Introductie
Voorbereiden op elk college:
- Kennisclips
- Theorie bestuderen
- Lezen van korte verhalen en toepassen van theorie
Toets:
- Begrippenlijst (zie OO)
-
Kern verhaalanalyse:
- Hoe beleef jij verhalen voor volwassenen?
- Hoe interpreteer jij ze? Welke betekenis hang je eraan?
- Hoe beoordeel je ze?
, College 1 Verhalende teksten (H2)
Om deze vragen te beantwoorden heb je de juiste taal nodig. Dit is het
begrippenapparaat van verhaalanalyse. Deze begrippen en de toepassing hiervan
staat centraal.
Deze drie teksten verschillen hoofdzakelijk in taalsituatie —>
• Lyriek = monologische taalsituatie (gedicht)
• Dramatiek = dialogische taalsituatie (toneelteksten)
• Epiek = ingebedde taalsituatie (alle verhalende teksten, proza)
Dit betekent dat een verhaal vertelt wordt door een verteller Er komen personages
voor en deze praten met elkaar. Je hebt dus het niveau van de verteller die het
verhaal vertelt en de personages die met elkaar praten. De dialogen tussen
personages is ingebed in het kader van de verteller.
Vertellerstekst = de tekst die door de verteller wordt vertelt, dit kan de ik-persoon zijn
Persoonstekst = personages die wat zeggen, zij kunnen de verteller niet zien
Auteur = heeft het verhaal geschreven
Een verhaal wordt vertelt en de personages spelen een rol. Vertellende instantie staat
boven de wereld van de personages.
Inbedding zit ‘m dus in de twee niveaus:
- verteller (die tekst produceert)
- vertelde wereld (verhaalwereld gepresenteerd door verteller, in deze wereld
communiceren personages met elkaar)
Ingebedde taalsituatie
De twee niveaus (verteller en vertelde wereld) kunnen zich op verschillende manieren
tot elkaar verhouden.
- De verteller is expliciet
‘Ik zal u iets van de kleine Johannes vertellen’.
ik = verteller
u = publiek
kleine Johannes = personage
- De verteller is impliciet
‘Als kleine jongen haalde Kees verscheidene stomme streken uit’
Persoonstekst en vertellerstekst?
’Kunt u me de appelmoes even aangeven’, vroeg Hermans lachend, terwijl hij zijn
mond afveegde met een enorm servet.
’Haha! Kunt u me de appelmoes even aangeven terwijl ik mijn mond afveeg met dit
enorme servet?’
Hermans vroeg lachend of hij/zij de appelmoes even kon aangeven, terwijl hij zijn
mond afveegde met een enorm servet.
Verteltheorie
Hoe wordt een verhaal vertelt? Hoe functioneert de vertelwijze in het verhaal?
Verhaaltheorie
De elementen van een verhaal. Decor, personages, spanning, motieven. Dit gaat over
de structuur van een verhaal.
Voorbereiden op elk college:
- Kennisclips
- Theorie bestuderen
- Lezen van korte verhalen en toepassen van theorie
Toets:
- Begrippenlijst (zie OO)
-
Kern verhaalanalyse:
- Hoe beleef jij verhalen voor volwassenen?
- Hoe interpreteer jij ze? Welke betekenis hang je eraan?
- Hoe beoordeel je ze?
, College 1 Verhalende teksten (H2)
Om deze vragen te beantwoorden heb je de juiste taal nodig. Dit is het
begrippenapparaat van verhaalanalyse. Deze begrippen en de toepassing hiervan
staat centraal.
Deze drie teksten verschillen hoofdzakelijk in taalsituatie —>
• Lyriek = monologische taalsituatie (gedicht)
• Dramatiek = dialogische taalsituatie (toneelteksten)
• Epiek = ingebedde taalsituatie (alle verhalende teksten, proza)
Dit betekent dat een verhaal vertelt wordt door een verteller Er komen personages
voor en deze praten met elkaar. Je hebt dus het niveau van de verteller die het
verhaal vertelt en de personages die met elkaar praten. De dialogen tussen
personages is ingebed in het kader van de verteller.
Vertellerstekst = de tekst die door de verteller wordt vertelt, dit kan de ik-persoon zijn
Persoonstekst = personages die wat zeggen, zij kunnen de verteller niet zien
Auteur = heeft het verhaal geschreven
Een verhaal wordt vertelt en de personages spelen een rol. Vertellende instantie staat
boven de wereld van de personages.
Inbedding zit ‘m dus in de twee niveaus:
- verteller (die tekst produceert)
- vertelde wereld (verhaalwereld gepresenteerd door verteller, in deze wereld
communiceren personages met elkaar)
Ingebedde taalsituatie
De twee niveaus (verteller en vertelde wereld) kunnen zich op verschillende manieren
tot elkaar verhouden.
- De verteller is expliciet
‘Ik zal u iets van de kleine Johannes vertellen’.
ik = verteller
u = publiek
kleine Johannes = personage
- De verteller is impliciet
‘Als kleine jongen haalde Kees verscheidene stomme streken uit’
Persoonstekst en vertellerstekst?
’Kunt u me de appelmoes even aangeven’, vroeg Hermans lachend, terwijl hij zijn
mond afveegde met een enorm servet.
’Haha! Kunt u me de appelmoes even aangeven terwijl ik mijn mond afveeg met dit
enorme servet?’
Hermans vroeg lachend of hij/zij de appelmoes even kon aangeven, terwijl hij zijn
mond afveegde met een enorm servet.
Verteltheorie
Hoe wordt een verhaal vertelt? Hoe functioneert de vertelwijze in het verhaal?
Verhaaltheorie
De elementen van een verhaal. Decor, personages, spanning, motieven. Dit gaat over
de structuur van een verhaal.