternatieve diagnoses worden
overwogen voor de symptomen. Bijvoorbeeld, concentratieproblemen en impulsief gedrag
kunnen wijzen op ADHD, maar ook op andere oorzaken zoals middelmisbruik of een
angststoornis.
- Classi catie volgt met het beschrijven van de symptomen volgens DSM-5 termen, zonder te
focussen op de oorzaak. De uiteindelijke diagnose zoekt niet alleen naar de symptomen, maar
probeert ook de oorzaken en context van de klachten te begrijpen.
- Er is kritiek op de DSM vanwege stigmatisering, overdiagnostiek, en de overlap in symptomen.
Toch heeft het voordelen zoals wetenschappelijke systematiek en een gemeenschappelijke taal.
- Hypothesen worden geformuleerd om zowel de onderkennende als verklarende oorzaken van
de klachten te begrijpen, waarbij probleemclusters gekoppeld worden aan speci eke
stoornissen en factoren die de klachten kunnen veroorzaken of versterken.
- Onderkennende hypothese: Het probleemcluster wijst op een speci eke stoornis, met een
korte de nitie en bron. Bijv. ‘Sociale problemen en angst wijzen op sociale angststoornis’
- Verklarende hypothese: Factor(en) die de symptomen veroorzaken of versterken. Bijv.
‘Problemen in school functioneren door lage intelligentie.’
Verklaring: De oorzaak van het probleem en wat het in stand houdt of doet toenemen. Kennis van
het beloop van stoornissen en factoren die gedrag behouden is belangrijk. Theorieën (zoals
zelfbewustzijnstheorie voor sociale fobie) bieden aanknopingspunten voor behandeling. Let op:
correlatie is niet altijd causaliteit.
- Valkuilen: Aetiologie is complex en individueel (risicofactoren en kwetsbaarheden kunnen bij
iedereen anders zijn). Er is subjectiviteit van zowel cliënt als therapeut. Wees kritisch over je
waarnemingen. Soms is pragmatisme nodig, niet alles hoeft begrepen te worden.
Prognose: De verwachte ontwikkeling van het probleem, bijvoorbeeld kans op suïcide of terugval.
Kennis helpt hierbij.
Indicatie: Kennis van e ectieve behandelingen, gebaseerd op richtlijnen (bijv. GGZrichtlijnen.nl).
Let op actualiteit van richtlijnen en pas de behandeling aan op draagkracht en hulpvraag.
Evaluatie: Werkt de behandeling? Als niet, waarom niet? Blijf kritisch en evalueer of diagnose en
casusconceptualisatie kloppen.
Biases (denkfouten): Biases zijn mentale shortcuts die we gebruiken om snel beslissingen te
nemen, maar ze kunnen tot verkeerde oordelen leiden.
- Halo-e ect: Een opvallend kenmerk beïnvloedt het oordeel over de hele persoon (bijv. uiterlijk).
- Een patiënt die altijd vriendelijk lacht en beleefd is, wordt door de psycholoog als minder
depressief ingeschat, terwijl die persoon van binnen wel ernstig depressieve klachten ervaart.
- Anchoring bias: Overmatig beïnvloed worden door de eerste informatie die je krijgt.
fifffi ffff ffi ff fi fi fi
, - Als een huisarts in de verwijsbrief schrijft dat een cliënt waarschijnlijk ADHD heeft, kan de
psycholoog zich zo focussen op ADHD-symptomen dat hij minder let op signalen van
bijvoorbeeld autisme of trauma.
- Con rmation bias: Informatie zoeken die je eigen overtuigingen bevestigt.
- Als een psycholoog denkt dat een cliënt een depressie heeft, zal hij vooral letten op sombere
uitspraken en weinig aandacht besteden aan momenten waarop de cliënt zich wél goed voelt.
- Leniency-e ect: Bekende mensen positiever beoordelen en negatieve eigenschappen
relativeren.
- Een psycholoog kan een cliënt die hij persoonlijk kent minder kritisch beoordelen en
negatieve eigenschappen milderen, ondanks tekenen van een probleem.
- Contrast-fout: betekent dat je iemand sterker beoordeelt op basis van de verschillen tussen
jou en diegene, waardoor je de verschillen groter maakt dan ze zijn.
- Een psycholoog die zelf erg gestructureerd is, kan een cliënt die chaotisch is als veel
onzorgvuldiger en disfunctioneler beoordelen dan diegene in werkelijkheid is, simpelweg
omdat de cliënt zo anders is dan hijzelf.
- Actor-observer bias: Eigen gedrag toeschrijven aan externe factoren, gedrag van anderen aan
hun persoonskenmerken toeschrijven.
- Een psycholoog denkt dat een cliënt ongeduldig is vanwege zijn persoonlijkheid, maar als hij
zelf ongeduldig is, wijt hij het aan stress of omstandigheden.
Hoorcollege 2: Intake
Voorbereiding intake:
- Verwijzer: Meestal huisarts, maar kan ook specialist, arbo-arts of andere GGZ zijn.
- Analyse van de verwijsvraag: Wat wil de verwijzer weten? Is het duidelijk?
- Dossieranalyse: Bekijk eventueel ingevulde klachtenlijsten (zoals SCL-90, OQ45) om
probleemgebieden te identi ceren en gerichte vragen te formuleren.
- Levensloopvragenlijst: Laat de cliënt deze invullen om inzicht te krijgen en gerichte vragen voor
de intake te stellen.
Het eerste gesprek:
- Introductie: Stel jezelf voor en maak de cliënt op zijn/haar gemak.
- Praktische afspraken: Leg het doel van de intake uit, wat de cliënt kan verwachten, dat er
mogelijk meerdere gesprekken zijn en vragenlijsten afgenomen kunnen worden, en bespreek de
vertrouwelijkheid.
Indien verwijzing:
- Vraag of de cliënt het eens is met de verwijzingsvraag.
- Peil de verwachtingen en motivatie van de cliënt (bijv. of de cliënt gestuurd is door de
bedrijfsarts).
Aandachtspunten eerste gesprek:
Verken de klachten, waarom de cliënt nu hulp zoekt, het grootste knelpunt, eerdere pogingen en
hulpverlening, en de doelen. Bespreek terugkerende thema’s, momenten zonder klachten,
medische oorzaken, verslaving, suïcidegedachten, sociale steun en wat goed gaat.
- Trechteren: Begin breed en ga vervolgens speci eker in op de situatie van de cliënt.
Observatiepunten tijdens de intake (status mentalis):
- Eerste indruk: Kijk naar het uiterlijk (bijv. passend voor leeftijd), houding, contact, hoe de
klachten gepresenteerd worden en hoe de cliënt reageert.
- Cognitief functioneren: Let op bewustzijn, aandacht, concentratie, geheugen, intelligentie,
ziekte-inzicht, waarneming en denken.
- A ectief functioneren: Observeer de stemming en a ect (emoties) van de cliënt, en
somatische klachten die verband houden met bijvoorbeeld angst of depressie.
- Conatieve functies: Let op psychomotoriek zoals mimiek, gebaren, spraak, en de motivatie en
het gedrag van de cliënt.
- Persoonlijkheid: Let op opvallende persoonlijkheidstrekken en copingstijlen, bijvoorbeeld in
kledingkeuze of taalgebruik.
- Psycholoog's gevoelens: Hoe voel jij je als psycholoog tijdens het gesprek? Welke reacties
roept de cliënt bij je op?
ff fi
ff fi fi ff