Taak 2; De kenmerkende score. Hoofdstuk 1
Probleemstelling: Hoe verwerk je onderzoeksresultaten?
Leerdoel 1; Wanneer gebruik je welk kengetal?
We gebruiken de mediaan wanneer we te maken hebben met ordinaal, interval of
ratio meetniveau. Daarnaast kunnen we ook het gemiddelde gebruiken, dit kan bij
interval of ratio meetniveau. De modus kunnen we gebruiken bij alle meetniveaus.
Modus (Mo) De modus heeft geen criteria.
Mediaan (M) Voor de mediaan zijn er categorieën nodig die geordend zijn.
Gemiddelde (X) Hierbij moeten er geordende categorieën zijn waarbij de afstanden
ertussen even groot zijn en het kan zijn dat er een nulpunt is.
Bij scheefheid hebben we te maken met een aantal extreem hoge of lage waarden.
Wanneer hier sprake van is gebruik je niet de X-streep maar de M. M is namelijk
resistent voor outliers en X niet. Wanneer de verdeling eentoppig of symmetrisch is:
Mo = M = X.
Leerdoel 2; Welke manieren zijn er om je onderzoeksresultaten te
presenteren?
- Een spreadsheet is een tabel met individuen, variabelen en data. Ze zijn
handig wanneer je simpele berekeningen wil uitvoeren.
- Bij categorische variabelen kunnen worden weergegeven in een bar graph en
een pie chart. Ze zijn echter maar beperkt bruikbaar, want één categorische
variabele is ook te begrijpen zonder diagram.
- De pie chart vereist dat alle categorieën erin verwerkt zijn die samen een
geheel vormen. De pie chart wordt alleen gebruikt om makkelijk te laten zien
welk deel die waarde uitmaakt van het totaal.
- De bar graph is makkelijker te lezen. Je kunt gemakkelijk de waardes van
verschillende groepen met elkaar vergelijken.
- Bij kwantitatieve variabelen kan gebruik worden gemaakt van histogrammen,
stem & leaf-plot en frequentie tabellen. Wanneer je de achtergrond van je
data (individuen, variabelen en meeteenheden) begrijpt ga je je data plotten.
Als je naar een plot kijkt zoek je naar een overall pattern (algemeen
patroon) en naar striking deviations (opvallendheden). Je kunt het patroon
beschrijven aan de hand van de vorm, het centrum en de spreiding.
Outlier, een losse waarde die buiten het overall pattern valt, is een belangrijke
vorm van deviatie.
- Stem & leaf-plots geven een snel beeld over de vorm van de verdeling en
bevat de numerieke waarden in de diagram. Ze werken het beste met een
klein aantal waarnemingen, allemaal groter dan 0. De stam bestaat uit alle
tientallen/honderdtallen, alles behalve het meest rechtse cijfer, dat is namelijk
het blad. Wanneer je twee verdelingen wilt vergelijken kun je gebruik maken
van de back-to-back stem&leaf-plot. In het midden de stam en links en
rechts ervan de bladeren. Wanneer je toch een groot aantal waarnemingen
wilt verwerken kun je ervoor kiezen om de stam te verdubbelen. Elk getal twee
keer in de stam voor laten komen, de ene met getallen 0 t/m 4 erachter, de
ander met 5 t/m 9.