Voorafgaand aan de tweede wereldoorlog was de samenleving verdeeld in verschillende groepen en
deze groepen hadden elk hun eigen levensovertuiging wat ervoor zorgde dat ze gescheiden leefden.
Deze groepen worden ook wel zuilen genoemd.
Nederland had 4 zuilen:
-Katholieke zuil
-Protestants-christelijke zuil
-Socialistische zuil
-Liberale zuil
De verzuiling was duidelijk te zien aan verenigingen en vakbonden. Ook had elke zuil een
verschillende media en politieke partij, zelfs de onderwijssystemen.
Na de tweede wereldoorlog werden deze zuilen weer opgepakt.
De wederopbouw van Nederland
Het was nodig om de economie weer op gang te krijgen om zo de wederopbouw van Nederland te
kunnen betalen. Europese landen kregen deze financiële hulp van Amerika door middel van het
Marshallplan, ook Nederland kreeg dit.
Na de tweede wereldoorlog kwam er een grote bevolkingsgroei, deze periode noemen we de
babyboom. (1945-1955). De boomers botsten met hun ouders over normen, waarden en ontzuiling.
KA: toenemende westerse welvaart en sociaal-culturele veranderingen
Naast dat de bevolking groeide kwam er ook een grote economische groei op gang in de jaren 50 en
60.
Deze economische groei was te danken aan de Marshallhulp maar ook nog wat andere factoren
speelden mee. De BRD werd namelijk een handelspartner van Nederland en grote hoeveelheden
goederen uit Nederland worden dankzij de toenemende industrialisatie naar de BRD gestuurd.
De vondst van aardgas in Groningen (Slochteren) in 1959 en de export hiervan, leverde veel geld op.
De politieke ontwikkeling van Nederland na de tweede wereldoorlog
De SER 1950) adviseerde de regering tot een geleide loonpolitiek in de jaren 50 en uiteindelijk toen
dit niet werkte tot een vrije loonpolitiek in de jaren 60.
Een grote verandering in de politiek is dat de neutraliteitspolitiek werd opgegeven. De
neutraliteitspolitiek hield in dat Nederland zich niet bemoeide met internationale conflicten zodat
Nederland zo niet aangevallen zou worden.
, Nederland was zeker wel partijdig wat te zien was tijdens de Koude oorlog toen Nederland zich
aansloot bij de NAVO om zo sterker te staan tegen het communisme. Nederland sloot zich ook aan bij
de EGKS, dit maakte het voor Nederland onmogelijk neutraal te blijven. KA: Europese eenwording
Indonesië wordt na de tweede wereldoorlog onafhankelijk (1945-1949) KA: Dekolonisatie
De politieke machthebbers in Nederland na de tweede wereldoorlog waren de Rooms-katholieke en
sociaaldemocratische partijen, ze hadden verschillende politieke opvattingen maar moesten toch
samenwerken om zo de opbouw van Nederland te kunnen hervatten. Zo’n samenwerking noemen we
polderen.
De regeringen die ontstonden door de samenwerking tussen de Rooms-katholieken en de
sociaaldemocratische partijen noemen we de Rooms-rode regeringen.
Willem Drees werd minister-president van Nederland in 1948-1958 en bepaalde het politieke beleid
van de komende 10 jaar van Nederland.
Om de export en werkgelegenheid te verbeteren bedachten Willem Drees en de Rooms-rode
regeringen de geleidde loonpolitiek. Dit hield in dat de overheid de lonen van arbeiders expres laag
hield om zo de productiekosten ook laag te kunnen houden om zo Nederlandse producten goedkoper
te houden ten opzichte van buitenlandse producten wat de vraag naar Nederlandse producten
verhoogd.
Door de verhoogde vraag naar Nederlandse producten kwam er meer vraag naar arbeiders wat weer
gunstig was voor de werkgelegenheid. Het was voor velen gunstig behalve voor de arbeiders want ze
kregen lage lonen.
Het systeem van de geleide loonpolitiek werkte uiteindelijk niet meer en de werkgevers wilde de
arbeiders te vrede houden en betaalden hun werknemers zo zwart geld uit naast het gewone loon.
De overheid kwam hierdoor met de vrije loonpolitiek, het loon wordt vanaf nu vastgesteld tussen de
werknemers en werkgevers in plaats van de overheid.
Ontstaan van de verzorgingsstaat (1948-1978)
Een verzorgingsstaat zou moeten zorgen voor meer economische gelijkheid en niemand onder het
sociale minimum te hoeven leven. De werkloosheidsuitkering (1949) wordt daarom ingevoerd en
later wordt de AOW, algemene ouderdomswet ingevoerd. (1957) Door de positieve economische
situatie kon de verzorgingsstaat gecreëerd worden.
Dankzij samenwerking zou er economische gelijkheid gemaakt zou kunnen worden, een
verzorgingsstaat wordt ook wel een maakbare samenleving genoemd.
Consumptiemaatschappij
Door de economische groei stijgen de lonen wat het voor mensen mogelijk maakt om luxegoederen
te kunnen veroorloven. Deze producten worden gekocht om het leven makkelijker te maken en de
eigen status te verhogen. De werkgelegenheid wordt door de consumptiemaatschappij vergroot,
voornamelijk in de steden. Er komt woon-werkverkeer op in de steden en meer mensen trekken naar
de stad.
In de steden kwam er meer individuele vrijheid door de anonimiteit van de stad en de banden met
familie en de kerk werden losser.