Leerdoelen blok 2: Socialisatie en ongelijkheid
Kennen kernconcepten binnen theorievorming rondom
'superdiversiteit' + begrijpen verschillen tussen culturele
diversiteit en superdiversiteit.
De-familiarisering’ van Baumann: bevragen van de dingen zoals ze zijn en ze
niet beschouwen als normaal (om mensen/hun manier van leven te onderzoeken
onderzoeker moet zich losmaken van ideeën waarmee hij is opgegroeid
(objectief naar socialisatieprocessen kijken) wees bewust van de bril die je opzet
wanneer je onderzoekt doet)
- Kerncompetentie van een socioloog is gebaseerd op de-familiarisering. “De-
familiarize the familiar and familiarize the unfamiliar”.
- Twee verschillende poten:
(1) Stads – en onderwijssociologisch
(2) sociaal-pedagogisch; opgroeien en opvoeden in een grootstedelijke,
superdiverse samenleving (zoals de Rotterdamse).
- Socialisatie: wetenschappelijke term van het opgroeien in omgeving en
wat hieruit ontstaan in termen van ongelijkheid
Superdiversiteit: snelgroeiende culturele diversiteit + demografische
kantelmoment (diversiteit binnen diversiteit)
3 kenmerken:
1) Majority-minority cities (demografisch kantelpunt/-moment)
- Geen enkele (culturele) groep dekt 50% van de bevolking (de
dominante groep is in de minderheid) kantelpunt
2) Snelgroeiende culturele diversiteit (intensivering van groepen)
- Snelle toename van het aantal groepen
- Diversificatie: in 40 jaar tijd van 6/7 groepen 206 groepen (NL)
3) Groeiende ‘diversiteit’ binnen de diversiteit (sociaaleconomische
diversiteit)
- Binnen zelfde etniciteit veel diversiteit
- Bijv. leeftijdsverschil, wijken, loon, gewoontes
- Binnen elke culturele groep, wordt diversiteit groter onder de mensen
Superdiversiteit geen ideologisch/normatief concept beschrijving van
demografische-sociologische transitie (Stephen Vertovec, 2007)
Bekritiseerd term is erg vaag)
Mogelijke gevolgen van superdiversiteit: (reflexen)
- Schildpad effect (Putnam)
o Te veel diversiteit kan ervoor zorgen dat mensen zich
terugtrekken/terug kruipen naar oorspronkelijke groep van herkomst
- Sociale bulimia
o Er wordt beloofd dat iedereen geïncludeerd wordt maar in
werkelijkheid is dat niet zo
o Maatschappelijke vervreemding
o Groepen zeggen je allemaal op te eten, maar kotsen je vervolgens
weer uit
- Globalisering
o Invloeden van andere landen op eigen land (of gemeenschap)
- Glocalisering
, o Door globalisering lokaal ook invloed (iets wat internationaal speelt,
maar waar lokaal effect overkomen)
o Bijv. buitenlandse keukens in Nederland, Engels praten in openbaar als
standaard, internationalen op school
- ‘Transnationals’ (Engbersen)
o Mensen die in een gebied wonen maar zoveel contacten in andere
gebieden hebben dat je net zo goed daar zouden kunnen wonen
o Groep mensen (Nederlanders) vaak met bi-culturele achtergrond
(hoeft niet) met theoretisch, academische opleiding, die naar het
buitenland gaan voor studie/werken, weer teruggaan naar Nederland,
maar niet weten of ze, eenmaal in Nederland, in Nederland blijven
voor de rest van hun leven ze hebben diepe connecties met andere
landen
- Multitaligheid
o Multitaligheid als norm
o ‘Culturele hybridisering’
Bijv. creatie van constructie van nieuwe jeugdtalen/tradities
Culturen gaan mengen (kinderen zijn opgegroeid met bepaalde
cultuur, door vrienden van andere cultuur mengt dit)
Gevolgen van superdiversiteit op sociale cohesie
3 aspecten van sociale cohesie
1. Buurtcohesie; mate waarin bewoners positief oordelen over
verhoudingen in de buurt
2. Thuisgevoelens; mate waarin bewoners zich thuis voelen in hun buurt
3. Sociale veiligheid; (a) mate waarin bewoners zich veilig voelen in hun
buurt (b) kans op daderschap van delicten in gemeenten
Bij samenhang migratie, sociale cohesie en economie soorten effecten
spelen een rol
o Migratie-effecten: vloeien rechtstreeks voort uit het migreren zelf (vb.
psychische gezondheidsproblemen)
o Compositie-effecten: vloeien voort uit specifieke samenstelling van
migrantengroep
o Diversiteits-effecten: bij elkaar wonen van mensen uit veel verschillende
herkomstlanden heeft opzichzelfstaand effect op de sociale cohesie in een
buurt/gemeente en op de economie in een regio
,Begrijpen demografisch-sociologische transitie naar een
'superdiverse' grootstedelijke omgeving.
- Eind Tweede Wereldoorlog periode van globalisering (tweede
globaliseringsgolf), techniek nam toe daling van kosten van internationale
& intercontinentale migratie
- In te delen in 2 perioden vóór en ná eind van de Koude Oorlog
o Migranten met economisch motief
o Migranten die vluchten voor geweld (geïmplodeerde staten)
- Na Koude Oorlog grote welvaartverschillen tussen westerse
geïndustrialiseerde landen en overige landen
- West-Europa, 3 overlappende migratiegolven:
1e golf: arbeidsmigratie
o Laagopgeleide arbeidsmigranten uit Zuid-Europa, Turkije & Maghreb
o Nederland in 1975 (pas) gestopt met werven van gastarbeiders
2e golf: gezinsmigratie
o Migranten uit Turkije & Marokko bleven in Nederland lieten gezin
overkomen
o 1976 – 2005: gezinsmigratie meeste voorkomende immigratietype in
NL
3e golf: postindustriële migratie
o Jaren ’80: asielzoekers, hoogopgeleide arbeidsmigranten en irreguliere
migranten
o Patroon internationale migratie in Europa veranderde klein aantal
landen naar groot aantal landen van herkomst
Vroeger: migratie door lager/praktisch opgeleide
Tegenwoordig: migratie grotendeels door academische
geschoolde (hoogopgeleide arbeidsmigratie)
De verschillende groepen die komen zijn ongekend verschillend
(motief, duur etc.)
o Asielzoekers in NL oorzaak: politieke onrust Oost- Europa door val
van communisme
o Instroom van asielzoekers uit Azië en Afrika
- Postkoloniale migratie, kende ook 3 golven
1. Als gevolg van dekolonisatie in voormalig Nederlands-Indië (’50 & ’60)
2. Onafhankelijkheid van Suriname (1974 – 1980)
3. Migratie uit voormalige Nederlandse Antillen
- Terugloop van klassieke herkomstgroepen
o ‘Klassieke’ niet-westerse herkomstgroepen: Turkije, Marokko, Suriname
& voormalige Nederlandse Antillen (daling sinds jaren ’80), door overige
niet-westerse achtergrond enorm groeide
o 2003: sterk toegenomen arbeidsmigratie uit voormalige
communistische lidstaten (Polen)
, o Gunstig economische omstandigheden in NL kozen Duitse Polen voor
NL boven Duitsland
Begrijpen van de kernconcepten rondom ‘sociale identiteit’
Waarover gaat identiteit?
Persoonsidentiteit Wie ben ik?
- Objectief (naam, studentennummer
etc.)
Persoonlijke identiteit Hoe ben ik?
- Wie ben ik diep vanbinnen
Sociale identiteit Wat ben ik?
- Ben ik een man/vrouw
- Soms makkelijk, soms moeilijk te
beantwoorden
- Wie ben je in relatie tot anderen in
je omgeving?
Sociale identiteit = beeld van jezelf, dat je haalt uit een lidmaatschap van
groepen + de waarde die je eraan hecht (bijv. student, vrouw, dochter, vriendin
etc.)
“That part of an individual’s self-concept, which derives from his
knowledge of their membership in a social group (or groups) together with
the value or emotional significance attached to that membership”
~Tjafel & Turner (sociale identiteitstheorie)
Proces van sociale identiteit
- Sociale categorisatie moet gebeuren voor je hersenen, gaat
automatisch, doe je ook bij jezelf, indelen van mensen in groepen om het
makkelijker te maken
- Sociale identificatie je bent lid van een bepaalde groep
- Sociale vergelijking vergelijken van groepen
o Streeft naar positive distinctiveness: jouw groep komt beter uit de
vergelijking (onbewust of bewust) (In-group is ‘beter’ dan out-group)
o Verschil tussen in-group en out-group maximaliseren
o Outgroup homegeneity: out-group leden lijken meer op elkaar dan
in-group leden (verschil tussen out-group leden maximaliseren)
- (Positieve) sociale identiteit IK weet dat ik lid ben van deze groep, IK
weet dat deze groep goed is, dus ik vind MEZELF ook goed
o Bij positive distincitveness hogere zelfwaardering
Kennen kernconcepten binnen theorievorming rondom
'superdiversiteit' + begrijpen verschillen tussen culturele
diversiteit en superdiversiteit.
De-familiarisering’ van Baumann: bevragen van de dingen zoals ze zijn en ze
niet beschouwen als normaal (om mensen/hun manier van leven te onderzoeken
onderzoeker moet zich losmaken van ideeën waarmee hij is opgegroeid
(objectief naar socialisatieprocessen kijken) wees bewust van de bril die je opzet
wanneer je onderzoekt doet)
- Kerncompetentie van een socioloog is gebaseerd op de-familiarisering. “De-
familiarize the familiar and familiarize the unfamiliar”.
- Twee verschillende poten:
(1) Stads – en onderwijssociologisch
(2) sociaal-pedagogisch; opgroeien en opvoeden in een grootstedelijke,
superdiverse samenleving (zoals de Rotterdamse).
- Socialisatie: wetenschappelijke term van het opgroeien in omgeving en
wat hieruit ontstaan in termen van ongelijkheid
Superdiversiteit: snelgroeiende culturele diversiteit + demografische
kantelmoment (diversiteit binnen diversiteit)
3 kenmerken:
1) Majority-minority cities (demografisch kantelpunt/-moment)
- Geen enkele (culturele) groep dekt 50% van de bevolking (de
dominante groep is in de minderheid) kantelpunt
2) Snelgroeiende culturele diversiteit (intensivering van groepen)
- Snelle toename van het aantal groepen
- Diversificatie: in 40 jaar tijd van 6/7 groepen 206 groepen (NL)
3) Groeiende ‘diversiteit’ binnen de diversiteit (sociaaleconomische
diversiteit)
- Binnen zelfde etniciteit veel diversiteit
- Bijv. leeftijdsverschil, wijken, loon, gewoontes
- Binnen elke culturele groep, wordt diversiteit groter onder de mensen
Superdiversiteit geen ideologisch/normatief concept beschrijving van
demografische-sociologische transitie (Stephen Vertovec, 2007)
Bekritiseerd term is erg vaag)
Mogelijke gevolgen van superdiversiteit: (reflexen)
- Schildpad effect (Putnam)
o Te veel diversiteit kan ervoor zorgen dat mensen zich
terugtrekken/terug kruipen naar oorspronkelijke groep van herkomst
- Sociale bulimia
o Er wordt beloofd dat iedereen geïncludeerd wordt maar in
werkelijkheid is dat niet zo
o Maatschappelijke vervreemding
o Groepen zeggen je allemaal op te eten, maar kotsen je vervolgens
weer uit
- Globalisering
o Invloeden van andere landen op eigen land (of gemeenschap)
- Glocalisering
, o Door globalisering lokaal ook invloed (iets wat internationaal speelt,
maar waar lokaal effect overkomen)
o Bijv. buitenlandse keukens in Nederland, Engels praten in openbaar als
standaard, internationalen op school
- ‘Transnationals’ (Engbersen)
o Mensen die in een gebied wonen maar zoveel contacten in andere
gebieden hebben dat je net zo goed daar zouden kunnen wonen
o Groep mensen (Nederlanders) vaak met bi-culturele achtergrond
(hoeft niet) met theoretisch, academische opleiding, die naar het
buitenland gaan voor studie/werken, weer teruggaan naar Nederland,
maar niet weten of ze, eenmaal in Nederland, in Nederland blijven
voor de rest van hun leven ze hebben diepe connecties met andere
landen
- Multitaligheid
o Multitaligheid als norm
o ‘Culturele hybridisering’
Bijv. creatie van constructie van nieuwe jeugdtalen/tradities
Culturen gaan mengen (kinderen zijn opgegroeid met bepaalde
cultuur, door vrienden van andere cultuur mengt dit)
Gevolgen van superdiversiteit op sociale cohesie
3 aspecten van sociale cohesie
1. Buurtcohesie; mate waarin bewoners positief oordelen over
verhoudingen in de buurt
2. Thuisgevoelens; mate waarin bewoners zich thuis voelen in hun buurt
3. Sociale veiligheid; (a) mate waarin bewoners zich veilig voelen in hun
buurt (b) kans op daderschap van delicten in gemeenten
Bij samenhang migratie, sociale cohesie en economie soorten effecten
spelen een rol
o Migratie-effecten: vloeien rechtstreeks voort uit het migreren zelf (vb.
psychische gezondheidsproblemen)
o Compositie-effecten: vloeien voort uit specifieke samenstelling van
migrantengroep
o Diversiteits-effecten: bij elkaar wonen van mensen uit veel verschillende
herkomstlanden heeft opzichzelfstaand effect op de sociale cohesie in een
buurt/gemeente en op de economie in een regio
,Begrijpen demografisch-sociologische transitie naar een
'superdiverse' grootstedelijke omgeving.
- Eind Tweede Wereldoorlog periode van globalisering (tweede
globaliseringsgolf), techniek nam toe daling van kosten van internationale
& intercontinentale migratie
- In te delen in 2 perioden vóór en ná eind van de Koude Oorlog
o Migranten met economisch motief
o Migranten die vluchten voor geweld (geïmplodeerde staten)
- Na Koude Oorlog grote welvaartverschillen tussen westerse
geïndustrialiseerde landen en overige landen
- West-Europa, 3 overlappende migratiegolven:
1e golf: arbeidsmigratie
o Laagopgeleide arbeidsmigranten uit Zuid-Europa, Turkije & Maghreb
o Nederland in 1975 (pas) gestopt met werven van gastarbeiders
2e golf: gezinsmigratie
o Migranten uit Turkije & Marokko bleven in Nederland lieten gezin
overkomen
o 1976 – 2005: gezinsmigratie meeste voorkomende immigratietype in
NL
3e golf: postindustriële migratie
o Jaren ’80: asielzoekers, hoogopgeleide arbeidsmigranten en irreguliere
migranten
o Patroon internationale migratie in Europa veranderde klein aantal
landen naar groot aantal landen van herkomst
Vroeger: migratie door lager/praktisch opgeleide
Tegenwoordig: migratie grotendeels door academische
geschoolde (hoogopgeleide arbeidsmigratie)
De verschillende groepen die komen zijn ongekend verschillend
(motief, duur etc.)
o Asielzoekers in NL oorzaak: politieke onrust Oost- Europa door val
van communisme
o Instroom van asielzoekers uit Azië en Afrika
- Postkoloniale migratie, kende ook 3 golven
1. Als gevolg van dekolonisatie in voormalig Nederlands-Indië (’50 & ’60)
2. Onafhankelijkheid van Suriname (1974 – 1980)
3. Migratie uit voormalige Nederlandse Antillen
- Terugloop van klassieke herkomstgroepen
o ‘Klassieke’ niet-westerse herkomstgroepen: Turkije, Marokko, Suriname
& voormalige Nederlandse Antillen (daling sinds jaren ’80), door overige
niet-westerse achtergrond enorm groeide
o 2003: sterk toegenomen arbeidsmigratie uit voormalige
communistische lidstaten (Polen)
, o Gunstig economische omstandigheden in NL kozen Duitse Polen voor
NL boven Duitsland
Begrijpen van de kernconcepten rondom ‘sociale identiteit’
Waarover gaat identiteit?
Persoonsidentiteit Wie ben ik?
- Objectief (naam, studentennummer
etc.)
Persoonlijke identiteit Hoe ben ik?
- Wie ben ik diep vanbinnen
Sociale identiteit Wat ben ik?
- Ben ik een man/vrouw
- Soms makkelijk, soms moeilijk te
beantwoorden
- Wie ben je in relatie tot anderen in
je omgeving?
Sociale identiteit = beeld van jezelf, dat je haalt uit een lidmaatschap van
groepen + de waarde die je eraan hecht (bijv. student, vrouw, dochter, vriendin
etc.)
“That part of an individual’s self-concept, which derives from his
knowledge of their membership in a social group (or groups) together with
the value or emotional significance attached to that membership”
~Tjafel & Turner (sociale identiteitstheorie)
Proces van sociale identiteit
- Sociale categorisatie moet gebeuren voor je hersenen, gaat
automatisch, doe je ook bij jezelf, indelen van mensen in groepen om het
makkelijker te maken
- Sociale identificatie je bent lid van een bepaalde groep
- Sociale vergelijking vergelijken van groepen
o Streeft naar positive distinctiveness: jouw groep komt beter uit de
vergelijking (onbewust of bewust) (In-group is ‘beter’ dan out-group)
o Verschil tussen in-group en out-group maximaliseren
o Outgroup homegeneity: out-group leden lijken meer op elkaar dan
in-group leden (verschil tussen out-group leden maximaliseren)
- (Positieve) sociale identiteit IK weet dat ik lid ben van deze groep, IK
weet dat deze groep goed is, dus ik vind MEZELF ook goed
o Bij positive distincitveness hogere zelfwaardering