Exameninformatie
Voor het examen Pedagogiek voor de Onderwijsassistent leer je het volgende:
Boek Pedagogisch Werk 1
Thema 2 Fundamenten van ontwikkeling
Thema 3 Ontwikkeling van 0 tot 23
Thema 4 Ontwikkeling bij kinderen
Thema 7 Voorlezen en vertellen
Thema 10 Achterstanden en stoornissen
Thema 11 Problemen en stoornissen
Thema 13 Motiveren
Thema 14 Pedagogische vernieuwing
Thema 15 Opvoedmethoden
Thema 17 Pesten
Thema 18 Cyberpesten
Thema 19 Kinderparticipatie
Boek Pedagogisch Werk 2
Thema 1 Pedagogisch werkveld
Thema 4 Ritme, reinheid en regelmaat
Thema 6 Ziek zijn
Thema 8 Werken met richtlijnen
Thema 13 Diversiteit
Thema 16 Geweld, mishandeling en misbruik
Thema 17 Ontwikkelingspsychologie Plus
Boek Professioneel werken voor pedagogisch werk
Thema 1 De levensloop van de mens
Thema 3 Voeding als motor voor je lichaam
Thema 10 Een kindveilige omgeving
,Samenvatting Pedagogisch werk 1
Thema 2 Fundamenten van ontwikkeling
2.1 Zeven fundamenten van ontwikkeling:
- emotionele en fysieke veiligheid
Fysiek: vrij bewegen zonder gevaar, brandwonden, vallen van trap. Wettelijke regels kdv
emotioneel: beschermen en troosten als er iets naars gebeurd, goede band en structuur
- uitnodigende en uitdagende omgeving
Uitnodigend: omgeving wekt belangstelling kind, ziet er mooi uit. tekeningen ramen kvd
Uitdagend: kind motiveren iets te gaan doen, bijv. bouwen blokken
- mogelijkheid tot onderzoeken en experimenteren
Dingen uitproberen bijvoorbeeld met water, voldoende materiaal om op onderzoek uit te gaan
- interactie
Contact hebben met anderen, veel praten en uitleggen. Afgestemd op leeftijd. Kinderen leren
door interactie samenspelen en voor zichzelf opkomen, je leert ze op welke manier ze met
elkaar om moeten gaan
- samenspelen
Door samen spelen leren kinderen samenwerken, onderhandelen en delen. Vanaf 4 jaar echt
samen spelen
- zelfvertrouwen en eigenwaarde (2 lossen fundamenten)
Het gevoel van eigenwaarde ontwikkelen, zelf een belangrijk en waardevol persoon. Door
interactie met omgeving leert kind wat kan en wat niet kan. Positieve aandacht en
complimenten zijn nodig, het kind is welkom en lief ook al maakt het fouten.
2.2 Jongens versus meisjes
Hersenen werken anders, verschillend gedrag. Ontwikkeling jongens loop langzamer. Jongens
meer groeispurten meisjes ontwikkeling geleidelijke .
Jongens, rechterhersenhelft beter ontwikkeld dan linker daardoor beter ruimtelijk inzicht.
Goed logisch denken en puzzels. Meisjes hebben een beter ontwikkelde linker hersenhelft.
Deze is verantwoordelijk voor taal ,meisjes kunnen hun gedachten beter onder woorden
brengen en hun gevoelens benoemen, ze leren sneller lezen.
Hormonen: jongens testosteron, meer energie en impulsiever, houden van actie. Bewegelijker.
Zijn agressiever. Meisjes kunnen beter met emoties omgaan.
Verschillende behoeftes
Jongensgedrag
Rennen, klimmen, stoeien. Ruimte voor bewegen, vrijheid dingen ontdekken, genoeg
materialen om uit te proberen, niet veel uitleggen, zelf ontdekken, jongens doen eerst dan
denken ze, jongens zijn snel afgeleid, jongens nemen graag risico (niet te snel bezorgd zijn)
Mesjesgedrag
praten, dingen uitleggen, materialen fijne motoriek, spelletjes lange tijd concentreren,
luisteren meisjes verhaal vertellen, groepsactiviteiten, meisjes soms lang twijfelen iets te
doen.
,2.3 Zelfbeeld
Zelfbeeld bestaat uit:
- zelfbesef
Vanaf de leeftijd van 2 jaar. Het leert dat het eigen Ik heeft die kenmerken bezit. Kan je zien
bij spiegel als kind naar eigen neus grijpt ipv die op de spiegel
- zelfkennis
Zie je terug in de omschrijving die kinderen zichzelf geven, Peuter vooral uiterlijke
kenmerken, vanaf 7 jaar kind ook voldoende geleerd over vaardigheden
- zelfwaardering
Een beschrijving die iemand van zichzelf geeft. Hoog: goed tekenen, laag: dik en onhandig.
Lage zelfwaardering slecht voor ontwikkeling
- zelfvertrouwen
Ontstaat door het ervaren van succes. Geef kinderen ruimte om dingen zelf te doen
2.4 Omgeving
Omgeving heeft invloed op ontwikkeling zelfbeeld. Positieve reactie: hoog zelfbeeld,
negatieve reacties: laag zelfbeeld
Doordat een kind zich vergelijkt met anderen leert hij wat hij / zij bijzonder maakt.
2.5 Verdieping: Schoolprestaties van jongens en meisjes
Jongens doen het slechter op school dan meisjes? Blijven vaker zitten en maken vaker
opleiding niet af. Hoe komt dit?
- rolmodellen
Jongens groeien op tussen vrouwen. Mannelijk rolmodel wel belangrijk, mannen strenger en
kritischer. Van mannen kunnen jongens leren om streng voor zichzelf te zijn en om door te
zetten , dit is nodig om diploma te halen
- beweging
Bewegen is belangrijk voor jongens. Ze leren samenwerken, zelfdiscipline en competitie.
School is er weinig aandacht voor bewegen, veel rekenen en schrijven en lezen.
- taal
Meisjes beter in taal jongens in rekenen. Bij rekenen sommen ook verstopt in taal. Onderwijs
ligt de nadruk op taal
- ontwikkeling
Jongens ontwikkelen zich langzamer dan meisjes. Meisjes lopen 2 jaar voor opjongens.
- gescheiden onderwijs
Speciale lessen voor alleen meisjes of jongens? Jongens les die minder een beroep doen op
taal en mogen meer bewegen.
Structuur
Scholen waar jongens wel goed presteren hechten vaak veel waarde aan structuur.
Persoonlijke aandacht
Jongens eisen aandacht en vragen minder snel hulp als ze problemen hebben
Leren leren
Netjes werken, structuur, plannen, zijn meisjes beter in.
, Thema 3 Ontwikkeling van 0-23 jaar
3.1 Ontwikkeling baby
Rijping is het natuurlijke ontwikkelingsproces waarin een baby uitgroeit tot een volwassene.
De babyfase duurt tot 18 maanden. Geen enkele andere fase verloopt de ontwikkeling zo snel
als in de babytijd.
Motorische en lichamelijke ontwikkeling
Veranderingen in hun lijf, groei van botten en spieren, schedel en lichamelijke verhoudingen.
Het heeft betrekking op bewegen van je lichaam. Grove motoriek: lopen, rennen, touwtje
springen, fietsen. Fijne motorische bewegingen: Armen, handen vingers en tenen goede
beheersing, zoals schrijven en tekenen.
Lichamelijke veranderingen
Het lichaamsvet van de baby verdwijnt tandjes komen tussen drie en vijf maanden, rond 6
maanden ijzervoorraad op. Tijd om bij te voeden en niet enkel melk te geven
Reflexen
Een onbewuste reactie op een prikkel, wordt vervangen door bewuste bewegingen.
Zuigreflex: zuigende beweging als mond baby wordt aangeraakt. Zoekreflex, baby zoekt
automatisch naar voedsel. Mororreflex: snelle spreid en sluit beweging van de armen, benen
en vingers, mond als hoofd van baby en romp plotseling zakken. Loopreflex: wek je op als
baby vlakke ondergrond voelt. Grijpreflex: samenknijpen babyhand of voet bij aanraking
handpalm of voetzool
Motorische mijlpalen Zie blz 52 schema
Cognitieve ontwikkeling
De ontwikkeling van het brein en de manier waarop je leert, denkt en begrijpt. De Zwitser
Jean Piaget deed onderzoek naar denken, morele ontwikkeling en sociale ontwikkeling. Hij
zag de cognitieve ontwikkeling in 4 fases:
- sensomotorische fase, loopt tot 2 jaar, baby leert via zijn zintuigen:
Oren, mond, ogen, neus en huid
Objectpermanentie: kind tussen 8 en 12 maanden heeft vermogen een beeld in het geheugen
vast te houden zonder het te zien. Een kind weet dan dat een voorwerp bestaat zonder het te
zien.
Sociaal emotionele ontwikkeling
Het gevoelsleven en de omgang met anderen. Baby gaat huilen, lachen (vanaf 6 weken), Rond
7 maanden eenkennigheidsfase, scheidingsangst, daarna meer contact met kinderen en andere
volwassenen.
Ik-besef en persoonlijkheid
Geen ik-besef: kind ervaart zichzelf niet met eigen wil. Wel eigen persoonlijkheid en karakter.
Hechting
Diepe blijvende band die kind met opvoeders ontwikkelt. Een veilig gehechte baby die
vertrouwen heeft in volwassenen om hem heen, durft makkelijker op onderzoek te gaan. Dit
heet: exploratiedrang. Dit zorgt ervoor dat de baby sneller leert.
Voor het examen Pedagogiek voor de Onderwijsassistent leer je het volgende:
Boek Pedagogisch Werk 1
Thema 2 Fundamenten van ontwikkeling
Thema 3 Ontwikkeling van 0 tot 23
Thema 4 Ontwikkeling bij kinderen
Thema 7 Voorlezen en vertellen
Thema 10 Achterstanden en stoornissen
Thema 11 Problemen en stoornissen
Thema 13 Motiveren
Thema 14 Pedagogische vernieuwing
Thema 15 Opvoedmethoden
Thema 17 Pesten
Thema 18 Cyberpesten
Thema 19 Kinderparticipatie
Boek Pedagogisch Werk 2
Thema 1 Pedagogisch werkveld
Thema 4 Ritme, reinheid en regelmaat
Thema 6 Ziek zijn
Thema 8 Werken met richtlijnen
Thema 13 Diversiteit
Thema 16 Geweld, mishandeling en misbruik
Thema 17 Ontwikkelingspsychologie Plus
Boek Professioneel werken voor pedagogisch werk
Thema 1 De levensloop van de mens
Thema 3 Voeding als motor voor je lichaam
Thema 10 Een kindveilige omgeving
,Samenvatting Pedagogisch werk 1
Thema 2 Fundamenten van ontwikkeling
2.1 Zeven fundamenten van ontwikkeling:
- emotionele en fysieke veiligheid
Fysiek: vrij bewegen zonder gevaar, brandwonden, vallen van trap. Wettelijke regels kdv
emotioneel: beschermen en troosten als er iets naars gebeurd, goede band en structuur
- uitnodigende en uitdagende omgeving
Uitnodigend: omgeving wekt belangstelling kind, ziet er mooi uit. tekeningen ramen kvd
Uitdagend: kind motiveren iets te gaan doen, bijv. bouwen blokken
- mogelijkheid tot onderzoeken en experimenteren
Dingen uitproberen bijvoorbeeld met water, voldoende materiaal om op onderzoek uit te gaan
- interactie
Contact hebben met anderen, veel praten en uitleggen. Afgestemd op leeftijd. Kinderen leren
door interactie samenspelen en voor zichzelf opkomen, je leert ze op welke manier ze met
elkaar om moeten gaan
- samenspelen
Door samen spelen leren kinderen samenwerken, onderhandelen en delen. Vanaf 4 jaar echt
samen spelen
- zelfvertrouwen en eigenwaarde (2 lossen fundamenten)
Het gevoel van eigenwaarde ontwikkelen, zelf een belangrijk en waardevol persoon. Door
interactie met omgeving leert kind wat kan en wat niet kan. Positieve aandacht en
complimenten zijn nodig, het kind is welkom en lief ook al maakt het fouten.
2.2 Jongens versus meisjes
Hersenen werken anders, verschillend gedrag. Ontwikkeling jongens loop langzamer. Jongens
meer groeispurten meisjes ontwikkeling geleidelijke .
Jongens, rechterhersenhelft beter ontwikkeld dan linker daardoor beter ruimtelijk inzicht.
Goed logisch denken en puzzels. Meisjes hebben een beter ontwikkelde linker hersenhelft.
Deze is verantwoordelijk voor taal ,meisjes kunnen hun gedachten beter onder woorden
brengen en hun gevoelens benoemen, ze leren sneller lezen.
Hormonen: jongens testosteron, meer energie en impulsiever, houden van actie. Bewegelijker.
Zijn agressiever. Meisjes kunnen beter met emoties omgaan.
Verschillende behoeftes
Jongensgedrag
Rennen, klimmen, stoeien. Ruimte voor bewegen, vrijheid dingen ontdekken, genoeg
materialen om uit te proberen, niet veel uitleggen, zelf ontdekken, jongens doen eerst dan
denken ze, jongens zijn snel afgeleid, jongens nemen graag risico (niet te snel bezorgd zijn)
Mesjesgedrag
praten, dingen uitleggen, materialen fijne motoriek, spelletjes lange tijd concentreren,
luisteren meisjes verhaal vertellen, groepsactiviteiten, meisjes soms lang twijfelen iets te
doen.
,2.3 Zelfbeeld
Zelfbeeld bestaat uit:
- zelfbesef
Vanaf de leeftijd van 2 jaar. Het leert dat het eigen Ik heeft die kenmerken bezit. Kan je zien
bij spiegel als kind naar eigen neus grijpt ipv die op de spiegel
- zelfkennis
Zie je terug in de omschrijving die kinderen zichzelf geven, Peuter vooral uiterlijke
kenmerken, vanaf 7 jaar kind ook voldoende geleerd over vaardigheden
- zelfwaardering
Een beschrijving die iemand van zichzelf geeft. Hoog: goed tekenen, laag: dik en onhandig.
Lage zelfwaardering slecht voor ontwikkeling
- zelfvertrouwen
Ontstaat door het ervaren van succes. Geef kinderen ruimte om dingen zelf te doen
2.4 Omgeving
Omgeving heeft invloed op ontwikkeling zelfbeeld. Positieve reactie: hoog zelfbeeld,
negatieve reacties: laag zelfbeeld
Doordat een kind zich vergelijkt met anderen leert hij wat hij / zij bijzonder maakt.
2.5 Verdieping: Schoolprestaties van jongens en meisjes
Jongens doen het slechter op school dan meisjes? Blijven vaker zitten en maken vaker
opleiding niet af. Hoe komt dit?
- rolmodellen
Jongens groeien op tussen vrouwen. Mannelijk rolmodel wel belangrijk, mannen strenger en
kritischer. Van mannen kunnen jongens leren om streng voor zichzelf te zijn en om door te
zetten , dit is nodig om diploma te halen
- beweging
Bewegen is belangrijk voor jongens. Ze leren samenwerken, zelfdiscipline en competitie.
School is er weinig aandacht voor bewegen, veel rekenen en schrijven en lezen.
- taal
Meisjes beter in taal jongens in rekenen. Bij rekenen sommen ook verstopt in taal. Onderwijs
ligt de nadruk op taal
- ontwikkeling
Jongens ontwikkelen zich langzamer dan meisjes. Meisjes lopen 2 jaar voor opjongens.
- gescheiden onderwijs
Speciale lessen voor alleen meisjes of jongens? Jongens les die minder een beroep doen op
taal en mogen meer bewegen.
Structuur
Scholen waar jongens wel goed presteren hechten vaak veel waarde aan structuur.
Persoonlijke aandacht
Jongens eisen aandacht en vragen minder snel hulp als ze problemen hebben
Leren leren
Netjes werken, structuur, plannen, zijn meisjes beter in.
, Thema 3 Ontwikkeling van 0-23 jaar
3.1 Ontwikkeling baby
Rijping is het natuurlijke ontwikkelingsproces waarin een baby uitgroeit tot een volwassene.
De babyfase duurt tot 18 maanden. Geen enkele andere fase verloopt de ontwikkeling zo snel
als in de babytijd.
Motorische en lichamelijke ontwikkeling
Veranderingen in hun lijf, groei van botten en spieren, schedel en lichamelijke verhoudingen.
Het heeft betrekking op bewegen van je lichaam. Grove motoriek: lopen, rennen, touwtje
springen, fietsen. Fijne motorische bewegingen: Armen, handen vingers en tenen goede
beheersing, zoals schrijven en tekenen.
Lichamelijke veranderingen
Het lichaamsvet van de baby verdwijnt tandjes komen tussen drie en vijf maanden, rond 6
maanden ijzervoorraad op. Tijd om bij te voeden en niet enkel melk te geven
Reflexen
Een onbewuste reactie op een prikkel, wordt vervangen door bewuste bewegingen.
Zuigreflex: zuigende beweging als mond baby wordt aangeraakt. Zoekreflex, baby zoekt
automatisch naar voedsel. Mororreflex: snelle spreid en sluit beweging van de armen, benen
en vingers, mond als hoofd van baby en romp plotseling zakken. Loopreflex: wek je op als
baby vlakke ondergrond voelt. Grijpreflex: samenknijpen babyhand of voet bij aanraking
handpalm of voetzool
Motorische mijlpalen Zie blz 52 schema
Cognitieve ontwikkeling
De ontwikkeling van het brein en de manier waarop je leert, denkt en begrijpt. De Zwitser
Jean Piaget deed onderzoek naar denken, morele ontwikkeling en sociale ontwikkeling. Hij
zag de cognitieve ontwikkeling in 4 fases:
- sensomotorische fase, loopt tot 2 jaar, baby leert via zijn zintuigen:
Oren, mond, ogen, neus en huid
Objectpermanentie: kind tussen 8 en 12 maanden heeft vermogen een beeld in het geheugen
vast te houden zonder het te zien. Een kind weet dan dat een voorwerp bestaat zonder het te
zien.
Sociaal emotionele ontwikkeling
Het gevoelsleven en de omgang met anderen. Baby gaat huilen, lachen (vanaf 6 weken), Rond
7 maanden eenkennigheidsfase, scheidingsangst, daarna meer contact met kinderen en andere
volwassenen.
Ik-besef en persoonlijkheid
Geen ik-besef: kind ervaart zichzelf niet met eigen wil. Wel eigen persoonlijkheid en karakter.
Hechting
Diepe blijvende band die kind met opvoeders ontwikkelt. Een veilig gehechte baby die
vertrouwen heeft in volwassenen om hem heen, durft makkelijker op onderzoek te gaan. Dit
heet: exploratiedrang. Dit zorgt ervoor dat de baby sneller leert.