Samenvatting Ontwikkelingspedagogiek
Hoofdstuk 1. Wat is opvoeding?
1.1 Opvoeding en pedagogiek
Pedagogiek: de leer van het opvoeden.
Klinische pedagogiek: gericht op onderzoek naar opvoedingsprocessen in het algemeen en naar
sociale, culturele en economische factoren die daarop van invloed zijn.
Orthopedagogiek: de leer die bijzonder opvoedsituaties als doel van onderzoek heeft.
Onderwijskunde: richt zich op alle vormen van scholing en op schoolsystemen.
Sociale pedagogiek: tracht de sociale omstandigheden te beoordelen aan de hand van pedagogische
maatstaven.
Wijsgierig-historische pedagogiek: richt zich op de opvoedingswetenschap in het algemeen en is
daarmee een meer theoretisch deelgebied.
Transculturele pedagogiek: richt zich op onderzoek naar de opvoeding van kinderen die in een
andere cultuur wonen dan het land van oorsprong.
Eugenita: de leer van de goede gewoonte
Grootste deel ontwikkeling hersenen gebeurt in 15 à 20 jaar na geboorte
Co-evolutie: hersenen vormen zich naar opvoedingsklimaat
Opvoedeling: degene die opgevoed wordt
Opvoeding: proces waarin onvolwassen mens wordt geholpen en begeleid tot aan het punt waarop
hij of zij de regie voor zijn of haar leven zelf verder kan overnemen en dat ook daadwerkelijk doet
Volwassenheid: verantwoordelijkheid voor eigen daden en beslissingen.
Vanaf ±18 jaar aarzelende of semi-definitieve volwassenheid
1.1.1 Autonomie
Er zijn vijf typen opvoeders:
Conservatieve materialisten: behulpzaamheid hoog in vaandel, aansturen op goede banen en
inkomsten
Doeners: primaire deugden als hoffelijkheid en goede manieren belangrijk, goed presteren, dapper
en trots zijn
Sociale idealisten: ontwikkelen sociale eigenschappen als altruïsme, goede communicatie en
verantwoordelijkheid
Onopvallende conservisten: aansturen op eerlijkheid en bevordering gezondheid
Gematigde hedonisten: levensvreugde, optimisme, humor, tolerantie en oog voor medemens
1.1.1 Een stukje geschiedenis
Extended families: met inwonende grootouders.
1874 kinderwet van Van Houten: verbood dat kinderen tot twaalf jaar werden ingezet in het
arbeidsproces op het land en in de fabrieken.
Door industrialisatie en komst van stoommachine waren kinderen minder nodig in fabrieken.
Onderwijs veranderde en werd gerichter. Kinderen kunnen beter ingezet worden op arbeidsmarkt als
ze kunnen lezen en schrijven. Gezinnen werden kleiner -> kinderen hadden geen economisch nut
meer en kostten nu alleen maar geld en voedsel.
In de negentiende eeuw kwam de persoonlijke vrijheid meer centraal te staan in de opvoeding,
onder invloed van het liberalisme.
Tweede helft negentiende eeuw -> opvoedingsvisie was meer een materialistische en kapitalistische.
Het victoriaans denken ontstond, waarbij de opvoeding autoritair, streng en dominant was.
Reactie op klassikale onderwijs kwam door vernieuwingspedagogen/reformpedagogen.
Individualiteit of uniciteit van kind moest worden gewaarborgd.
Maria Montessori: onderwijs moet individueel zijn.
1
,Samenvatting Ontwikkelingspedagogiek
John Dewey: kinderen moeten zichzelf opvoeden door te doen en hun interesse te volgen (learning
by doing).
Alexander Neill: ouderen moeten kinderen niets opleggen (de antiautoritaire opvoeding).
Carl Rogers: gaat uit van actualisatiebehoefte van het kind: het wil zelf iemand worden, als je dat met
een rigide opvoeding tegengaat, ontstaat een rigide of incongruente persoonlijkheid die zich
krampachtig probeert staande te houden en aan te passen aan de maatschappij.
Fröbel: schonk vooral aandacht aan de opvoeding van de kinderen in de kleuterleeftijd, de
voorschoolse periode. Hij ontwierp Kindergarten, een school waarin kinderen in de kleuterleeftijd
leerden spelen, zingen en handenarbeid bedrijven.
Wankel-Pädagogik: keuzevrijheid in hoe om te gaan met een brutaal of koppig kind kan ouders
onzeker maken. Kinderen hebben vaak geen enkel houvast omdat ouders iedere keer anders
reageren op gedrag.
Opvoedingsondersteuning: verzamelnaam voor interventies en activiteiten die als doel hebben de
opvoedingscompetentie van ouders te vergroten.
Effective parenting: gewenst gedrag aanleren en ongewenst gedrag afleren. Voortvloeiende
ondersteuning uit tv-programma’s. -> korte termijn doelen waarmee je direct een goed resultaat kan
bereiken.
1.1.3 Pedagogische programma's
STEP-programma (Systematic Training for Effective Parenting): gelijkwaardigheid tussen ouder en
kind en behoefte aan verbondenheid staat centraal, rollenspellen tijdens bijeenkomsten.
Ondogmatisch opvoeden: geen vaste gedragsvoorschriften voor handelen opvoeder. Hierbij is vooral
belangrijk dat ouders leren aangeven waar opvoedingsgrenzen liggen dit zijn de 'ik-boodschappen’
SESK (Starke Eltern-starke Kinder): rechten kind, opvoeding zonder geweld. Ouders moeten leren
uitleggen wat zin is van regels en grenzen, conflictsituaties in groepen analyseren en oplossingen
zoeken tijdens bijeenkomsten
Triple-P-programma (Positive Parenting Program): sturend, positieve pedagogiek 3 basisprincipes:
- Zorgen voor veilige en stimulerende omgeving
- Creëren positieve leeromgeving
- Leren hoe ouders beste op ongewenst gedrag kunnen reageren
Triple P is ontwikkeld door Matthew Sanders om ouders en andere opvoeders te laten zien
hoe zij kinderen op een positieve wijze kunnen begeleiden.
De Winter: ‘paranoia van ouderschap’ ouders kunnen bang worden voor
ontwikkelingsschade bij hun kind door bijvoorbeeld een overmaat aan zonlicht, het inslikken
van voorwerpen enz. Leidt tot hyperparenting of too good mothering, waarbij ouders zich
voortdurend zorgen maken om het lichamelijke en geestelijke welzijn van kind. Zij hebben
hoge verwachtingen van het eindresultaat van de opvoeding.
Pedagogische visie die daarbij hoort: maakbaarheid van de mens -> tabula rasa.
Langeveld: opvoeder in situaties van WOII (hitlerjugend en BDM -> kinderen op autoritaire
wijze gedrild om met geweren te schieten op de vijand) waardeblind: belang van het kind telt
niet of wordt niet verondersteld aanwezig te zijn.
Führen: het sturen van kinderen, kan leiden tot opfokken of mennen van kinderen wat ten
koste gaat van het streven naar autonomie
Wachsenlassen: opvoeder neemt een veel bescheidener rol in in het proces.
Nature/nurture: karakter van het kind biologisch bepaald of product van opvoeding? Dit is een
wederzijdse beïnvloeding.
Fenotype: de som van alle waarneembare eigenschappen en kenmerken van een organisme.
1.1.4 Visies op pedagogiek
Langeveld: fenomenologische benadering: richten op gebeurtenissen en voorvallen zoals deze
worden beleefd -> subjectieve waarneming opvoeder. Een situatie is niet goed of fout maar wordt
2
,Samenvatting Ontwikkelingspedagogiek
goed of fout beleefd. Empirische fenomenologie: meer wetenschappelijk, naast beschrijvingen
verzamelen ook analyseren en in kaart brengen
Brezinka: opvoeding gaat vooral om verschillen in zelfstandigheid en mondigheid, die door de
opvoeding moeten worden gestimuleerd. Andragogiek: het helpen en begeleiden van volwassenen
met als doel hun welzijnssituatie te verbeteren. In de opvoeding draait alles om de intentie van de
opvoeder, degene die opgevoed wordt is van ondergeschikt belang.
Theodor Litt: verder met fenomenologie -> onderzoeken of er meer kindvolgend of -sturend
gehandeld moet worden
- Aanhangers Wachsen Lassen waarschuwen vooral voor gevaar dat kan schuilen in macht!
Niet volledig tegen inmenging.
- Bij Führen gaat het vooral om vormen bepaald ideaal menstype. Benadering vooral van
praktische aard
Montessori: de opvoedeling moet op het juiste moment zaken aangereikt krijgen waarmee het zich
kan ontwikkelen. Het wordt niet opgedrongen. Kindvolgende theorie en responsieve. Observeren van
periodes en gehoor geven aan specifieke interesses is primaire taak van de opvoeder thuis en op
school. Help mij het zelf te doen is een bekende slagzin van Montessori.
Herbart: Bildsamkeit het aanspreekbaar zijn voor veranderingen en de mogelijkheid hebben om zelf
te kunnen veranderen. Opvoeden is niet feiten en normen doorgeven maar hem inleiden in een
zinvolle wereld die hem boeit zodat hij of zij zich uitgedaagd voelt tot zelfverwezenlijking.
Rousseau: opvoedeling moet eigen koers uitzetten door eigen denken
Beekman: opvoeding is ingroeien in pluriforme samenleving -> verschillende levensbeschouwingen
en culturen samenwerken en inspelen op snelle veranderingen samenleving, flexibiliteit
Spiecker: humaniseren in opvoeding -> doel is persoonswording, geleid kunnen handelen,
vaardigheden voor deelnemen in samenleving
Imelman: onderzoek pedagogische atmosfeer in opvoedingsrelatie > persoonlijkheidsleer opvoeder
Van IJzendoorn: bepleit reflectie over waarden en normen die verband houden met
opvoedingsdoelen en aanvaardbare opvoedingsmiddelen. Hij bepleit veldexperimenten waarin
beschrijvingen, verklaringen en toepassingen hand in hand gaan. Hechtingsgedrag is belangrijk
thema. Hij onderzoekt de genetische en neurobiologische achtergronden van de gehechtheid, de
ontwikkeling van het brein en de hormonale ontwikkeling van kinderen, evenals de regulatie van hun
emoties.
Philip Meirieu: heeft een heel andere pedagogische visie. Accept op het bieden van weerstand
(rencontrer en confronter) = botsen van personen waarbij grenzen worden overschreden).
Het doel van de opvoeding is niet de aansporing tot zelfstandige denken en handelen, dat hoort bij
de socialisatie en leerpsychologie, maar het pedagogische aspect ontstaat in de botsing van waarden
met de opvoedeling.
Juul: ouders moeten vooral voor zichzelf bepalen wat de grenzen zijn. Kinderen leren door
nabootsing en daarom expliciete opvoedingsmiddelen als straffen en belonen niet nodig
(vergelijkbaar met Langeveld maar niet alleen voorschoolse periode)
Dewey: accentueert het bevorderen van de zelfstandigheid en de alertheid van de opvoedelingen.
Benadrukt belang van begeleiden en stimuleren tot zelfstandig leren denken. Stimuleren van
nieuwsgierigheid en kritische blik op maatschappij kenmerkend. Doen ipv denken. Opvoedende taak
school boven het leren. Visie is van pragmatisme: mens wordt primair beschouwd als een denkend of
kennend wezen. Opvoedingsproces is vinden van dynamische balans tussen individuele en sociale
aspecten die even belangrijk zijn
Pestalozzi: ontwikkeling emoties, medeleven en affectie belangrijk
1.1.5 Biopsychologische bijdragen aan de pedagogiek
Biopsychologie: benadrukken van mogelijkheden van opvoeder om de aanleg van de opvoedeling
optimaal te ontwikkelen.
Onderscheid genotype/fenotype:
- Genotype: aangeboren erfelijke aanleg.
3
, Samenvatting Ontwikkelingspedagogiek
- Fenotype: specifiek in het individu gerealiseerde uitkomst van alle mogelijke uitkomsten van
individuele, cognitieve, emotionele, motorische en culturele ontwikkeling.
Range of reaction: alle mogelijke uitkomsten. Naarmate de range of reaction groter is, is de
omgeving in potentie meer van belang.
Nature-nurturedebat bekijken vanuit onderscheid genotype en fenotype. Alle mogelijke uitkomsten
fenotype = range of reaction -> hoe groter dit bij een soort is, hoe meer de opvoedingscontext in
potentie van meer belang is (bij mensen dus groot)
Nurture: indien geen cognitieve retardatie kan door individuele tutoring het IQ met wel 20 punten
worden opgekrikt
Piaget: constructivistische model: nature en nurture construeren elkaar in dynamische wisselwerking
Gazzaniga: zelfbewustzijn is brain interpreter = commentator achteraf: eerst handelen we op
grond van breingeschiedenis (gevolg ervaringen) en dan zeggen we wat we deden en eigent
het ik dit toe
1.2 Het primaire, secundaire en tertiaire opvoedingsniveau
Drie opvoedingsmilieus:
Primaire: ouders of verzorgers (kerngezin)
Secundaire: opvoeding buitenshuis door professionals (school, kinderdagverblijf, sportvereniging)
Tertiaire: straat, buurt, cultuur (of mix culturen) waar kind in opgroeit
1.2.1. Het primaire opvoedingsmilieu
Kerngezin: samenwonende groep mensen die ten minste 2 generaties omvat waarin afhankelijke
kinderen aanwezig zijn
Extended families: met inwonende grootouders
Type gezinnen:
- Samenhang vs. onsamenhang: bij samenhang veel communicatie
- Structuur vs. chaos: in gestructureerde gezinnen regels, structuren en manier communicatie
vast > hiërarchischer en positioneler
- Openheid vs. geslotenheid: openheid geeft laagdrempeligheid naar mensen, groepen en
instanties -> bij geslotenheid niet, kans op maatschappelijk isolement
Sibling rivalry: oudste kind voelt zich tekortgedaan als er meer kinderen komen (eerst veel aandacht,
dan gedeelde aandacht -> frustratie)
- Oudste kinderen: minder afwijkend van gedrag ouders/verzorgers dan gedrag jongere
kinderen, gezagstrouwer en meer ambitie
- Middelste kinderen: geneigd tot compromissen, meer ontspannen en flexibel opgevoed
- Jongste kinderen: veel vrijheid, onbekommerder, speelser en meer vertrouwen in andere
mensen
- Enig kind: soort mix, door veel aandacht goed leren aanpassen en zelfstandig maar risico
verwend gedrag
- Twee- of meerlingen: vaak als gedeelde identiteit beschouwd -> kan identiteitsontwikkeling
schaden. Meer meerlingen tegenwoordig: meer zwangerschappen d.m.v. medisch handelen
en vrouwen ouder wanneer moeder worden
1.2.2 Het secundaire opvoedingsmilieu
Kinderopvang zorgt NIET voor slechtere hechting met opvoeders -> snellere cognitieve ontwikkeling
en grotere mate zelfverzekerdheid en zelfstandigheid na kinderopvang
Maatschappij individualistischer -> collectieve belang school opvoeding op achtergrond -> nu elke
school accent op ander aspect
Principes reformonderwijs:
- Onderwijs moet continue ontwikkeling leerlingen waarborgen en kindvolgend zijn (vorm
Kinde aus)
4
Hoofdstuk 1. Wat is opvoeding?
1.1 Opvoeding en pedagogiek
Pedagogiek: de leer van het opvoeden.
Klinische pedagogiek: gericht op onderzoek naar opvoedingsprocessen in het algemeen en naar
sociale, culturele en economische factoren die daarop van invloed zijn.
Orthopedagogiek: de leer die bijzonder opvoedsituaties als doel van onderzoek heeft.
Onderwijskunde: richt zich op alle vormen van scholing en op schoolsystemen.
Sociale pedagogiek: tracht de sociale omstandigheden te beoordelen aan de hand van pedagogische
maatstaven.
Wijsgierig-historische pedagogiek: richt zich op de opvoedingswetenschap in het algemeen en is
daarmee een meer theoretisch deelgebied.
Transculturele pedagogiek: richt zich op onderzoek naar de opvoeding van kinderen die in een
andere cultuur wonen dan het land van oorsprong.
Eugenita: de leer van de goede gewoonte
Grootste deel ontwikkeling hersenen gebeurt in 15 à 20 jaar na geboorte
Co-evolutie: hersenen vormen zich naar opvoedingsklimaat
Opvoedeling: degene die opgevoed wordt
Opvoeding: proces waarin onvolwassen mens wordt geholpen en begeleid tot aan het punt waarop
hij of zij de regie voor zijn of haar leven zelf verder kan overnemen en dat ook daadwerkelijk doet
Volwassenheid: verantwoordelijkheid voor eigen daden en beslissingen.
Vanaf ±18 jaar aarzelende of semi-definitieve volwassenheid
1.1.1 Autonomie
Er zijn vijf typen opvoeders:
Conservatieve materialisten: behulpzaamheid hoog in vaandel, aansturen op goede banen en
inkomsten
Doeners: primaire deugden als hoffelijkheid en goede manieren belangrijk, goed presteren, dapper
en trots zijn
Sociale idealisten: ontwikkelen sociale eigenschappen als altruïsme, goede communicatie en
verantwoordelijkheid
Onopvallende conservisten: aansturen op eerlijkheid en bevordering gezondheid
Gematigde hedonisten: levensvreugde, optimisme, humor, tolerantie en oog voor medemens
1.1.1 Een stukje geschiedenis
Extended families: met inwonende grootouders.
1874 kinderwet van Van Houten: verbood dat kinderen tot twaalf jaar werden ingezet in het
arbeidsproces op het land en in de fabrieken.
Door industrialisatie en komst van stoommachine waren kinderen minder nodig in fabrieken.
Onderwijs veranderde en werd gerichter. Kinderen kunnen beter ingezet worden op arbeidsmarkt als
ze kunnen lezen en schrijven. Gezinnen werden kleiner -> kinderen hadden geen economisch nut
meer en kostten nu alleen maar geld en voedsel.
In de negentiende eeuw kwam de persoonlijke vrijheid meer centraal te staan in de opvoeding,
onder invloed van het liberalisme.
Tweede helft negentiende eeuw -> opvoedingsvisie was meer een materialistische en kapitalistische.
Het victoriaans denken ontstond, waarbij de opvoeding autoritair, streng en dominant was.
Reactie op klassikale onderwijs kwam door vernieuwingspedagogen/reformpedagogen.
Individualiteit of uniciteit van kind moest worden gewaarborgd.
Maria Montessori: onderwijs moet individueel zijn.
1
,Samenvatting Ontwikkelingspedagogiek
John Dewey: kinderen moeten zichzelf opvoeden door te doen en hun interesse te volgen (learning
by doing).
Alexander Neill: ouderen moeten kinderen niets opleggen (de antiautoritaire opvoeding).
Carl Rogers: gaat uit van actualisatiebehoefte van het kind: het wil zelf iemand worden, als je dat met
een rigide opvoeding tegengaat, ontstaat een rigide of incongruente persoonlijkheid die zich
krampachtig probeert staande te houden en aan te passen aan de maatschappij.
Fröbel: schonk vooral aandacht aan de opvoeding van de kinderen in de kleuterleeftijd, de
voorschoolse periode. Hij ontwierp Kindergarten, een school waarin kinderen in de kleuterleeftijd
leerden spelen, zingen en handenarbeid bedrijven.
Wankel-Pädagogik: keuzevrijheid in hoe om te gaan met een brutaal of koppig kind kan ouders
onzeker maken. Kinderen hebben vaak geen enkel houvast omdat ouders iedere keer anders
reageren op gedrag.
Opvoedingsondersteuning: verzamelnaam voor interventies en activiteiten die als doel hebben de
opvoedingscompetentie van ouders te vergroten.
Effective parenting: gewenst gedrag aanleren en ongewenst gedrag afleren. Voortvloeiende
ondersteuning uit tv-programma’s. -> korte termijn doelen waarmee je direct een goed resultaat kan
bereiken.
1.1.3 Pedagogische programma's
STEP-programma (Systematic Training for Effective Parenting): gelijkwaardigheid tussen ouder en
kind en behoefte aan verbondenheid staat centraal, rollenspellen tijdens bijeenkomsten.
Ondogmatisch opvoeden: geen vaste gedragsvoorschriften voor handelen opvoeder. Hierbij is vooral
belangrijk dat ouders leren aangeven waar opvoedingsgrenzen liggen dit zijn de 'ik-boodschappen’
SESK (Starke Eltern-starke Kinder): rechten kind, opvoeding zonder geweld. Ouders moeten leren
uitleggen wat zin is van regels en grenzen, conflictsituaties in groepen analyseren en oplossingen
zoeken tijdens bijeenkomsten
Triple-P-programma (Positive Parenting Program): sturend, positieve pedagogiek 3 basisprincipes:
- Zorgen voor veilige en stimulerende omgeving
- Creëren positieve leeromgeving
- Leren hoe ouders beste op ongewenst gedrag kunnen reageren
Triple P is ontwikkeld door Matthew Sanders om ouders en andere opvoeders te laten zien
hoe zij kinderen op een positieve wijze kunnen begeleiden.
De Winter: ‘paranoia van ouderschap’ ouders kunnen bang worden voor
ontwikkelingsschade bij hun kind door bijvoorbeeld een overmaat aan zonlicht, het inslikken
van voorwerpen enz. Leidt tot hyperparenting of too good mothering, waarbij ouders zich
voortdurend zorgen maken om het lichamelijke en geestelijke welzijn van kind. Zij hebben
hoge verwachtingen van het eindresultaat van de opvoeding.
Pedagogische visie die daarbij hoort: maakbaarheid van de mens -> tabula rasa.
Langeveld: opvoeder in situaties van WOII (hitlerjugend en BDM -> kinderen op autoritaire
wijze gedrild om met geweren te schieten op de vijand) waardeblind: belang van het kind telt
niet of wordt niet verondersteld aanwezig te zijn.
Führen: het sturen van kinderen, kan leiden tot opfokken of mennen van kinderen wat ten
koste gaat van het streven naar autonomie
Wachsenlassen: opvoeder neemt een veel bescheidener rol in in het proces.
Nature/nurture: karakter van het kind biologisch bepaald of product van opvoeding? Dit is een
wederzijdse beïnvloeding.
Fenotype: de som van alle waarneembare eigenschappen en kenmerken van een organisme.
1.1.4 Visies op pedagogiek
Langeveld: fenomenologische benadering: richten op gebeurtenissen en voorvallen zoals deze
worden beleefd -> subjectieve waarneming opvoeder. Een situatie is niet goed of fout maar wordt
2
,Samenvatting Ontwikkelingspedagogiek
goed of fout beleefd. Empirische fenomenologie: meer wetenschappelijk, naast beschrijvingen
verzamelen ook analyseren en in kaart brengen
Brezinka: opvoeding gaat vooral om verschillen in zelfstandigheid en mondigheid, die door de
opvoeding moeten worden gestimuleerd. Andragogiek: het helpen en begeleiden van volwassenen
met als doel hun welzijnssituatie te verbeteren. In de opvoeding draait alles om de intentie van de
opvoeder, degene die opgevoed wordt is van ondergeschikt belang.
Theodor Litt: verder met fenomenologie -> onderzoeken of er meer kindvolgend of -sturend
gehandeld moet worden
- Aanhangers Wachsen Lassen waarschuwen vooral voor gevaar dat kan schuilen in macht!
Niet volledig tegen inmenging.
- Bij Führen gaat het vooral om vormen bepaald ideaal menstype. Benadering vooral van
praktische aard
Montessori: de opvoedeling moet op het juiste moment zaken aangereikt krijgen waarmee het zich
kan ontwikkelen. Het wordt niet opgedrongen. Kindvolgende theorie en responsieve. Observeren van
periodes en gehoor geven aan specifieke interesses is primaire taak van de opvoeder thuis en op
school. Help mij het zelf te doen is een bekende slagzin van Montessori.
Herbart: Bildsamkeit het aanspreekbaar zijn voor veranderingen en de mogelijkheid hebben om zelf
te kunnen veranderen. Opvoeden is niet feiten en normen doorgeven maar hem inleiden in een
zinvolle wereld die hem boeit zodat hij of zij zich uitgedaagd voelt tot zelfverwezenlijking.
Rousseau: opvoedeling moet eigen koers uitzetten door eigen denken
Beekman: opvoeding is ingroeien in pluriforme samenleving -> verschillende levensbeschouwingen
en culturen samenwerken en inspelen op snelle veranderingen samenleving, flexibiliteit
Spiecker: humaniseren in opvoeding -> doel is persoonswording, geleid kunnen handelen,
vaardigheden voor deelnemen in samenleving
Imelman: onderzoek pedagogische atmosfeer in opvoedingsrelatie > persoonlijkheidsleer opvoeder
Van IJzendoorn: bepleit reflectie over waarden en normen die verband houden met
opvoedingsdoelen en aanvaardbare opvoedingsmiddelen. Hij bepleit veldexperimenten waarin
beschrijvingen, verklaringen en toepassingen hand in hand gaan. Hechtingsgedrag is belangrijk
thema. Hij onderzoekt de genetische en neurobiologische achtergronden van de gehechtheid, de
ontwikkeling van het brein en de hormonale ontwikkeling van kinderen, evenals de regulatie van hun
emoties.
Philip Meirieu: heeft een heel andere pedagogische visie. Accept op het bieden van weerstand
(rencontrer en confronter) = botsen van personen waarbij grenzen worden overschreden).
Het doel van de opvoeding is niet de aansporing tot zelfstandige denken en handelen, dat hoort bij
de socialisatie en leerpsychologie, maar het pedagogische aspect ontstaat in de botsing van waarden
met de opvoedeling.
Juul: ouders moeten vooral voor zichzelf bepalen wat de grenzen zijn. Kinderen leren door
nabootsing en daarom expliciete opvoedingsmiddelen als straffen en belonen niet nodig
(vergelijkbaar met Langeveld maar niet alleen voorschoolse periode)
Dewey: accentueert het bevorderen van de zelfstandigheid en de alertheid van de opvoedelingen.
Benadrukt belang van begeleiden en stimuleren tot zelfstandig leren denken. Stimuleren van
nieuwsgierigheid en kritische blik op maatschappij kenmerkend. Doen ipv denken. Opvoedende taak
school boven het leren. Visie is van pragmatisme: mens wordt primair beschouwd als een denkend of
kennend wezen. Opvoedingsproces is vinden van dynamische balans tussen individuele en sociale
aspecten die even belangrijk zijn
Pestalozzi: ontwikkeling emoties, medeleven en affectie belangrijk
1.1.5 Biopsychologische bijdragen aan de pedagogiek
Biopsychologie: benadrukken van mogelijkheden van opvoeder om de aanleg van de opvoedeling
optimaal te ontwikkelen.
Onderscheid genotype/fenotype:
- Genotype: aangeboren erfelijke aanleg.
3
, Samenvatting Ontwikkelingspedagogiek
- Fenotype: specifiek in het individu gerealiseerde uitkomst van alle mogelijke uitkomsten van
individuele, cognitieve, emotionele, motorische en culturele ontwikkeling.
Range of reaction: alle mogelijke uitkomsten. Naarmate de range of reaction groter is, is de
omgeving in potentie meer van belang.
Nature-nurturedebat bekijken vanuit onderscheid genotype en fenotype. Alle mogelijke uitkomsten
fenotype = range of reaction -> hoe groter dit bij een soort is, hoe meer de opvoedingscontext in
potentie van meer belang is (bij mensen dus groot)
Nurture: indien geen cognitieve retardatie kan door individuele tutoring het IQ met wel 20 punten
worden opgekrikt
Piaget: constructivistische model: nature en nurture construeren elkaar in dynamische wisselwerking
Gazzaniga: zelfbewustzijn is brain interpreter = commentator achteraf: eerst handelen we op
grond van breingeschiedenis (gevolg ervaringen) en dan zeggen we wat we deden en eigent
het ik dit toe
1.2 Het primaire, secundaire en tertiaire opvoedingsniveau
Drie opvoedingsmilieus:
Primaire: ouders of verzorgers (kerngezin)
Secundaire: opvoeding buitenshuis door professionals (school, kinderdagverblijf, sportvereniging)
Tertiaire: straat, buurt, cultuur (of mix culturen) waar kind in opgroeit
1.2.1. Het primaire opvoedingsmilieu
Kerngezin: samenwonende groep mensen die ten minste 2 generaties omvat waarin afhankelijke
kinderen aanwezig zijn
Extended families: met inwonende grootouders
Type gezinnen:
- Samenhang vs. onsamenhang: bij samenhang veel communicatie
- Structuur vs. chaos: in gestructureerde gezinnen regels, structuren en manier communicatie
vast > hiërarchischer en positioneler
- Openheid vs. geslotenheid: openheid geeft laagdrempeligheid naar mensen, groepen en
instanties -> bij geslotenheid niet, kans op maatschappelijk isolement
Sibling rivalry: oudste kind voelt zich tekortgedaan als er meer kinderen komen (eerst veel aandacht,
dan gedeelde aandacht -> frustratie)
- Oudste kinderen: minder afwijkend van gedrag ouders/verzorgers dan gedrag jongere
kinderen, gezagstrouwer en meer ambitie
- Middelste kinderen: geneigd tot compromissen, meer ontspannen en flexibel opgevoed
- Jongste kinderen: veel vrijheid, onbekommerder, speelser en meer vertrouwen in andere
mensen
- Enig kind: soort mix, door veel aandacht goed leren aanpassen en zelfstandig maar risico
verwend gedrag
- Twee- of meerlingen: vaak als gedeelde identiteit beschouwd -> kan identiteitsontwikkeling
schaden. Meer meerlingen tegenwoordig: meer zwangerschappen d.m.v. medisch handelen
en vrouwen ouder wanneer moeder worden
1.2.2 Het secundaire opvoedingsmilieu
Kinderopvang zorgt NIET voor slechtere hechting met opvoeders -> snellere cognitieve ontwikkeling
en grotere mate zelfverzekerdheid en zelfstandigheid na kinderopvang
Maatschappij individualistischer -> collectieve belang school opvoeding op achtergrond -> nu elke
school accent op ander aspect
Principes reformonderwijs:
- Onderwijs moet continue ontwikkeling leerlingen waarborgen en kindvolgend zijn (vorm
Kinde aus)
4