Begrippen
Hoofdstuk 1
Ontwikkelingspsychologie = de wetenschappelijke studie van patronen van groei,
verandering en stabiliteit bij mensen vanaf de conceptie tot aan de late volwassenheid, de
dood.
Domeinen
1. Fysieke ontwikkeling,
Invloed van lichaam op ons gedrag
Invloed van hersenen, zenuwstelsel, spieren, zintuigen
Behoefte aan eten, drinken en slaap
- Rijping (= blijvende fysieke of psychologische verandering als gevolg van biologische
groeiprocessen) is een proces tijdens de adolescentie.
2. Cognitieve ontwikkeling
= ontwikkeling die betrekking heeft op intellectuele vermogens, zoals denken, leren,
herinneren en probleem oplossen.
- Hoe kinderen trauma’s ervaren en herinneren op een later moment.
3. Sociaal-emotionele ontwikkeling
= ontwikkeling die betrekking heeft op sociale relaties, interacties met anderen en op
het omgaan met emoties.
- Effecten van racisme, armoede of scheiding, of van stressbeleving van
homoseksuelen.
4. Persoonlijkheidsontwikkeling
= ontwikkeling van duurzame gedragingen en (karakter) eigenschappen die de ene
persoon van de andere onderscheiden
- Morele ontwikkeling
- Heeft een kleuter besef van goud en kwaad
Mensen behoren tot een cohort (=een groep mensen die in een bepaalde periode leeft,
waardoor zij voor een deel gelijke ervaringen opdoen).
Normatieve gebeurtenissen = gebeurtenissen die zich voor de meeste individuen binnen een
groep op dezelfde manier voltrekken.
- Historische invloeden zijn sociale omgevingsinvloeden en biologische invloeden die
verbonden zijn met een specifieke maatschappelijke situatie (met corona)
- Leeftijdsgebonden invloeden zijn biologische en omgevingsinvloeden die
vergelijkbaar zijn voor mensen in bepaalde leeftijdscategorie (bereiken puberteit)
- Sociaal-culturele invloeden bepalen de ontwikkeling van mensen, zoals brede
cultuur, etnische afkomst, sociale klasse en behoren tot een subcultuur (andere
opvoedingen door opgroeien in Afrika of Amsterdam)
Niet-normatieve gebeurtenissen = gebeurtenissen die plaatsvinden in het leven van iemand,
terwijl de meeste mensen hier niet mee te maken krijgen.
- Bijvoorbeeld een kind dat zonder ouders opgroeit door een auto-ongeluk.
,Locke: kinderen komen tot wereld zonder een persoonlijkheid, ze worden gevormd door
ervaringen (17e eeuw).
Rousseau: kinderen worden geboren met een gevoel voor goed en kwaad. Mensen zijn in
wezen goed (18e eeuw).
Hall: de adolescentie is een periode van stress en storm. Een fase van emotionele labiliteit,
spanning en beroering, voortkomend uit biologische veranderingen (20 e eeuw).
Continue verandering = geleidelijke ontwikkeling en prestaties vloeien op een bepaald
niveau voort uit de prestaties op vorige niveaus.
- Kwantitatief
- Vaardigheden veranderen niet in aard, maar in complexiteit
- Bv lengte
Discontinue verandering = ontwikkeling die in aparte stappen/stadia plaatsvindt en waarbij
elk stadium gedrag oplevert dat kwalitatief anders is dan gedrag in eerdere stadia
- Bv opeens niet meer in bed plassen.
Kritieke periode = een specifieke tijd in de ontwikkeling waarin een bepaalde gebeurtenis de
grootste (onomkeerbare) gevolgen heeft.
Komt voor wanneer bepaalde soorten stimuli (=prikkels, veranderingen in de
uitwendige/inwendige omgeving waarop een organisme reageert) noodzakelijk is voor een
normale ontwikkeling of een abnormale ontwikkeling tot gevolg heeft.
Plasticiteit = de mate waarin een zich ontwikkeld gedragspatroon of fysieke structuur
veranderbaar is. Door deze plasticiteit praten psychologen liever van een gevoelige periode
(= de tijd waarin mensen gevoeliger zijn voor omgevingsinvloeden/stimuli, of het ontbreken
ervan).
Grootste verschil is bij een kritieke periode gevolgen permanent zijn en bij de gevoelige
periode kunnen latere ervaringen de effecten opheffen.
Hoofdstuk 2
Theorie = een geheel van verklaringen en voorspellingen ten aanzien van een verschijnselen
dat een raamwerk biedt om de relaties tussen een reeks feiten of principes te begrijpen.
Persoonlijke theorieën zijn gebaseerd op ervaringen en wat we in de media lezen.
Psychodynamisch perspectief = gaat ervan uit dat gedrag wordt gemotiveerd door innerlijke
krachten, herinneringen en conflicten, waarvan een persoon zich nauwelijks bewust is en
waarover hij weinig controle heeft.
Freud: psychoanalytische theorie = onbewuste krachten zijn bepalend voor iemands
persoonlijkheid en gedrag.
Persoonlijkheid bestaat uit 3 delen:
- Id, het primitieve, ongeorganiseerde, aangeboren deel van de persoonlijkheid
Onze instinctieve driften: honger, seks, agressie
Zoveel mogelijk bevrediging met zo weinig mogelijk spanning.
- Ego, rationele en redelijke deel van de persoonlijkheid, dat opereert vanuit het
realiteitsprincipe.
- Superego, deel van de persoonlijkheid die het geweten vertegenwoordigd en het
maakt onderscheid tussen goed en kwaad.
, Ontwikkeld rond 5/6 jaar, want we nemen het over van ouders, leerkrachten en
andere belangrijke figuren.
De psychoseksuele ontwikkeling die kinderen doorlopen heeft 5 fasen, waarin genot zich
richt op een bepaald lichaamsdeel. Als er iets misgaat bij een bepaalde fase kan dat leiden
tot fixatie (= blijvende focus op een eerder psychoseksueel stadium als gevolg van een
onopgelost conflict).
Erikson: psychosociale ontwikkeling = de verandering in onze interacties met anderen en in
hoe we aankijken tegen het gedrag van anderen en tegen onszelf als onderdeel van de
maatschappij.
- Doorlopen van stadia, waarin elk stadia een crisis of conflict is wat een individu moet
oplossen, dit wordt nooit volledig opgelost, daarom wordt het leven steeds
gecompliceerder.
Watson: behavioristisch perspectief = gaat ervan uit dat je moet kijken naar waarneembaar
gedrag en externe stimuli in de omgeving, om de ontwikkeling van het individu te begrijpen.
- Omgeving is belangrijker dan erfelijkheid
- Kwantitatieve veranderingen
Stimulus-respons leren = vorm van leren die we kunnen beschrijven in termen van externe
stimuli en responsen
Twee soorten:
1. Klassieke conditionering
= organisme leert door de koppeling van 2 stimuli reageren op een nieuwe stimulus
die dat type respons normaal gesproken niet uitlokt.
Treedt vooral op bij intense en negatieve emoties
2. Operante conditionering
= vrijwillig respons wordt versterkt of verzwakt, door de associatie met
respectievelijk positieve of negatieve consequenties Skinner.