Week 1
Natuurlijke personen: eenmanszaken / zzp-ers / maatschap / VOF
Rechtspersonen: BV / NV / stichting / vereniging
Goederenrecht
Aanspraken (dienen door iedereen gerespecteerd te worden, ook door
curator):
- Eigendom
- Beperkte goederenrechtelijke rechten (bijv. vruchtgebruik)
- Beperkte zekerheidsrechten (pand- en hypotheekrecht)
- Andere in de wet geregelde rechten die werking hebben tegenover
derden (bijv. retentierecht)
Relatieve rechten:
Vorderingen tot nakoming: dienen als geldvordering ingediend te worden
in het faillissement (verbintenisrechtelijk)
Einde faillissement:
1. Opheffing wegens gebrek aan baten (art. 16 Fw)
2. Vereenvoudigde afwikkeling (art. 137a Fw)
3. Verbindend worden van slotuitdelingslijst (art. 193 Fw) vb) DSB
bank
4. Akkoord (WHOA)
Week 2: Schuldeisers en zekerheden
Bij faillissement wordt er algeheel beslag op goederen van de gefailleerde
gelegd ten behoeve van alle schuldeisers (art. 20 Fw). Gelegde beslagen
van schuldeisers vervallen op dit moment (art. 33 lid 2 Fw). De curator is
belast met tegeldemaking van de activa ( = de activa omzetten in geld in
de boedel).
De schuldeisers hebben geen executoriale titel nodig. Zij moeten hun
vordering indienen bij de curator, die vervolgens de vordering beoordeelt
en de volgens de rangorde uitkeert.
Schuldeisers in faillissement
- Schuldeisers van schulden die zijn ontstaan voor het faillissement
- Schulden die zijn ontstaan na faillissement
,Rangorde
1. Boedelschuldeisers
2. Preferente schuldeisers
3. Concurrerende schuldeisers
Voor faillissement
1. Preferente schuldeisers
Hoofdregel: art. 3:278 BW voorrang
- Pand/hypotheek (3:279 BW pand/hypotheek gaat boven
voorrecht)
Hypotheekrecht: registergoederen
Pandrecht: andere goederen zoals roerende zaken en vorderingen
Recht van parate executie: 3:248/268 BW
Uitoefening rechten buiten faillissement om: art. 57 Fw
- Voorrecht: bijzondere (3:283-287 BW) vs algemene preventie (3:288-
295 BW)
- De wet (bijv. fiscus)
2. Concurrente schuldeisers
Hoofdregel: art. 3:227 lid 1 BW.
Gelijkheid van schuldeisers
Verhaal naar evenredigheid
Uitzondering: achterstelling bij overeenkomst (lid 2)
Na faillissement (art. Fw)
1. Boedelschuldeisers
- Schulden op grond van de wet (o.a. art. 39/40 Fw)
- Schulden die door de curator in zijn hoedanigheid zijn aangegaan
- Ook boedelschulden zonder toedoen/handelen van de curator die
een gevolg zijn van zijn handelen in strijd met door hem na te leven
verplichting
onmiddellijke aanspraak op de boedel, geen verificatie. Deze
worden als eerste uit de opbrengst van de boedel voldaan.
2. Schuldeisers met niet-verifieerbare vorderingen
= ontstaan na faillissement en vallen niet onder bereik wet of
rechtspraak.
Uitzondering: indien er sprake is van een onmiskenbare vergissing
onmiddellijke voldoening (HR 5 sept 1997, NJ 1998, 437).
,HR 19 april 2013, NJ 2013, 291 (Koot /Tideman rov. 3.7.1. via 3.6.3 en
3.6.2.)
= onder het aangaan van een schuld door de curator in deze zin is te
verstaan dat de curator deze schuld op zich neemt bij een
rechtshandeling, doordat zijn wil erop is gericht: geen boedelschuld
vordering verhuurder wordt aangemerkt als een concurrentie vordering
HR 23 maart 2018, NJ 2018, 290 (Credit Suisse/Jongepier rov. 3.12.1 –
3.12.3) prejudiciele beslissing
= vorderingen en schulden die voortvloeien uit een vóór de
faillietverklaring gesloten overeenkomst/rechtsverhouding. Er is geen
rechtsverhouding gebaseerd op rechtshandeling curator of toedoen
curator. En schuld ontstaat toch na faillissement.
voor zover een vordering voortvloeit uit een voor het faillissement met
de failliet gesloten overeenkomst (een reeds bestaande rechtspositie met
de schuldeiser), en reeds besloten ligt in die rechtspositie maar pas na
faillissement ontstaat als een niet door de curator verrichte handeling: is
toch een verifieerbare vordering (ondanks art. 24 Fw) en niet in strijd met
het fixatiebeginsel.
Zekerheden voor schuldeisers bij faillissement
Leverancierszekerheden
Bij handelstransacties: niet nakoming + faillissement wederpartij:
1. Eigendomsvoorbehoud: art. 3:92 BW
= een goed kan worden gehouden totdat de volledige vordering is
voldaan
HR 3 juni 2016 NJ 2016/290 (Rabobank/Reuser):
Bij eigendomsvoorbehoud blijft de leverancier juridisch eigenaar van
de geleverde zaak totdat volledige betaling heeft plaatsgevonden.
De koper krijgt een voorwaardelijk eigendomsrecht (art. 3:84 lid 4
BW), dat pas volledig goederenrechtelijk werkt zodra aan de
betalingsvoorwaarde is voldaan.
Een eigendomsvoorbehoud kan zijn werking verliezen of beperkt worden
door:
1. Gebrek aan individualisering – Als goederen niet duidelijk te
individualiseren zijn (HR Texeira de Mattos), kan het
eigendomsvoorbehoud niet worden ingeroepen.
, 2. Derdenbescherming (art. 3:86 BW) – Een derde die te goeder trouw
het goed verkrijgt, kan ondanks het eigendomsvoorbehoud eigenaar
worden.
3. Faillissement – Bij faillissement kan een conflict ontstaan tussen het
eigendomsvoorbehoud van de leverancier en bijvoorbeeld een
pandrecht van de bank (zie art. 3:238 BW).
4. Natrekking (art. 5:14 BW) – Als het goed onderdeel wordt van een
hoofdzaak, kan het eigendomsvoorbehoud vervallen.
5. Vermenging (art. 5:15 BW) – Bij vermenging met andere zaken gaat
het eigendomsvoorbehoud teniet.
6. Zaaksvorming (art. 5:16 BW) – Bij het ontstaan van een nieuwe zaak
kan het eigendomsrecht overgaan naar degene die de hoofdzaak
levert of vormt.
2. Retentierecht: art. 3:290 BW
= een garage mag een auto vasthouden totdat de klant de
reparatiekosten heeft betaald.
Art. 60 Fw: geen verlies retentierecht bij faillissement schuldenaar.
Een zaak kan door curator worden opgeëist om te worden verkocht
met behoud voorrangsrecht retentor of voldoening vordering
waarvoor retentierecht werkt.
Artikel 3:291 BW
= Het retentierecht kan ook worden ingeroepen tegen derden, maar
met voorwaarden afhankelijk van of hun recht ouder of jonger is:
Lid 1 – Jonger recht:
Het retentierecht kan worden ingeroepen tegen derden met een
jonger recht op de zaak, mits het kenbaar was dat het goed onder
retentie stond (zie HR Golfbaan-arrest – kenbaarheidsvereiste).
Lid 2 – Ouder recht:
Het retentierecht kan ook worden ingeroepen tegen derden met een
ouder recht, als aan één van deze voorwaarden is voldaan:
1. De schuldenaar was bevoegd om de overeenkomst met
betrekking tot de zaak aan te gaan.
2. De retentor (schuldeiser) had geen reden om te twijfelen aan
de bevoegdheid van de schuldenaar.
3. Recht van reclame: art. 7:39 BW
= geeft verkoper het recht om geleverde roerende zaken terug te
vorderen, wanneer koper niet betaalt. Een retentierecht blijft gelden
tijdens faillissement. De curator mag het goed verkopen, maar moet
dan de retentor eerst betalen of diens voorrang respecteren.