Nederlandse geschiedenis
Hoorcollege 1
Hoe functioneert het Nederlandse bestuur? Hoe heb je daar invloed op? Welke verplichtingen heb
je als burger naar elkaar en anderen? Hoe wek je het verantwoordelijkheidsgevoel op? Wat zijn de
waarden en normen van een democratie?
Thema 1 politiek: Hoe ontwikkelt NL zich tot democratie? Hoe kan je invloed uitoefenen d.m.v.
individuele burgerrechten.
Thema 2 Sociaal: Hoe hebben sociale bewegingen invloed op de samenleving? Gezamenlijke
verantwoordelijkheid voor het functioneren van de samenleving.
Thema 3 cultureel: plaats van identiteit en diversiteit in de samenleving.
Burgerschap-educatie gaat om zowel kennis, vaardigheden en attitudes (democratisch). Het is
gericht op het stimuleren van actief en betrokken burgerschap.
• Kennis met betrekking tot sociale, politieke en burgerlijke instellingen en de rechten en plichten
van een burger
• Democratische vaardigheden = kritisch denken, leren respectvol argumenteren van in een
discussie
• Stimuleren van democratische attitudes zoals politiek vertrouwen, politieke tolerantie en een
politiek zelfbeeld
Jongeren zijn onderdeel van een groter verband —> ik —> sociale omgeving —> maatschappij
In de geschiedenis is er onderscheid gemaakt tussen burgers en onderdanen. Burgers zijn vrij,
hebben rechten en zijn onderling gelijk. Ze worden gecreëerd, hier is ontwikkeling voor nodig. Ze
dragen verantwoordelijkheid en zijn loyaal.
Als onderdaan ben je vaak onvrij, zijn ongelijk aan elkaar en hebben geen verantwoordelijkheid.
Zijn rechteloos of rechts onzeker. Er wordt van ze verwacht dat ze trouw zijn aan een persoon.
In Polen (actuele situatie): pedagogy of national pride. Dit is een beweging die de nationale trots
probeert te herstellen. In het curriculum moet ‘nationale trots’ verwerkt worden. Geen ruimte voor
discussie + weinig van kritische blik. Leraren in Polen gaan van burger naar onderdaan.
Sapere Aude —> durf te leren en denken —> belangrijk voor democratie en hierin zit een
belangrijke rol voor leraren.
Bouwstenen burgerschap
Vrijheid & gelijkheid, macht & inspraak, democratische cultuur, identiteit, diversiteit, solidariteit,
digitale samenleving, duurzaamheid, globalisering, technologisch burgerschap en denk- en handel
wijze. De jongeren van de democratie hebben een verkeerd idee van politiek door desinteresse en
een verkeerd idee van democratie. Plakkaat van Verlatinghe is de eerste Nederlandse
onafhankelijkheidsverklaring. Burgerschap heeft dus te maken met national identiteit.
Juridisch burgerschap
Recht op paspoort of id en verblijf-terugkeer. Je hebt een lidmaatschap van de staat. Je hebt
gelijke grondrechten en democratisch stemrecht. Verkrijgen van juridisch burgerschap kan op de
manier van Ius Soli: (Geboren = nationaliteit) ondanks dat je ouders er niet geboren zijn (VS). Een
andere manier is Ius Sanguinis: (bloed = nationaliteit) als je ouders in NL zijn geboren ben je
Nederlander, ook als je ergens anders geboren bent (NL). In dit burgerschap komt een
ontwikkeling in de loop van de geschiedenis:
18e eeuw: burgerrechten (vrijheid van godsdienst). 19e eeuw: politieke rechten (stemrecht). 20e
eeuw: sociale rechten (uitkering en minimum loon = arbeidersrechten). Onderzoeker Ayelet
Schacher: we leven mondiaal gezien in een geboorteloterij (je kan niet kiezen waar je bent
geboren = oneerlijk). Zo is er ook paspoortongelijkheid. Voorbeeld: met een Nederlands paspoort
,mag je naar 150 landen reizen en met een Afghaans paspoort mag je maar naar 14 landen reizen.
Joden in Duitsland in 1938 verloren hun burgerrechten en konden dus nergens heen, ze waren
statenloos. Ze worden vergeleken met vluchtelingen. HDI is een vergelijking in ontwikkeling, de
geboorteloterij komt hier tot uiting.
Maatschappelijk burgerschap
Hoe wordt je onderdeel van een gemeenschap? Het probleem hierbij is dat we leven in tijden van
individualisering, globalisering, internationalisering, migratie, technologische verbanden en
secularisatie. Grondwet patriottisme (Jürgen Habermas): gemeenschap d.m.v. grondwet is de
basis van NL, de basis is niet oranje, kaas etc.
Böckenförde - dilemma: bij een democratie komt de macht van onder (volk) en bij een absolute
monarchie komt de macht van boven (god). Terwijl de absolutistische staat loyaliteit van zijn
burgers eist en door deze loyaliteit zijn heerschappij kan uitoefenen, vertrouwt de democratische
staat op democratische overtuigingen van zijn burgers en kan die overtuigingen niet zelf
afdwingen. Dit leidt tot moeilijkheden bij het beantwoorden van de vraag hoe een democratisch
gevormde samenleving haar voortbestaan kan verzekeren en zichzelf kan verdedigen tegen
bedreigingen. Böckenförde vestigt de aandacht op de paradox dat de staat in de poging om de
democratie te verdedigen met "de middelen van juridische dwang en decreten van het gezag" zelf
een dictatuur zou worden omdat het inbreuk zou maken op het idee van mensen als soeverein.
Paradox van de intolerantie: de maatschappij kan niet ongelimiteerd tolerant zijn. We moeten
intolerant reageren op de aanvallen van de intolerante medemens. De tolerante samenleving moet
verdedigd worden. De oplossing hiervoor is gezin, opvoeding en overheid, maar er is vrijheid van
onderwijs. In het onderwijs mag je kinderen dus ook intolerante dingen leren.
Cultureel burgerschap
Cultuuralisering van de Nederlandse kernwaarden: tolerantie, gelijkheid, vrijheid. In de media komt
vaak naar voren wie de ‘echte’ Nederlanders zijn. Het gevaar kan zijn dat dat burgerschap als
onderdeel van nationale identiteit kan worden gezien. Xenofobie, homehaat etcetera komt voor
onder mensen met en zonder een migratie achtergrond.
,Hoorcollege 2
1815: Koning Willem I voegde Nederland en België samen om eenheid te creëren. Noordelijke
Nederlanden waren voor, maar sommige waren bang dat Antwerpen weer zou opkomen als
havenstad. Hier werd ook een nieuwe grondwet bij gemaakt. De acht artikelen van Londen
(grondwet 1814) werden getekend. Deze was in het geheim afgesproken. Het zorgde voor kritiek
van de genen die niet van de afspraak afwisten. Schulden die in het verleden gemaakt waren,
werden gezamenlijk betaald. Zo had België opeens veel meer schuld. De katholieken (grotendeels
in België) raakte hun bevoorrechte positie kwijt. Er was censuskiesrecht. Toen er grotendeels
tegen werd gestemd, sprak Willem op het feit dat diegenen die niet kwamen opdagen, voor
stemde. De grondwet werd aangenomen en er was godsdienst vrijheid, dit wil zeggen dat
katholieken geen tweederangsburgers meer waren. In 1815 werd er gestemd over de grondwet
van 1814.
Willem zegt dat zijn soevereiniteit ouder is dan de grondwet in 1814. Hij ziet zichzelf als de
uitvoerder van het volk, de eerste van het volk die alles voor het zeggen heeft. Kritiek was niet
welkom.
Wat zegt de houding van Willem I over en met de verhouding tussen de burger?
De periode van het stadhouderloze tijdperk wordt gekenmerkt door economische achteruitgang.
Rond de tijd van revoluties komt het volk in opstand. Johan Derk van der Capellen tot den
Pol: roept op tot volkssoevereiniteit. Hij is een verlichte man. Iedereen is gelijk geboren en
iedereen moet elkaar gelukkig maken. Zijn pamflet over volkssoevereiniteit was geïnspireerd op
The Declaration of Independence (dit was de verlichting van de republiek).
Spinoza was iemand die al eerder nadacht over hoe het bestuur in de republiek geregeld moest
worden. Hij vond dat de macht eerlijk verdeeld moest worden, niet alleen voor het volk.
Roegiers en van Sas: het proces van politisering kan alleen vanuit de achtergrond van de
Nederlandse verlichting worden begrepen. Hierbij speelde 1) de rol van de republiek op
internationaal niveau en de invloed van Franse publicaties, 2) meer aandacht voor publicaties
buiten de bijbel, zoals tijdschriften, 3) er ontstond in de 18e eeuw het idee van maakbaarheid van
de samenleving.
Verlichting in de republiek draaide om gewetensvrijheid, het idee stamde al uit de tijd van Perikles.
Hij zei dat je politieke gelijkheid nodig had. De ene stem mag niet meer wegen dan de andere. Je
kon regeren en er kon over je geregeerd worden. Verder waren er vele contractdenkers. Denk aan
Hobbes en Locke, Rousseau (Als je actief meedeed aan de gemeenschap kun je hier later je
vruchten van plukken. Hij vond dat de bestuurden besturen moesten: directe democratie).
Hobbes: het Sociaal Contract, de staat en haar onderdanen hebben een contract met elkaar
gesloten. De staat heerst en de onderdanen volgen, maar wanneer de staat de afspraken niet
nakomt mag je het bestuur afzetten.
Rousseau: vrijheid ontstaat bij participatie in gemeenschap. De zaken van de staat zijn ook de
zaken van haar burgers. Wens tot directe democratie: ‘de bestuurden moeten de bestuurders zijn’.
Locke: de overheid ontvangt slechts die hoeveelheid macht die de burgers, in de vorm van een
‘sociaal’ contract wensen af te staan. De overheid dient representatief te zijn voor de opvattingen
van de burgers. Individuele vrijheid is hierbij de norm: de vrijheid kan alleen ingeperkt worden
volgens de regels die de burgers onderling afspreken.
Met de beweging van de patriotten worden deze dingen in werking gezet. Wat hun willen: de
macht van de republiek moest hersteld worden. Burgers moesten mee kunnen beslissen. Er moest
een morele herbewapening komen, om zo weer een vaderlandse deugdzaamheid te creëren. Er
moest een grondwettelijke herstelling komen: herstel van oude rechten en privileges die in de loop
van de jaren waren verduisterd waardoor gewone burgers hun invloed waren kwijtgeraakt, en
, steden (d.w.z. plaatselijke regentenestablishment) en gewesten hadden ingeboet tegenover de
stadhouder. Hiermee zou het volk weer invloed hebben op het bestuur, en wat hiervoor staat.
Lambert: dynamiek van het politiseringproces. Midden jaren 1780 werden de eisen scherper
geformuleerd. Er ontstonden zo nieuwe tegenstellingen, bijvoorbeeld van regenten. Hun lokale
structuren werden namelijk veranderd, waarmee de burger misschien meer te zeggen zou hebben.
Onder Willem V komt er een Bataafse Republiek, nadat hij is gevlucht naar Engeland. De rechten
van de mens en burger worden uitgeroepen (1795). Burger werd een ideologische representant
van de staat. In 1798 kwam de eerste grondwet tot stand.
Algemene beslissingen grondwet:
- Een persoon moest worden beschermd, op gebied van bezit en respect.
- De wet is gelijk voor iedereen
- Er is echter wel een eerbiedige erkentenis van al besturend opperwezen: aanraden om in
god te geloven
Hoe werd er dan bestuurd? Er was vrijheid van vergaderen en drukpers, rechtspraak in naam van
de wet, volksvertegenwoordiging. De verhouding van burger vs. Staat: scheiding kerk en staat,
gereguleerde vrijheid, begin liberalisme. De burger werd beschermd tegen de overheid.
1806: Lodewijk Napoleon was een geliefde vorst, hij verbindt zich met het volk en creëerde
eenheid. Hierna komt er een inlijving bij Frankrijk: 1810-1815. Volkerenslag bij Leipzig 1813,
Lodewijk wordt gevangengezet in Elba. Het was een van de grootste slagen voor de eerste
wereldoorlog.
Gijsbert Karel van Hogendorp: ontwikkelde ideeën over de ideale inrichting van de staat. Dit deed
hij steeds meer zodra de macht van Frankrijk groter werd. Hij keek hiervoor naar de founding
fathers; scheiding der machten, soort president. Hier wilde hij wat mee doen als de Fransen weg
waren. Geen president, maar een constitutionele monarchie. Een president paste niet in de
Europese traditie. Zodra de Fransen weg waren zei hij: Holland is vrij, de oude tijden komen terug.
Er moest een Oranje terugkomen (= Willem I).
Artikel de Rooy: Nederland rond 1813: er was een republikeinse veelheid (geen eenheid) met
gewesten waarvan Holland het zwaartepunt was, er was ook een verdeling tussen noord en zuid
van de unie van Utrecht/Atrecht. Op religieus gebied was het protestanten vs katholieken, binnen
de protestanten was er veel diversiteit (katholiek en joodse waren gelijk). Sociale ongelijkheid /
economische ongelijkheid was er ook in de vorm van een klassensamenleving i.p.v een
standensamenleving. Op politiek gebied was de kern van het kiesstelsel: leden Tweede Kamer
werden gekozen door de Provinciale Staten, naar evenredigheid. De zetels van de Provinciale
Staten werden verdeeld tussen 3 standen (aristocratie, landeigenaren en de steden). Politiek was
voorbehouden aan en had de interesse van een kleine groep en gericht op stabiliteit.
De morele natie: conformisme: men diende tevreden te zijn met waarin hij geplaatst was (bijv
pauper). Toch moest iedereen een zedelijk burger zijn. Dit werd gedaan met de Maatschappij tot
nut van 't algemeen en dus het beschavingsoffensief. Dit was voor wie het meest nodig hadden en
het diende ook als bindmiddel voor de elite, zij bepaalde namelijk de norm van de beschaving.
Band tussen de staat en het volk: insluiting en uitsluiting.
Willem I wilde met zijn komst alles in handen hebben. Het werd absolutistisch (zeker wat betreft
binnenlandse politiek). Hier moest een grondwet voor komen (alleen nog voor Nederland). De
grondwet kende veel macht toe aan de vorst. Staten generaal mocht wel voorstellen doen, maar
niks bepalen. Wel werd onderwijs aangewezen als overheidstaak. Hij wilde een groot sterk land,
de tijd van kleine landen was voorbij.
Grondwet 1814
Hoorcollege 1
Hoe functioneert het Nederlandse bestuur? Hoe heb je daar invloed op? Welke verplichtingen heb
je als burger naar elkaar en anderen? Hoe wek je het verantwoordelijkheidsgevoel op? Wat zijn de
waarden en normen van een democratie?
Thema 1 politiek: Hoe ontwikkelt NL zich tot democratie? Hoe kan je invloed uitoefenen d.m.v.
individuele burgerrechten.
Thema 2 Sociaal: Hoe hebben sociale bewegingen invloed op de samenleving? Gezamenlijke
verantwoordelijkheid voor het functioneren van de samenleving.
Thema 3 cultureel: plaats van identiteit en diversiteit in de samenleving.
Burgerschap-educatie gaat om zowel kennis, vaardigheden en attitudes (democratisch). Het is
gericht op het stimuleren van actief en betrokken burgerschap.
• Kennis met betrekking tot sociale, politieke en burgerlijke instellingen en de rechten en plichten
van een burger
• Democratische vaardigheden = kritisch denken, leren respectvol argumenteren van in een
discussie
• Stimuleren van democratische attitudes zoals politiek vertrouwen, politieke tolerantie en een
politiek zelfbeeld
Jongeren zijn onderdeel van een groter verband —> ik —> sociale omgeving —> maatschappij
In de geschiedenis is er onderscheid gemaakt tussen burgers en onderdanen. Burgers zijn vrij,
hebben rechten en zijn onderling gelijk. Ze worden gecreëerd, hier is ontwikkeling voor nodig. Ze
dragen verantwoordelijkheid en zijn loyaal.
Als onderdaan ben je vaak onvrij, zijn ongelijk aan elkaar en hebben geen verantwoordelijkheid.
Zijn rechteloos of rechts onzeker. Er wordt van ze verwacht dat ze trouw zijn aan een persoon.
In Polen (actuele situatie): pedagogy of national pride. Dit is een beweging die de nationale trots
probeert te herstellen. In het curriculum moet ‘nationale trots’ verwerkt worden. Geen ruimte voor
discussie + weinig van kritische blik. Leraren in Polen gaan van burger naar onderdaan.
Sapere Aude —> durf te leren en denken —> belangrijk voor democratie en hierin zit een
belangrijke rol voor leraren.
Bouwstenen burgerschap
Vrijheid & gelijkheid, macht & inspraak, democratische cultuur, identiteit, diversiteit, solidariteit,
digitale samenleving, duurzaamheid, globalisering, technologisch burgerschap en denk- en handel
wijze. De jongeren van de democratie hebben een verkeerd idee van politiek door desinteresse en
een verkeerd idee van democratie. Plakkaat van Verlatinghe is de eerste Nederlandse
onafhankelijkheidsverklaring. Burgerschap heeft dus te maken met national identiteit.
Juridisch burgerschap
Recht op paspoort of id en verblijf-terugkeer. Je hebt een lidmaatschap van de staat. Je hebt
gelijke grondrechten en democratisch stemrecht. Verkrijgen van juridisch burgerschap kan op de
manier van Ius Soli: (Geboren = nationaliteit) ondanks dat je ouders er niet geboren zijn (VS). Een
andere manier is Ius Sanguinis: (bloed = nationaliteit) als je ouders in NL zijn geboren ben je
Nederlander, ook als je ergens anders geboren bent (NL). In dit burgerschap komt een
ontwikkeling in de loop van de geschiedenis:
18e eeuw: burgerrechten (vrijheid van godsdienst). 19e eeuw: politieke rechten (stemrecht). 20e
eeuw: sociale rechten (uitkering en minimum loon = arbeidersrechten). Onderzoeker Ayelet
Schacher: we leven mondiaal gezien in een geboorteloterij (je kan niet kiezen waar je bent
geboren = oneerlijk). Zo is er ook paspoortongelijkheid. Voorbeeld: met een Nederlands paspoort
,mag je naar 150 landen reizen en met een Afghaans paspoort mag je maar naar 14 landen reizen.
Joden in Duitsland in 1938 verloren hun burgerrechten en konden dus nergens heen, ze waren
statenloos. Ze worden vergeleken met vluchtelingen. HDI is een vergelijking in ontwikkeling, de
geboorteloterij komt hier tot uiting.
Maatschappelijk burgerschap
Hoe wordt je onderdeel van een gemeenschap? Het probleem hierbij is dat we leven in tijden van
individualisering, globalisering, internationalisering, migratie, technologische verbanden en
secularisatie. Grondwet patriottisme (Jürgen Habermas): gemeenschap d.m.v. grondwet is de
basis van NL, de basis is niet oranje, kaas etc.
Böckenförde - dilemma: bij een democratie komt de macht van onder (volk) en bij een absolute
monarchie komt de macht van boven (god). Terwijl de absolutistische staat loyaliteit van zijn
burgers eist en door deze loyaliteit zijn heerschappij kan uitoefenen, vertrouwt de democratische
staat op democratische overtuigingen van zijn burgers en kan die overtuigingen niet zelf
afdwingen. Dit leidt tot moeilijkheden bij het beantwoorden van de vraag hoe een democratisch
gevormde samenleving haar voortbestaan kan verzekeren en zichzelf kan verdedigen tegen
bedreigingen. Böckenförde vestigt de aandacht op de paradox dat de staat in de poging om de
democratie te verdedigen met "de middelen van juridische dwang en decreten van het gezag" zelf
een dictatuur zou worden omdat het inbreuk zou maken op het idee van mensen als soeverein.
Paradox van de intolerantie: de maatschappij kan niet ongelimiteerd tolerant zijn. We moeten
intolerant reageren op de aanvallen van de intolerante medemens. De tolerante samenleving moet
verdedigd worden. De oplossing hiervoor is gezin, opvoeding en overheid, maar er is vrijheid van
onderwijs. In het onderwijs mag je kinderen dus ook intolerante dingen leren.
Cultureel burgerschap
Cultuuralisering van de Nederlandse kernwaarden: tolerantie, gelijkheid, vrijheid. In de media komt
vaak naar voren wie de ‘echte’ Nederlanders zijn. Het gevaar kan zijn dat dat burgerschap als
onderdeel van nationale identiteit kan worden gezien. Xenofobie, homehaat etcetera komt voor
onder mensen met en zonder een migratie achtergrond.
,Hoorcollege 2
1815: Koning Willem I voegde Nederland en België samen om eenheid te creëren. Noordelijke
Nederlanden waren voor, maar sommige waren bang dat Antwerpen weer zou opkomen als
havenstad. Hier werd ook een nieuwe grondwet bij gemaakt. De acht artikelen van Londen
(grondwet 1814) werden getekend. Deze was in het geheim afgesproken. Het zorgde voor kritiek
van de genen die niet van de afspraak afwisten. Schulden die in het verleden gemaakt waren,
werden gezamenlijk betaald. Zo had België opeens veel meer schuld. De katholieken (grotendeels
in België) raakte hun bevoorrechte positie kwijt. Er was censuskiesrecht. Toen er grotendeels
tegen werd gestemd, sprak Willem op het feit dat diegenen die niet kwamen opdagen, voor
stemde. De grondwet werd aangenomen en er was godsdienst vrijheid, dit wil zeggen dat
katholieken geen tweederangsburgers meer waren. In 1815 werd er gestemd over de grondwet
van 1814.
Willem zegt dat zijn soevereiniteit ouder is dan de grondwet in 1814. Hij ziet zichzelf als de
uitvoerder van het volk, de eerste van het volk die alles voor het zeggen heeft. Kritiek was niet
welkom.
Wat zegt de houding van Willem I over en met de verhouding tussen de burger?
De periode van het stadhouderloze tijdperk wordt gekenmerkt door economische achteruitgang.
Rond de tijd van revoluties komt het volk in opstand. Johan Derk van der Capellen tot den
Pol: roept op tot volkssoevereiniteit. Hij is een verlichte man. Iedereen is gelijk geboren en
iedereen moet elkaar gelukkig maken. Zijn pamflet over volkssoevereiniteit was geïnspireerd op
The Declaration of Independence (dit was de verlichting van de republiek).
Spinoza was iemand die al eerder nadacht over hoe het bestuur in de republiek geregeld moest
worden. Hij vond dat de macht eerlijk verdeeld moest worden, niet alleen voor het volk.
Roegiers en van Sas: het proces van politisering kan alleen vanuit de achtergrond van de
Nederlandse verlichting worden begrepen. Hierbij speelde 1) de rol van de republiek op
internationaal niveau en de invloed van Franse publicaties, 2) meer aandacht voor publicaties
buiten de bijbel, zoals tijdschriften, 3) er ontstond in de 18e eeuw het idee van maakbaarheid van
de samenleving.
Verlichting in de republiek draaide om gewetensvrijheid, het idee stamde al uit de tijd van Perikles.
Hij zei dat je politieke gelijkheid nodig had. De ene stem mag niet meer wegen dan de andere. Je
kon regeren en er kon over je geregeerd worden. Verder waren er vele contractdenkers. Denk aan
Hobbes en Locke, Rousseau (Als je actief meedeed aan de gemeenschap kun je hier later je
vruchten van plukken. Hij vond dat de bestuurden besturen moesten: directe democratie).
Hobbes: het Sociaal Contract, de staat en haar onderdanen hebben een contract met elkaar
gesloten. De staat heerst en de onderdanen volgen, maar wanneer de staat de afspraken niet
nakomt mag je het bestuur afzetten.
Rousseau: vrijheid ontstaat bij participatie in gemeenschap. De zaken van de staat zijn ook de
zaken van haar burgers. Wens tot directe democratie: ‘de bestuurden moeten de bestuurders zijn’.
Locke: de overheid ontvangt slechts die hoeveelheid macht die de burgers, in de vorm van een
‘sociaal’ contract wensen af te staan. De overheid dient representatief te zijn voor de opvattingen
van de burgers. Individuele vrijheid is hierbij de norm: de vrijheid kan alleen ingeperkt worden
volgens de regels die de burgers onderling afspreken.
Met de beweging van de patriotten worden deze dingen in werking gezet. Wat hun willen: de
macht van de republiek moest hersteld worden. Burgers moesten mee kunnen beslissen. Er moest
een morele herbewapening komen, om zo weer een vaderlandse deugdzaamheid te creëren. Er
moest een grondwettelijke herstelling komen: herstel van oude rechten en privileges die in de loop
van de jaren waren verduisterd waardoor gewone burgers hun invloed waren kwijtgeraakt, en
, steden (d.w.z. plaatselijke regentenestablishment) en gewesten hadden ingeboet tegenover de
stadhouder. Hiermee zou het volk weer invloed hebben op het bestuur, en wat hiervoor staat.
Lambert: dynamiek van het politiseringproces. Midden jaren 1780 werden de eisen scherper
geformuleerd. Er ontstonden zo nieuwe tegenstellingen, bijvoorbeeld van regenten. Hun lokale
structuren werden namelijk veranderd, waarmee de burger misschien meer te zeggen zou hebben.
Onder Willem V komt er een Bataafse Republiek, nadat hij is gevlucht naar Engeland. De rechten
van de mens en burger worden uitgeroepen (1795). Burger werd een ideologische representant
van de staat. In 1798 kwam de eerste grondwet tot stand.
Algemene beslissingen grondwet:
- Een persoon moest worden beschermd, op gebied van bezit en respect.
- De wet is gelijk voor iedereen
- Er is echter wel een eerbiedige erkentenis van al besturend opperwezen: aanraden om in
god te geloven
Hoe werd er dan bestuurd? Er was vrijheid van vergaderen en drukpers, rechtspraak in naam van
de wet, volksvertegenwoordiging. De verhouding van burger vs. Staat: scheiding kerk en staat,
gereguleerde vrijheid, begin liberalisme. De burger werd beschermd tegen de overheid.
1806: Lodewijk Napoleon was een geliefde vorst, hij verbindt zich met het volk en creëerde
eenheid. Hierna komt er een inlijving bij Frankrijk: 1810-1815. Volkerenslag bij Leipzig 1813,
Lodewijk wordt gevangengezet in Elba. Het was een van de grootste slagen voor de eerste
wereldoorlog.
Gijsbert Karel van Hogendorp: ontwikkelde ideeën over de ideale inrichting van de staat. Dit deed
hij steeds meer zodra de macht van Frankrijk groter werd. Hij keek hiervoor naar de founding
fathers; scheiding der machten, soort president. Hier wilde hij wat mee doen als de Fransen weg
waren. Geen president, maar een constitutionele monarchie. Een president paste niet in de
Europese traditie. Zodra de Fransen weg waren zei hij: Holland is vrij, de oude tijden komen terug.
Er moest een Oranje terugkomen (= Willem I).
Artikel de Rooy: Nederland rond 1813: er was een republikeinse veelheid (geen eenheid) met
gewesten waarvan Holland het zwaartepunt was, er was ook een verdeling tussen noord en zuid
van de unie van Utrecht/Atrecht. Op religieus gebied was het protestanten vs katholieken, binnen
de protestanten was er veel diversiteit (katholiek en joodse waren gelijk). Sociale ongelijkheid /
economische ongelijkheid was er ook in de vorm van een klassensamenleving i.p.v een
standensamenleving. Op politiek gebied was de kern van het kiesstelsel: leden Tweede Kamer
werden gekozen door de Provinciale Staten, naar evenredigheid. De zetels van de Provinciale
Staten werden verdeeld tussen 3 standen (aristocratie, landeigenaren en de steden). Politiek was
voorbehouden aan en had de interesse van een kleine groep en gericht op stabiliteit.
De morele natie: conformisme: men diende tevreden te zijn met waarin hij geplaatst was (bijv
pauper). Toch moest iedereen een zedelijk burger zijn. Dit werd gedaan met de Maatschappij tot
nut van 't algemeen en dus het beschavingsoffensief. Dit was voor wie het meest nodig hadden en
het diende ook als bindmiddel voor de elite, zij bepaalde namelijk de norm van de beschaving.
Band tussen de staat en het volk: insluiting en uitsluiting.
Willem I wilde met zijn komst alles in handen hebben. Het werd absolutistisch (zeker wat betreft
binnenlandse politiek). Hier moest een grondwet voor komen (alleen nog voor Nederland). De
grondwet kende veel macht toe aan de vorst. Staten generaal mocht wel voorstellen doen, maar
niks bepalen. Wel werd onderwijs aangewezen als overheidstaak. Hij wilde een groot sterk land,
de tijd van kleine landen was voorbij.
Grondwet 1814