Weefsels
Er zijn vier hoofdtypen weefsels:
- Epitheelweefsel
- Bindweefsel / steunweefsel
- Spierweefsel
- Zenuwweefsel
Epithelia
Epithelia vormen een afscheiding tussen de buitenwereld en het weefsel dat zich hieronder bevindt.
Deze cellen verschillen van plek in het lichaam, functie en type weefsel. Hieronder zie je vast een
plaatje waarin verschillende epitheelweefsels te zien zijn.
Functies
Epithelia kunnen verschillende functies vervullen:
- Bescherming onderliggend weefsel
- Absorptie
- Secretie (klieren) / excretie (nieren
- Uitwisseling (diffusie)
Ook kunnen bepaalde epithelia cellen specialisaties hebben die bijdragen aan hun functie, bijv:
- Cilia (transport)
- Microvilli (oppervlaktevergroting voor meer absorptie)
,Locatie
Epithelia kunnen zich op verschillende plekken in het lichaam bevinden:
- Buitenkant lichaam
o Huid
- Voortzetting vd buitenkant
o Spijsverteringskanaal
o Luchtwegen
o Urinewegen
- Interne holtes
o Bloedvaten
o Borts- en buikholte
In de interne holtes wordt epitheel ook wel endotheel genoemd.
Naamgeving
De naamgeving van epitheelweefsel wordt gebaseerd op de vorm van de cellen en de hoeveelheid
cellagen van het weefsel.
- Simple = enkellaags
- Statified = meerlagig
Er zijn veel verschillende vormen van epitheelweefsel:
- Eenlagig epitheel
o (plat) Plaveiselepitheel: dunne platte
cellen (A)
o (Plat) kubisch epitheel: cellen even hoog
als breed (B)
o Cilindrisch epitheel: cellen hoger dan
breed (C)
- Meerlagig epitheel
o Meerlagig onverhoord plaveiselepitheel
(F)
o Meerlagig verhoord plaveiselepitheel (G)
- Pseudomeerlagig epitheel: lijkt meerlagig maar
is enkellaags (D)
Bij enkellaags epitheel zitten alle cellen vast aan het
basale lamina en bij meerlagig epitheel zitten alleen de
onderste cellen vast aan het basale lamina.
Kenmerken epitheelweefsel:
- Cellen liggen dicht tegen elkaar
- Weinig intercellulaire ruimte
- Vast aan onderliggend weefsel via basale lamina
Basale lamina vs basaal membraan
Het basaalmembraan bestaat uit het basale lamina en het lamina reticularis. Deze onderdelen zijn
alleen te onderscheiden met een elektronenmicroscoop. Deze lagen bestaan uit eiwitten en suikers
in plaats van fosfolipiden, het is dus geen standaard membraan.
,Het basale lamina bestaat uit een netwerk van verbindende eiwitten. Het grijze op het plaatje is de
cellaag. De groene eiwitten zijn de integrines, deze verbinden de cellen aan de basale lamina. De
basale lamina bestaat uit vier onderdelen:
- in het rood type 4 collageen, deze eiwitten vormen ook een netwerk met elkaar
- in het blauw een netwerk van laminine
- in het geel nidogen, dit is een glycoproteïne
- in het lichtgroen perlecan, dit is een proteoglycaan.
Het basale membraan vormt zo een soort filter voor bepaalde moleculen, maar zorgt ook voor een
stevige hechtingsplaats voor de epitheelcellen.
Kenmerken epitheelcellen
Geen doorbloeding en mitotisch actief.
Cellen zijn veelal polair
Epithelia zijn veelal polair, dit betekent dat ze boven en onder niet hetzelfde zijn. De kant aan het
lumen wordt de apicale kant genoemd, de zijkanten zijn de laterale kanten en de onderkant heet de
basale kant, deze is dan ook gebonden aan de basale lamina. Aan de apicale kant bevinden zich
vaak ook andere transporteiwitten dan aan de basalekant, deze eiwitten zijn veelal van elkaar
gescheiden (door bepaalde junctions). Doordat de fosfolipiden vloeibaar zijn kunnen eiwitten over
het algemeen wel over het membraan diffuseren, tot een soort stop bij de apicale kant. Er vindt dus
alleen basolaterale diffusie plaats.
, Veel junctions tussen cellen
Tussen cellen zitten veel verbindingen, cel-cel junctions:
- Thight junctions: Zitten aan de apicale kant van de epitheelcellen, deze zijn niet heel stevig
maar ze maken het weefsel wel waterdicht.
- Zonula adherens / adherens junctions: deze zijn heel stevig en zorgen ervoor dat de cellen
dicht bij elkaar zitten, deze zitten veelal aan de apicale kant. Ze bevatten
transmembraaneiwitten.
- Desmosomen: zitten wat lager in de cellen en zorgen voor verbinding en stevigheid,
waardoor de cellen stevig tegen elkaar aan zitten.
- Hemidesmosomen: zorgen voor de bindingen van de cellen aan de basale lamina.
- Gab junctions: zijn een soort kanaaltjes tussen de cellen. Hierdoorheen kunnen ionen
makkelijk van cel naar cel stromen.
Deze junctions zijn ook met een electronenmicroscoop goed te zien. Zo zie je bovenin de zonula
occludens, ofwel de tight junctions. Deze vormen een soort band rond de aicale kant van de cel.
Daaronder vindt je de zonula adherens, oftewel adherens junctions, deze vormen ook een soort
band rond de cel en aan de binnenkant zijn ze verbonden met actinefilamenten. Onder zie je een
macula adherens, ofwel desmosoom, deze zitten in de cel vast aan de intermediaire filamenten,
deze zitten kriskras door de cel heen, wat dus zorgt voor extra stevigheid.
Er zijn vier hoofdtypen weefsels:
- Epitheelweefsel
- Bindweefsel / steunweefsel
- Spierweefsel
- Zenuwweefsel
Epithelia
Epithelia vormen een afscheiding tussen de buitenwereld en het weefsel dat zich hieronder bevindt.
Deze cellen verschillen van plek in het lichaam, functie en type weefsel. Hieronder zie je vast een
plaatje waarin verschillende epitheelweefsels te zien zijn.
Functies
Epithelia kunnen verschillende functies vervullen:
- Bescherming onderliggend weefsel
- Absorptie
- Secretie (klieren) / excretie (nieren
- Uitwisseling (diffusie)
Ook kunnen bepaalde epithelia cellen specialisaties hebben die bijdragen aan hun functie, bijv:
- Cilia (transport)
- Microvilli (oppervlaktevergroting voor meer absorptie)
,Locatie
Epithelia kunnen zich op verschillende plekken in het lichaam bevinden:
- Buitenkant lichaam
o Huid
- Voortzetting vd buitenkant
o Spijsverteringskanaal
o Luchtwegen
o Urinewegen
- Interne holtes
o Bloedvaten
o Borts- en buikholte
In de interne holtes wordt epitheel ook wel endotheel genoemd.
Naamgeving
De naamgeving van epitheelweefsel wordt gebaseerd op de vorm van de cellen en de hoeveelheid
cellagen van het weefsel.
- Simple = enkellaags
- Statified = meerlagig
Er zijn veel verschillende vormen van epitheelweefsel:
- Eenlagig epitheel
o (plat) Plaveiselepitheel: dunne platte
cellen (A)
o (Plat) kubisch epitheel: cellen even hoog
als breed (B)
o Cilindrisch epitheel: cellen hoger dan
breed (C)
- Meerlagig epitheel
o Meerlagig onverhoord plaveiselepitheel
(F)
o Meerlagig verhoord plaveiselepitheel (G)
- Pseudomeerlagig epitheel: lijkt meerlagig maar
is enkellaags (D)
Bij enkellaags epitheel zitten alle cellen vast aan het
basale lamina en bij meerlagig epitheel zitten alleen de
onderste cellen vast aan het basale lamina.
Kenmerken epitheelweefsel:
- Cellen liggen dicht tegen elkaar
- Weinig intercellulaire ruimte
- Vast aan onderliggend weefsel via basale lamina
Basale lamina vs basaal membraan
Het basaalmembraan bestaat uit het basale lamina en het lamina reticularis. Deze onderdelen zijn
alleen te onderscheiden met een elektronenmicroscoop. Deze lagen bestaan uit eiwitten en suikers
in plaats van fosfolipiden, het is dus geen standaard membraan.
,Het basale lamina bestaat uit een netwerk van verbindende eiwitten. Het grijze op het plaatje is de
cellaag. De groene eiwitten zijn de integrines, deze verbinden de cellen aan de basale lamina. De
basale lamina bestaat uit vier onderdelen:
- in het rood type 4 collageen, deze eiwitten vormen ook een netwerk met elkaar
- in het blauw een netwerk van laminine
- in het geel nidogen, dit is een glycoproteïne
- in het lichtgroen perlecan, dit is een proteoglycaan.
Het basale membraan vormt zo een soort filter voor bepaalde moleculen, maar zorgt ook voor een
stevige hechtingsplaats voor de epitheelcellen.
Kenmerken epitheelcellen
Geen doorbloeding en mitotisch actief.
Cellen zijn veelal polair
Epithelia zijn veelal polair, dit betekent dat ze boven en onder niet hetzelfde zijn. De kant aan het
lumen wordt de apicale kant genoemd, de zijkanten zijn de laterale kanten en de onderkant heet de
basale kant, deze is dan ook gebonden aan de basale lamina. Aan de apicale kant bevinden zich
vaak ook andere transporteiwitten dan aan de basalekant, deze eiwitten zijn veelal van elkaar
gescheiden (door bepaalde junctions). Doordat de fosfolipiden vloeibaar zijn kunnen eiwitten over
het algemeen wel over het membraan diffuseren, tot een soort stop bij de apicale kant. Er vindt dus
alleen basolaterale diffusie plaats.
, Veel junctions tussen cellen
Tussen cellen zitten veel verbindingen, cel-cel junctions:
- Thight junctions: Zitten aan de apicale kant van de epitheelcellen, deze zijn niet heel stevig
maar ze maken het weefsel wel waterdicht.
- Zonula adherens / adherens junctions: deze zijn heel stevig en zorgen ervoor dat de cellen
dicht bij elkaar zitten, deze zitten veelal aan de apicale kant. Ze bevatten
transmembraaneiwitten.
- Desmosomen: zitten wat lager in de cellen en zorgen voor verbinding en stevigheid,
waardoor de cellen stevig tegen elkaar aan zitten.
- Hemidesmosomen: zorgen voor de bindingen van de cellen aan de basale lamina.
- Gab junctions: zijn een soort kanaaltjes tussen de cellen. Hierdoorheen kunnen ionen
makkelijk van cel naar cel stromen.
Deze junctions zijn ook met een electronenmicroscoop goed te zien. Zo zie je bovenin de zonula
occludens, ofwel de tight junctions. Deze vormen een soort band rond de aicale kant van de cel.
Daaronder vindt je de zonula adherens, oftewel adherens junctions, deze vormen ook een soort
band rond de cel en aan de binnenkant zijn ze verbonden met actinefilamenten. Onder zie je een
macula adherens, ofwel desmosoom, deze zitten in de cel vast aan de intermediaire filamenten,
deze zitten kriskras door de cel heen, wat dus zorgt voor extra stevigheid.