Hoofdstuk 3: de tijd van monniken en ridders................................................................................................ 2
3.1: Germaans bestuur................................................................................................................................... 2
3.2: verspreiding van het christendom............................................................................................................ 4
3.3: Heren en horigen.................................................................................................................................... 5
3.4: ontstaan en verspreiding van de islam..................................................................................................... 6
Hoofdstuk 4: de tijd van steden en staten....................................................................................................... 9
4.1: de opkomst van handel en ambacht........................................................................................................ 9
4.2: steden met stadsrecht........................................................................................................................... 11
4.3: het begin van staten.............................................................................................................................. 13
4.4: de strijd tussen kerk en staat................................................................................................................. 14
4.5: De kruistochten..................................................................................................................................... 16
Hoofdstuk 5: de tijd van ontdekkers en hervormers......................................................................................17
5.1: De Renaissance..................................................................................................................................... 17
, Samenvatting middeleeuwse geschiedenis oriëntatie op geschiedenis
Hoofdstuk 3: de tijd van monniken en ridders
3.1: Germaans bestuur
Het Merovingische Rijk
Het Frankische Rijk is voorgekomen uit het gebied van de Salische Franken, die vanaf circa
350 als bondgenoten binnen het Romeinse Rijk woonden in het zuiden van het huidige
Nederland, het huidige België en het noorden van Frankrijk.
Na de formele opheffing van het Romeinse gezag in 476 trad onder hen een heerser op de
voorgrond die een succesvol veroveraar bleek: Clovis. In 507 trok hij ten strijden tegen de
Visigotische koning Alarik II, die heerste in het zuiden van Gallië. Het grote rijk dat Clovis had
gesticht wordt ook wel het Merovingische rijk genoemd.
In het jaar 497/498 liet Clovis, samen met andere Frankische bestuurders, zich dopen in de
kerk van Reims. Met deze stap verwierven de Frankische heersers de steun van de Gallo-
Romeinse elite, waaronder de christelijke bisschoppen in het voormalige Romeinse gebied
die de steden bestuurden.
Na de dood van Clovis in 511 werd zijn rijk verdeeld onder zijn vier zonen. Die breidden het
Frankische gebied nog verder uit. Rijk werd eerlijk verdeeld. Dit laat zien dat Merovingische
bestuurders hun rijk zien als een persoonlijk bezit. Toch kon deze theorie niet voorkomen dat
de deelrijken van de Franken regelmatig met elkaar in conflict raakten, wat wel degelijk tot
verzwakking leidde.
Het Karolingische Rijk
Na de dood van Pepijn de Korte werden volgens Frankische traditie de koninklijke bezittingen
verdeel onder diens twee zonen: Karloman en Karel. Omdat Karloman al snel stierf heeft
Karel, later Karel de Grote, bijna een halve eeuw alleen kunnen regeren. Bij zijn dood in 814
reikten zijn grenzen van zijn rijk van de Noordzee tot het noorden van Spanje en van de
Atlantische Oceaan tot aan de Elbe. Dit was ook nieuw concept van besturen: 1 rijk met 1
geloof en maar 1 heerser. Dit kon alleen werken door een lange reeks van flinke oorlogen
onder leiding van Karel. Zo maakte hij in Italië een eind aan het Longobardische rijk, in de
Pyreneeën raakte hij slaags met de moslims, en zijn belangrijkste oorlog: als christelijke vorst
tegen de Saksen in het noordoosten van het rijk. Doel van Karel: dit gebied te bekeren tot
het christendom.
Ook probeerde Karel de Grote het intellectuele peil in zijn rijk te verhogen. In zijn hoofdstad
Aken richtte hij een school op waarover de monnik Alcuïnus de leiding kreeg. Op deze manier
werd het peil van geletterdheid in het rijk verhoogd. Nadruk lag vooral op het bestuderen
van teksten van auteurs uit de vroegchristelijke tijd. Door al deze intellectuele activiteit was
er sprake van een Karolingische renaissance, een herleving van de klassieke cultuur.
, (rond de 8e eeuw). Karel was zelf ook groot studiebol. Naast zijn eigen taal sprak hij vloeiend
Latijn en verstond hij Grieks. Ook de bouwstijl van gebouwen, zo als de hofkapel in Aken,
keek hij af bij de Romeinse stijl. Het kan dus gezien worden als een soort ‘opvolger’ van het
Romeinse rijk.
In 814 erfde Karels enige overgebleven zoon Lodewijk het rijk. Deze verspeelde al snel het
gezag over zijn graven en hertogen, hij overleed in 840. In 843 troffen zijn zoons elkaar in
Verdun en verdeelden de erfenis: Karel de Kale kreeg het rijk ten westen van de Maas en
Rijn, Lotharius kreeg het middenrijk, ongeveer de Benelux, Bourgondië en Noord-Italië en
Lodewijk ‘de Duitser’ kreeg het oostrijk, dat bestond uit Duitsland en Midden-Europa.
Westelijke rijk het Franse koninkrijk
Oostelijke rijk het Duitse Rijk
Midden rijk: wist zich uiteindelijk niet te handhaven tussen de 2 machtigere rijken.
Lokale machthebbers
In de rijken die volgden op de periode van Karel de Grote was geen sprake meer van sterk
centraal gezag. Waar dit gezag ontbreekt maken lokale machthebbers daar gebruik van door
onafhankelijk van de vorst eigen rijkjes op te bouwen. Door een gebrek aan machtsmiddelen
waarmee vorsten hun wil konden opleggen, raakten zij afhankelijk van de trouw en de
loyaliteit van de lokale heren, de ‘edelen’ in hun gebied. Zonder die steun waren ze
machteloos. Alles was gebaseerd op relaties tussen personen. Soms was dat een wankele
basis.
Vormen van grondbezit
De lokale machthebbers waren de bezitters van de grond waarover zij heersten. Voor
grondbezit werden in deze tijd twee Latijnse woorden gebruikt: Allodium en feodum.
Allodium= woord voor eigendom
Feodum= woord voor leen
Vorsten delegeerden in deze tijd het gezag over delen van hun gebied aan lokale edelen,
bijvoorbeeld in de rol van graven, hertogen of bisschoppen. Zij probeerden met deze
personen een relatie van persoonlijke wederzijdse trouw te onderhouden.
Nadeel aan deze manier van macht onderhouden: was op basis van vertrouwen, niet
opgeschreven regels. Leenmannen gingen hun eigen stukje grond weer door uitlenen aan
andere en bij overlijden aan hun eigen kinderen. Zo kwam het stuk grond nooit meer terug in
handen van de vorst.