OPERATIONS MANAGEMENT – TENTAMEN 70% H1 T/M H18 HC 1 T/M 12
HOOFDSTUK 1: OPERATIONS MANAGEMENT
Operations management: heleboel (vaak complexe) beslissingen nodig om al deze activiteiten te
managen.
Operations:
• Alles wat je om je heen ziet is geproduceerd door een operatie.
• Elke dienst die je vandaag hebt gebruikt is tot stand gekomen door een operatie.
• Operations managers: zorgen voor de creatie van alles wat je koopt, op zit, draagt, eet,
gebruikt etc.
Operatie: de activiteiten die in een bedrijf nodig zijn om een goed of een dienst te kunnen leveren.
Meeste operaties produceren een mix van goederen en diensten.
Alle operaties creëren en leveren diensten en producten door input in output te veranderen met
behulp van een input-transformatie-outputproces.
1
,Operations management: gebruikt middelen om op gepaste wijze output (goederen of diensten) te
creëren die voldoet aan gedefinieerde marktvereisten.
4Vs model:
Hoge eenheidskosten vs lage eenheidskosten.
• Volume: het niveau of de snelheid van de uitvoer van een proces.
• Variëteit: het scala aan verschillende producten en diensten geproduceerd door een proces.
• Variatie in vraag: de mate waarin het niveau van de vraag van klanten in de loop van de tijd
varieert.
• Zichtbaarheid: in hoeverre de klant de operatie/het proces kan observeren.
2
,HOOFDSTUK 2: OPERATIONS PERFORMANCE
Belang van definiëren en meten van operations prestaties:
• Overeenstemming tussen belanghebbenden.
• Monitoren in hoeverre doelstellingen gehaald worden.
• Identificeren van inefficiëntie en/of bottlenecks.
• Betere besluitvorming bij bijvoorbeeld de allocatie van schaarse middelen.
• Meer vertrouwen en/of hogere motivatie door heldere verantwoordelijkheden en feedback.
Wie hebben invloed op operations prestatie doelstellingen?
• Externe belanghebbenden; aandeelhouders, klanten, leveranciers, regering, maatschappij.
• Interne belanghebbenden; top management, werknemers, personeelsvertegenwoordiging.
Succes van operations:
• Omzet;
• Bijdrage aan groei.
• Servicegraad naar klanten.
• Kosten;
• Efficiëntie.
• Besparing.
• Investeringen;
• Bezetting van gebruikte middelen.
• Kapitaal intensiteit van de operatie.
• Risico;
• Risico management.
• Veerkracht.
• Competenties;
• Procesverbetering.
• Innovatie.
Triple bottom line raamwerk:
3
, Profit: variabelen die impact hebben op de winstgevendheid en cashflow van de onderneming.
Planet: variabelen die impact hebben op het milieu, ecosystemen en gebruik van eindige bronnen.
People: variabelen die impact hebben op mensen als individuen, groepen en gemeenschappen.
Operations prestatie op operationeel niveau (QSDFC): prestatie indicatoren;
1. Kwaliteit (quality): de mate waarin een product/dienst consistent voldoet aan een set van
gespecificeerde verwachtingen of vereisten.
• Externe voordelen → klant verwachtingen/vereisten voldoen.
• Interne voordelen → reduceert kosten (minder correcties), verhoogt betrouwbaarheid.
2. Snelheid (speed): de totale levertijd tussen de aanvraag van een product/dienst en de
levering ervan.
• Externe voordelen → kortere levertijd naar klanten.
• Interne voordelen → lagere voorraad, dus lagere kosten, lager risico op voorspellingsfouten.
3. Betrouwbaar (dependability): mate waarin producten/diensten worden geleverd op het
afgesproken moment.
• Externe voordelen → betrouwbare levering aan klant.
• Interne voordelen → bespaart tijd en geld, stabiliteit.
4. Flexibiliteit (flexibility): mate waarin de operations kunnen aanpassen om aan
veranderende/gevarieerde marktvereisten te kunnen voldoen. 4 types: product/service-,
mix-, volume- en levering flexibiliteit.
Product flexibiliteit: de competentie om nieuwe producten op de markt te brengen om op
markttrends te kunnen inspelen.
Mixflexibiliteit: de competentie om een breed bereid van verschillende merken tegelijkertijd
aan te bieden.
Volumeflexibiliteit: de competentie om productie op en af te kunnen schalen om aan de
veranderende vraag te kunnen voldoen.
Leveringsflexibiliteit: de competentie om het tijdsstip van leveringen naar klanten te
veranderen.
• Externe voordelen → introductie van nieuwe producten/diensten, bereik van
product/diensten (voor elk wat wils), volume aanpassingen, levering aanpassingen.
• Interne voordelen → verhoogt snelheid, verhoogt betrouwbaarheid.
5. Kosten (cost): de financiële middelen die benodigd zijn om producten/diensten te
produceren en/of leveren aan klanten.
• Externe voordelen → lagere prijs naar klant dus meer verkopen.
• Interne voordelen → meer winst.
Kostenstructuur: de mate waarin operations functie de kosten kunnen verlagen hangt af van waar de
meeste kosten worden opgedaan:
• Ingekochte materialen en diensten.
4
HOOFDSTUK 1: OPERATIONS MANAGEMENT
Operations management: heleboel (vaak complexe) beslissingen nodig om al deze activiteiten te
managen.
Operations:
• Alles wat je om je heen ziet is geproduceerd door een operatie.
• Elke dienst die je vandaag hebt gebruikt is tot stand gekomen door een operatie.
• Operations managers: zorgen voor de creatie van alles wat je koopt, op zit, draagt, eet,
gebruikt etc.
Operatie: de activiteiten die in een bedrijf nodig zijn om een goed of een dienst te kunnen leveren.
Meeste operaties produceren een mix van goederen en diensten.
Alle operaties creëren en leveren diensten en producten door input in output te veranderen met
behulp van een input-transformatie-outputproces.
1
,Operations management: gebruikt middelen om op gepaste wijze output (goederen of diensten) te
creëren die voldoet aan gedefinieerde marktvereisten.
4Vs model:
Hoge eenheidskosten vs lage eenheidskosten.
• Volume: het niveau of de snelheid van de uitvoer van een proces.
• Variëteit: het scala aan verschillende producten en diensten geproduceerd door een proces.
• Variatie in vraag: de mate waarin het niveau van de vraag van klanten in de loop van de tijd
varieert.
• Zichtbaarheid: in hoeverre de klant de operatie/het proces kan observeren.
2
,HOOFDSTUK 2: OPERATIONS PERFORMANCE
Belang van definiëren en meten van operations prestaties:
• Overeenstemming tussen belanghebbenden.
• Monitoren in hoeverre doelstellingen gehaald worden.
• Identificeren van inefficiëntie en/of bottlenecks.
• Betere besluitvorming bij bijvoorbeeld de allocatie van schaarse middelen.
• Meer vertrouwen en/of hogere motivatie door heldere verantwoordelijkheden en feedback.
Wie hebben invloed op operations prestatie doelstellingen?
• Externe belanghebbenden; aandeelhouders, klanten, leveranciers, regering, maatschappij.
• Interne belanghebbenden; top management, werknemers, personeelsvertegenwoordiging.
Succes van operations:
• Omzet;
• Bijdrage aan groei.
• Servicegraad naar klanten.
• Kosten;
• Efficiëntie.
• Besparing.
• Investeringen;
• Bezetting van gebruikte middelen.
• Kapitaal intensiteit van de operatie.
• Risico;
• Risico management.
• Veerkracht.
• Competenties;
• Procesverbetering.
• Innovatie.
Triple bottom line raamwerk:
3
, Profit: variabelen die impact hebben op de winstgevendheid en cashflow van de onderneming.
Planet: variabelen die impact hebben op het milieu, ecosystemen en gebruik van eindige bronnen.
People: variabelen die impact hebben op mensen als individuen, groepen en gemeenschappen.
Operations prestatie op operationeel niveau (QSDFC): prestatie indicatoren;
1. Kwaliteit (quality): de mate waarin een product/dienst consistent voldoet aan een set van
gespecificeerde verwachtingen of vereisten.
• Externe voordelen → klant verwachtingen/vereisten voldoen.
• Interne voordelen → reduceert kosten (minder correcties), verhoogt betrouwbaarheid.
2. Snelheid (speed): de totale levertijd tussen de aanvraag van een product/dienst en de
levering ervan.
• Externe voordelen → kortere levertijd naar klanten.
• Interne voordelen → lagere voorraad, dus lagere kosten, lager risico op voorspellingsfouten.
3. Betrouwbaar (dependability): mate waarin producten/diensten worden geleverd op het
afgesproken moment.
• Externe voordelen → betrouwbare levering aan klant.
• Interne voordelen → bespaart tijd en geld, stabiliteit.
4. Flexibiliteit (flexibility): mate waarin de operations kunnen aanpassen om aan
veranderende/gevarieerde marktvereisten te kunnen voldoen. 4 types: product/service-,
mix-, volume- en levering flexibiliteit.
Product flexibiliteit: de competentie om nieuwe producten op de markt te brengen om op
markttrends te kunnen inspelen.
Mixflexibiliteit: de competentie om een breed bereid van verschillende merken tegelijkertijd
aan te bieden.
Volumeflexibiliteit: de competentie om productie op en af te kunnen schalen om aan de
veranderende vraag te kunnen voldoen.
Leveringsflexibiliteit: de competentie om het tijdsstip van leveringen naar klanten te
veranderen.
• Externe voordelen → introductie van nieuwe producten/diensten, bereik van
product/diensten (voor elk wat wils), volume aanpassingen, levering aanpassingen.
• Interne voordelen → verhoogt snelheid, verhoogt betrouwbaarheid.
5. Kosten (cost): de financiële middelen die benodigd zijn om producten/diensten te
produceren en/of leveren aan klanten.
• Externe voordelen → lagere prijs naar klant dus meer verkopen.
• Interne voordelen → meer winst.
Kostenstructuur: de mate waarin operations functie de kosten kunnen verlagen hangt af van waar de
meeste kosten worden opgedaan:
• Ingekochte materialen en diensten.
4