Oefentoets 3
De Aeneis – Latijn 2025
VWO 6
Vergilius
,Inhoudsopgave
Vragen..............................................................................................................................................2
Teksten.............................................................................................................................................7
Antwoorden.....................................................................................................................................16
, Vragen
Vragen bij tekst 1 (Vergilius, Aeneis, II.767-795) :
1 [1] ausus t/m umbram (767):
waarom ausus?
2 [1] nota maior (773):
waarop wijst dit?
3 [1] Creüsa benadrukt dat Aeneas een lange reis zal maken. Waarom
gebruikt ze het woord exsilia (780)?
4 [1] Noem drie stijlmiddelen die Creüsa (Vergilius) in regel 783 gebruikt.
5a [1] Wie is de verteller (!) van deze scène? En wie de toehoorder?
b [2] Welke twee opmerkingen zijn in dit kader wel opvallend?
Vragen bij tekst 2 (Vergilius, Aeneis, VI.42-76) :
7 [2] Vergelijk de volgende twee vertalingen van r. 42:
1 - In de enorme Euboïsche rotswand gaapt een holte (vert. Piet
Schrijvers)
2- De wand van de Euboïsche rots is uitgehold tot een reusachtige grot
(vert. M.A. Schwartz)
Wat valt je op bij de weergave van ingens?