1.1.1. De kandidaat kan het begrip constitutionele monarchie omschrijven
en de belangrijkste kenmerken ervan benoemen.
• Grondwet.
• De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers. (Art. 42 lid 1
GW)
• Koning onschendbaar, ministers verantwoordelijk. (Art. 42 lid 2 GW)
Constitutionele monarchie: dat houd in dat alles geregeld is in de
grondwet zoals bijvoorbeeld onze wetten. Nederland is een voorbeeld van
een constitutionele monarchie. Monarchie is een koninkrijk en dat er
sprake is van erfopvolging door geboorte.
De regering wordt gevormd door de koning en ministers.
Koning is onschendbaar (ontastbaar), ministers zijn verantwoordelijk.
1.1.2. De kandidaat kan het begrip democratische rechtsstaat omschrijven
en de belangrijkste kenmerken ervan benoemen.
Parlement (Staten-Generaal) bestaat uit Tweede en Eerste Kamer. (Art.
51 lid 1 GW)
Wijze van kiezen en zittingsduur Tweede en Eerste Kamer. (Artt. 52 lid
1, 54 lid 1, 55 GW)
Actief en passief kiesrecht, bij alle bestuurslagen. (Artt. 4, 54 lid 1, 56
GW)
Nederland is een democratische rechtstaat. Democratisch omdat de
burgers kiezen wie het land regeert. Een rechtstaat omdat iedereen zich
aan het Nederlandse recht moet houden: de burgers, organisaties en
overheid.
De belangrijkste kenmerken van een democratische rechtspraak zijn: de
burgers kiezen wie het land regeert.
Parlement is een ander woord voor Staten-Generaal. Staten-Generaal
bestaat uit: 1e en 2e kamer.
Wijze van kiezen en zittingsduur van Tweede en eerste kamer:
Tweede Kamer:
-150 leden
-gekozen door 18+ burgers
-zittingsduur 4 jaar
Eerste kamer
-75 leden
-Gekozen door leden van provinciale staten de eerste kamerleden
-zittingsduur 4 jaar
Passief kiesrecht=gekozen kunnen worden
Actief kiesrecht= actief je stem uitbrengen, wel 18+
, 1.1.3. De kandidaat kan het begrip gedecentraliseerde
eenheidsstaat omschrijven en de belangrijkste kenmerken
ervan benoemen.
Centrale overheid: het Rijk.
Decentrale overheden: de Provincies, waterschappen en gemeenten.
(Artt. 132, 133 GW)
Gedecentraliseerde eenheidsstaat heeft de centrale overheid met name
een deel van haar wetgevende macht afgestaan. aan lagere
overheidsorgaan: provincie, gemeente en waterschap.
1.1.4. De kandidaat kan het principe van de scheiding der
machten omschrijven (trias politica).
Wetgevende macht. (Art. 81 GW)
Uitvoerende macht. (Art. 42 lid 1 GW)
Rechterlijke macht. (Art. 117 GW)
Scheiding der machten (trias politica)
controleren elkaar en houden elkaar in balans.
1. Wetgevende macht is parlement en regering
2. Uitvoerende macht is regering
3. Rechtelijke macht zijn rechters en het openbaar ministerie.
De kandidaat kan het begrip Provinciale Staten omschrijven
1.2.1.
en haar belangrijkste taken en bevoegdheden benoemen.
Rol, taken en bevoegdheden. (Artt. 125 lid 1, 127 GW; art. 145 PW)
Wijze van gekozen worden, zittingsduur. (Art. 129 lid 1 en 4 GW)
Provinciale staten
- Zitting =4 jaar, gekozen door de leven van provinciale staten
- Stellen de regels (het beleid) van de provincie vast en controleren de
uitvoering daarvan door de gedeputeerde staten
- Commissaris van de koning is voorzitter
1.2.2 De kandidaat kan het begrip Gedeputeerde Staten
omschrijven en haar belangrijkste taken benoemen.
Rol en taken. (Art. 125 lid 2 GW)
Samenstelling. (Art. 34 PW)
Zittingstermijn
Gedeputeerde staten
Het is de taak en bevoegdheid van de gedeputeerde staten om de
provincie te besturen. GS is het dagelijks bestuur van een Nederlandse
provincie.
Provinciale staten maken de regens en gedeputeerde staten voeren ze uit.
Zittingstermijn is 4 jaar.
GS bestaat uit de gedeputeerde en de commissaris van de koning.
Gedeputeerd=zijn bestuurders